Ondanks dat het een oorlogsjaar was bleef er in 1917 nog wel wat te beleven. Totaal waren er 50 zegels, waarvan 28 in de collectie. Het verhaal wordt dus weer opgesplitst.

Griekenland

537

Net zoals Franse en Britse koloniën gaf ook Griekenland zegels uit om de oorlog op een of andere manier te financieren. Er werden drie zegels van de Extrateia-serie overdrukt met ΚΠ en een waarde van 5 lepta.

Haiti

Haïti kwam weer met een grote reeks waarde-opdrukken van 1 centime. De zegels van 4 centimes met de slotruïne van Sans-Souci in de kleuren karmijn of olijfgroen werden allebei overdrukt.

Colombia

Colombia kwam met een nieuwe serie frankeerzegels, grotendeels bestaande uit Zuid-Amerikaanse beroemdheden. Alleen de 20 centavos was gewijd aan het monument voor de slag bij Boyaca in 1819 en de 50 laat de stad Cartagena zien. Alleen in deze laatste ben ik geïnteresseerd, maar deze is nog niet langs gekomen.

Mexico

Hier werd alleen een heruitgifte van de serie van 1915 gedaan. De 5 pesos met het hoofdpostkantoor van Mexico-Stad kwam nu in een groen kader in plaats van rood uit.

Hongarije

542-549

Na een groot aantal portretten van Franz-Joseph en de mythische vogel Turul kwamen de Hongaren met een nieuw onderwerp voor de iets hogere waardes van 50 fillèr tot 10 korona, namelijk het nieuwe parlementsgebouw aan de Donau in Boedapest. Het was in 1904 na bijna 20 jaar bouwen gereedgekomen en was bijna gelijk al een monument vanwege de omvang en de rijke versiering van ex- en interieur. Het is met afstand het meesterwerk van Imre Steindl (1839-1902) en werd samen met het alle bebouwing aan de Donau in 1987 op de Werelderfgoedlijst gezet als nummer 400. Ik ben 4 maal in Boedapest geweest, hieronder een foto van ons bezoek in 2008.

Parlementsgebouw gezien vanuit het Vissersbastion (eigen foto 21-07-2008)

25 maart – Turkije

Ook in 1917 was het merendeel van de uitgiftes weer oude zegels met een opdruk. In dit jaar was dit een soort van ossenkop met een ster erboven. Ook nu weer waren de Edirnezegels gekozen, behalve de 20 paras dit keer, alsook de vier portopdrukken.

Een paar weken eerder was er wel de eerste zegel van een nieuwe frankeerserie verschenen, waarvan de zegels om hun herkomst de Weense drukken heten. De serie bevatte de volgende waardes en onderwerpen:

  • 2 para’s (21-10-1918) – Turkse artilleriesoldaten in een gevechtsscene
  • 5 para’s (7-9-1918) – De moskee van Orta Koy bij Istanboel
  • 10 para’s (2-4-1918) – Vuurtoren aan de Bosporus
  • 20 para’s (11-10-1917) – Monument voor de martelaren van de vrijheid
  • 1 piaster (5-6-1917) – Kaart van de Dardanellen en portret van sultan Mehmed V
  • 50 para’s (11-10-1917) – Kaart van de Dardanellen

550

Op de 2 piaster van 6 maart 1917 is Istanboel te zien vanaf de Gouden Hoorn, een brede rivierarm van de Bosporus aan de noordzijde van de oude stad. Aan de linkerkant zijn wat torentjes te zien van de  beroemde moskeeën.

551

Op de 5 piaster, uitgegeven 2 oktober 1917 iets wat nog net onderdeel was van het Ottomaanse Rijk, dat zoals bekend in zijn nadagen verkeerde: namelijk de piramides van Egypte.

13 mei – Hedjaz

In Hedjaz kwamen de zegels van 1916 nog een keer uit, maar nu getand.

Juli – Réunion

560

Een simpele waarde-opdruk van 0,01 op 4 centimes dit jaar

14 juli – Bulgarije

536

Bulgarije vierde de verovering van Macedonië met meerdere zegels, gewijd aan landschappen uit wat nu Noord-Macedonië heet. In de Eerste Wereldoorlog wist Bulgarije het tot dan toe onder het Ottomaanse Rijk horende deel van het latere Joegoslavië met behulp van de Centrale mogendheden (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije) te veroveren. Het sprookje zou niet erg lang duren, want bij het einde van de oorlog hadden de geallieerden het alweer heroverd.

De meest aansprekende plaats van Macedonië is Ohrid aan het gelijknamige meer op de grens met Albanië. Het meer kwam in 1979 op de Werelderfgoedlijst met nummer 99, een jaar later ook de naaste omgeving met het historische stadje. Ohrid ontstond bij de oude Griekse nederzetting Lychnidos, die al zo’n 700 jaar voor Christus bewoond was. Nadat de Romeinen Macedonië hadden verlaten was het een flinke stad met een eigen bisschopszetel, maar in 526 sloeg het noodlot toe, Lychnidos werd verwoest door een zware aardbeving. Op de restanten van de stad ontstond een nieuwe nederzetting die in 880 Ohrid bleek te heten. Op dat moment maakte het deel uit van het (eerste) Bulgaarse Rijk, dat in die dagen een groot deel van de Balkan besloeg. In 1018 werden de Bulgaren verslagen en Ohrid werd onderdeel van het Byzantijnse Rijk. 3 eeuwen later volgde verovering door de Ottomanen. Bulgaren wonen er nog steeds.

561

Na 1918 lag Ohrid in Joegoslavië en in de jaren 60 werd de toeristische potentie ontdekt wat Ohrid evenals Dubrovnik en Split tot een grote trekpleister maakte. De oude stad is gelukkig niet te zeer aangetast en met name de kerken zijn de moeite van het bezoeken waard. De 13’de-eeuwse Sint Johannes van Kaneo-kerk ligt hoog boven de stad met uitzicht op het Ohridmeer en is het bekendste punt, wat ook goed te zien is op de postzegels.

De 50 stotinki verscheen op 14 juli. de 5 waarschijnlijk eerder. Wat de eerste betreft een grote verandering vanwege de landsnaam Tzjarstvo Bulgaria, waarmee men maar wilde aangeven dat het oude Bulgaarse tsarenrijk weer terug van weggeweest was. De Bulgaarse koningen zouden tot het einde van het koninkrijk in 1946 de titel tsaar dragen.

1915 kende een toename van 62 zegels in 21 verschillende uitgiften en daarbij enkele nieuwe onderwerpen. Omdat ik maar 6 zegels in de collectie heb zal het merendeel van onderstaande en in het tweede deel in vogelvlucht behandeld worden.

Egypte

Dienstzegel uit 1915

Met een nieuw uitgegeven frankeerserie was het natuurlijk te verwachten dat er ook snel opdrukken zouden verschijnen, zodat er ook weer een voorraadje dienstzegels zou zijn. Drie lage waardes werden overdrukt. In oktober volgden nog eens drie zegels, waarvan er twee nog op de oude pyramidezegels.

Panama en de Kanaalzone

Panama bracht in totaal 10 frankeerzegels en 4 portzegels uit. Dit recent ontstane land, een voormalige provincie van Colombia, maar onder druk van de Amerikanen onafhankelijk geworden zodat zij de vrije hand hadden in de aanleg van het Panamakanaal, had tot dan toe vrijwel alleen landkaartjes van de Istmus (de smalle landstrook die Zuid- en Midden-Amerika verbindt) uitgegeven. Een portzegel met daarop een deel van de koloniale verdedigingswerken aan de Caribische kant van het land was de eerste zegel met werelderfgoed. Op 1 maart volgde een serie frankeerzegels ter gelegenheid van de Panama-tentoonstelling, die gehouden werd in verband met de opening van datzelfde Panamakanaal een jaar eerder. Hierop zien we ook landschappen en stadsbeelden van Panama met daarbij de kerkruïne van Panamá Viejo en de losstaande gevel van het Santo Domingo-klooster in het huidige stadshart.

De portzegel werd ten behoeve van de Canal Zone in maart van een zwarte en in november van een rode opdruk voorzien. De laatste kreeg daarbij ook de nieuwe waarde van 1 Amerikaanse cent.

Peru

Peru kwam met een serie opdrukzegels in kleine waardes van 1 en 2 centavos. Ook de 50 centavos uit 1910 met het postkantoor in Lima moest eraan geloven en kreeg een waarde van 2 centavos. Wel een vrolijk lettertype overigens, ik hoop de zegel ooit eens te laten zien.

Januari – Samos

In januari kwamen de laatste postzegels van Samos uit. Ook dit waren opdrukken om aan te geven dat het eiland nu echt wel bij Griekenland ingelijfd zou worden.

23 januari – Réunion

Ook opdrukken op dit Franse eiland. Deze waren bedoeld om in oorlogstijd het Rode Kruis te ondersteunen, horen tot de eerste in dat soort en werden in alle Franse koloniën toegepast. De eilandzegel van 10 centimes uit 1907 kreeg een zwarte opdruk van een kruis (tevens het +-teken) en de toeslagwaarde van 5 centimes. Op 5 februari werd de opdrukkleur veranderd in het meer toepasselijke rood.

Februari – Mexico

In Mexico bleef de revolutie voortduren. In februari was er een nieuwe versie van de GCM-opdruk op onder andere de Granaditas-zegel van 1911, maar in november werd het opdrukkencircus onderbroken door een drietal zegels met nationale symbolen waarmee een nieuwe zegel van 5 pesos geïntroduceerd werd, nu met het hoofdpostkantoor in het centrum van Mexico-Stad. De zegel zelf verscheen pas op 1 januari 1917.

April – Iran

Darius’ paleis in Persepolis

In Iran, toen nog officieel Perzië geheten, was er toch nog een soort van feestelijk moment voordat de ellende van alledag weer voortging. Perzië was dan weliswaar neutraal in de Eerste Wereldoorlog, dat wil niet zeggen dat er geen oorlog woedde. In het noordwesten, aan de grens met Azerbaidzian en in Iraans Azerbaidzian, werd gevochten om land en grondstoffen tussen de gecombineerde legers van Rusland en Brits-Indië, van Turken en Duitsers en van Perzië zelf. Het had een enorme genocide tot resultaat: 2 miljoen burgers kwamen om als gevolg van het geweld en de later uitbrekende hongersnood en het is dan ook terecht een inktzwarte bladzijde in de Iraanse geschiedenis.

Op 24 april werd de 16-jarige Ahmad Qajar tot sjah gekroond. Hij was na de afzetting van zijn vader in 1909 al tot leider van het land verklaard, maar nog te jong om de kroningsceremonie te ondergaan. Hij was een zwakke leider en omdat het met Perzië steeds verder achteruit ging door de voortdurende oorlogsinspanningen, werd hij op zijn beurt in 1921 officieus en in 1925 formeel ook weer afgezet. In 1930 stierf hij in zijn verbanningsoord Parijs en ligt begraven bij zijn familie in het huidige Irak.

De zegels in een serie van 17 hebben drie onderwerpen: de laagste 9 waardes hebben de keizerskroon als onderwerp en de volgende 4 een reliëf uit Persepolis, voorstellende Artaxerxes I op zijn troon. Artaxerxes was een zoon van Xerxes I en de zesde koning van Perzië uit de Achaemeniden-dynastie die tussen ongeveer 550 en 336 v.Chr. over het rijk regeerde. Ook vormden ze de 27’ste dynastie van farao’s in Egypte. Uiteindelijk bracht Alexander de Grote de Achaemeniden op de knieën.

De vier hoogste waardes, waarvan hierboven een voorbeeld, tonen het paleis van Darius I in Persepolis, dat in 1979 als nummer 114 werd ingeschreven op de lijst. Daarmee was het samen met twee andere sites de eerste van 24 die tegenwoordig ingeschreven zijn.

Persepolis werd in 518 v.Chr. gesticht door Darius I (550-487), die het Achaemenidenrijk, waarvan hij de derde koning was, tot zijn grootste omvang bracht. Persepolis was niet, zoals de vertaling uit het Grieks doet vermoeden, een stad, maar meer een verzameling paleizen in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde grotere huidige stad, Shiraz, ligt op 70 kilometer. Het diende dan ook slechts als een soort ceremoniële hoofdstad van Perzië, die alleen bij festiviteiten bezocht en bewoond werd. Een voorbeeld is Nowruz, het traditionele nieuwjaar volgens de Perzische tijdrekening. Van het complex zijn uiteraard alleen nog ruïnes over die nationaal en internationaal tot de grootste trekpleisters van Iran horen. Ook in Streetview is het te bezoeken en zeker de moeite waard.

De serie werd tegelijkertijd uitgegeven met opdrukken om te dienen als dienstzegels (‘SERVICE’ in het Frans en in Farsi) en als pakketzegels (idem met ‘COLIS POSTAUX’). In september volgden nog 15 van de 17 zegels met opdruk ‘BUSHIRE Under British Occupation’. Deze serie is zeer zeldzaam en peperduur (mits echt, wat maar zelden zo is!) en werd alleen kort gebruikt tijdens de Britse bezetting van deze havenstad aan de Perzische Golf. In oktober heroverden de Iraniërs het weer.

 

In dit derde deel bespreek ik de overige uitgiftes van 1914

24 februari: Cuba

Morane bij vesting El Morro

In Cuba verscheen een expressezegel (Entrega immediata). Nu was dat niet het meest bijzondere, wel was dat een vliegtuig op de afbeelding, de eerste op een officiële uitgifte (in 1912 was er al een onofficiële in Duitsland)!

Het vliegtuig in kwestie was een Morane-Saulnier, uit de Franse fabriek, opgericht door de Parijzenaar Léon Morane (1885-1918), zijn broer Robert (1886-1968) en Raymond Saulnier (1881-1964), ook uit Parijs. We zien het ‘vliegen’ voor het fort El Morro bij Havana. Officieel heet het Castillo de los Tres Reyes Magos del Morro en is in 1585 gebouwd door de Italiaanse fortenbouwer Bautista Antonelli (1547-1616), die in dienst was van Filips II. Een beroemder werk van hem is de San Pedro de la Roca bij Santiago de Cuba, dat als zelfstandig object op de Werelderfgoedlijst staat.

13 mei: Nicaragua

Kathedraal van Leon

In Nicaragua kwamen de eerste zegels uit in de veelvuldig uitgemolken serie ‘Regeringsgebouw in Managua’ en ‘Kathedraal van Leon’. Tot 1938 kwamen er tientallen zegels uit, hetzij in andere kleuren, hetzij overdrukt, al of niet als dienstzegel. Hoewel de cataloguswaarde niet hoog is, is zeker buiten Amerika de handel in deze zegels klein en ik heb er maar een beperkt aantal van.

Bovenstaande zegels gelukkig wel en we zien zodoende de beroemde kathedraal van Leon. Bij de onafhankelijkheid van Nicaragua in 1835 werd deze stad, halverwege de 17’de eeuw ontstaan, tot hoofdstad uitgeroepen, maar rivaliteit met de stad Granada maakte dat er een burgeroorlog uitbrak, in 1852 besloten met een compromis, namelijk dat Managua de hoofdstad werd.

De kathedraal, officieel de Onze-Lieve-Vrouwe-Hemelvaartskathedraal, was in die dagen nog helemaal niet zo oud: de eerste steen werd gelegd in 1747 en de bouw stond onder leiding van Diego José de Porres Esquivel (1707-1767). Hij had als opdracht een kerk te maken die bestand was tegen aardbevingen en vulkaanuitbarstingen. Dat had een reden: het oude Leon, de voorganger van de huidige stad, lag een kilometer of 30 verderop aan de voet van de zeer actieve vulkaan Momotombo. Een uitbarsting in 1613 zorgde ervoor dat de laatste bewoners de oude koloniale hoofdstad moesten verlaten en er slechts ruïnes overbleven (de ándere inschrijving op de WeL: Leon Viejo). De eerste publieke gebouwen (lees kerken en kloosters), verschenen zo’n 20 jaar later, maar de kathedraal vergde om bovengenoemde redenen wat meer tijd. Het resultaat mocht er zijn: zelfs bombardementen rondom de roerige politieke gebeurtenissen in het land (burgeroorlogen en revoluties) kon de kerk goed weerstaan.

De bouw duurde tot 1814 en daarmee was er weer een bisschopszetel van formaat (het oude Leon was al vanaf 1531 bisdom), die in 1860 gewijd werd. Het is het belangrijkste monument van Nicaragua, waar diverse grootheden begraven liggen, zoals de schrijver en dichter Rubén Dario (1867-1916), die als een volksheld vereerd wordt en boven alle partijen staat.

Juni: Haiti

Haiti zat in 1914 in een burgeroorlog, in februari greep generaal Oreste Zamor (1861-1915) er de macht, in oktober werd hij afgezet en in 1915 geëxecuteerd. Tijdens zijn kortstondige regering werden tientallen zegels overdrukt met zijn (afgekorte) naam GL O.Z. en de datum 7 FÉV 1914 in een kastje. Hieronder ook twee zegels met Slot Sanssouci.

Juli: Zwitserland

Jungfrau voor de Jungfrau

In Zwitserland kwam een serie van drie hoge waardes uit, 3, 5 en 10 Francs met daarop landschappen. Op de 3 staan de Mythen, een kleine bergketen bij het Vierwoudstedenmeer, de kern van het oude eedgenootschap, met de plaatsjes Schwyz en Brunnen. Op de 5 eveneens een scene aan het Vierwoudstedenmeer. Op de 10 Francs echter een oude bekende: de Jungfrau. Een mooi werkje van Eugène Grasset (1845-1917), voor wie het een van zijn laatste kunststukje was. De graveur was Jean Sprenger, over wie niet veel bekend is, behalve dat hij tot in de jaren 30 actief was.

18 september: Samoa

Na het begin van de Eerste Wereldoorlog werden de Duitse koloniën zo veel mogelijk bezet. Samoa, dat in 1900 in bezit genomen werd door de Duitsers, kwam nu onder bestuur van Nieuw-Zeeland. Het eerste wat zij deden was een aantal eigen zegels met opdruk SAMOA uitgeven. Het waren er 6 stuks, de meeste met het al verlopen portret van koning Edward VII (reeds vier jaar eerder overleden), maar ook de wat oudere Lake Wakatipu van 2 1/2 pence.

8 december: Noord-Epirus

Noord-Epirus was een kortstondige autonome republiek in het zuiden van het huidige Albanië met een overwegend Griekse bevolking. Het landje ontstond in februari 1914 in de nasleep van de Tweede Balkanoorlog en kwam alweer ten einde bij de Eerste Wereldoorlog toen Albanië onder de voet gelopen werd. Als hoofdstad gold Gjirokaster (Grieks: Argyrokastron) en de president was Georgios Christakis (1863-1920). Na de oorlog kreeg de regering in Athene het republiekje in handen, maar na de Grieks-Turkse oorlog van 1919 tot 1922 verloren de Grieken het weer. Dat bleek definitief te zijn.

In 1914 verschenen de meeste postzegels van Noord-Epirus. De eerste zegels toonden een soldaat van het Epirische leger, later werden dat de vlag, in de Griekse kleuren met een dubbelkoppige adelaar. In december, toen Griekenland de administratie claimde, verscheen de Ekstrateia-serie met Griekse opdruk.

Het tweede deel van 1913 is bijna geheel aan Zuidoost-Europa gewijd.

Ik begin op Samos, een eiland dat op slechts 1,2 kilometer van het Turkse vasteland ligt en als zodanig eeuwenlang als natuurlijk bezit van Turkije gold. Na de Griekse onafhankelijkheidsoorlog veranderde dat en in 1834 werd het prinsdom Samos uitgeroepen, met gekozen prinsen uit de Ottomaanse elite (de eerste was een Bulgaar). Postzegels kwamen er officieel nooit uit, wel een aantal die in de catalogus als ‘niet uitgegeven’ vermeld worden.

In 1912, direct na de opheffing van het prinsdom en de ontruiming van het Turkse garnizoen, veranderde dat: er kwamen drie zegels met de kaart van het eiland uit, direct gevolgd door een Hermeskop, allebei uitgegeven door de voorlopige regering die de aansluiting met Griekenland moest voorbereiden.

In januari 1913 kwam er een serie van 5 uit ter viering van de bevrijding van de Turken in 1824 en in 1912. Hierop staan een paar monumenten uit Pythagoreio, de plaats die naar de wiskundige Pythagoras genoemd is en die werelderfgoed zijn. In 1915 verschenen ze nog overdrukt als allerlaatste uitgifte van het eiland. In alle gevallen moeilijk om aan te komen, maar wie weet.

Op 1 maart kwam de Italiaanse serie van 1911, waarvan ik de 5 centesimi besprak, uit met opdruk van een nieuwe waarde. Dit was in dit geval nog slechts 2 centesimi. Het was de laatste zegel van die toen ook in Italië al minieme waarde. In 1930 kwam er nog eentje uit, speciaal voor blindenpost. De ongebruikte zegel die ik hiernaast toon is weliswaar in de rechter onderhoek beschadigd, maar laat beter dan het gestempelde origineel de fraaiheid van de gravure zien.

Op 29 april (16 april volgens de lokaal nog gebruikte Juliaanse kalender) kwam in Griekenland een serie uit geweid aan het ‘Nieuwe Griekenland’. Dat was tien dagen na het sluiten van een wapenstilstand met de Turken, die bekrachtigd zou worden met de Vrede van Londen op 30 mei. De serie bestond uit twee ontwerpen, de ene een stralend Grieks kruis (ook wel Contantijnskruis) boven de Acropolis met teksten die verwijzen naar de overwinning (NIKA) en de campagne van 1912 (ΕΚΤΣΡΑΤΕΙΑ 1912), de andere een vliegende adelaar (?), die een spartelende slang gevangen houdt met zijn snavel boven de Olympus. Het gaat mij uiteraard om de eerste, waarvan er 9 zijn. (de Olympus in Noord-Griekenland is, anders dan Olympia op de Peloponnesos, geen werelderfgoed).

Hoewel de ontwerpen goed aangepakt zijn is er wel op van alles bezuinigd: de zegels zijn niet getand maar doorstoken en komen op verschillende papiersoorten voor. De kleine waardes zijn vrij makkelijk te krijgen, vanaf 3 Drachmen wordt het moeilijk, de 10 en 25 zijn typische veilingdingen.

De laatste drie zegels komen uit het Ottomaanse Rijk zelf. Dit had in 1913 grote gebieden verloren aan Bulgarije en Griekenland en daar hoorde ook het gebied rond Adrianopel (het huidige Edirne) bij. Edirne gold als laatste bolwerk aan de westzijde van  Constantinopel en ging in de loop der eeuwen regelmatig in andere handen over. In de moderne tijd ging het doorgaans om de Russen, na de onafhankelijkheid van Bulgarije om laatstgenoemde land. Tijdens de Eerste Balkanoorlog veroverden de Bulgaren het weer eens, maar na de Tweede Balkanoorlog, die bedoeld was om de Bulgaarse landhonger in de tomen, kwam het weer terug aan het Ottomaanse Rijk en deze keer was dat definitief. Op 23 oktober kwam er een serietje uit om dit te vieren.

De zegels tonen alle drie het voornaamste monument van de stad: de Moskee van Sultan Selim I, alias de Selimiye, gebouwd in 1575 en een van de topstukken van de architect Koca Mimar Sinan Ağa, kortweg Sinan (1489-1588). Deze was ook verantwoordelijk voor de Süleymaniye-moskee in Istanbul, die 20 jaar eerder voltooid werd, maar Sinan vond zijn werk in Adrianopel een stuk beter dan in Constantinopel. Dat kwam omdat de lichtinval en daarmee de ‘moskeebeleving’ naar eigen zeggen veel beter was. De koepel van de Selimye is ook met ruim 31 meter erg groot te noemen. Bovendien werd de ruimte zo ingericht dat de mihrab, de uitgang die precies in de richting van Mekka ligt, van alle kanten zichtbaar is, zodat de gebeden altijd op de juiste wijze plaats konden vinden.

De Selimye doorstond in 1913 met glans de belegering door de Bulgaren. Na de herovering later in het jaar door de Turken bleek er slechts lichte schade te zijn. Atatürk, vanaf 1922 de leider van de Turkse republiek, besloot dat deze schade nooit gerepareerd mocht worden om toekomstige generaties aan de gevolgen van de Balkanoorlogen en de Eerste Wereldoorlog te herinneren. In 2011 werd de moskee op verzoek van de Turkse regering op de Werelderfgoedlijst gezet met nummer 1366.

8 september 2014 was een dag die de filatelistische wereld nog lang zal heugen. Conservatieve verzamelaars uit meestal confessionele hoek konden het niet waarderen, de progressieve kant vond het wel mooi: het Finse velletje gewijd aan het werk van de kunstenaar Tom of Finland (1920-1991), die gespecialiseerd was in homo-erotische kunst, stoere mannen met leer en petten en zo. Was dat nou de eerste keer dat zoiets op een postzegel kwam? Vrouwelijk naakt was al lang bekend. In 1930 zette Spanje pontificaal de Naakte Maya van Francisco Goya op een postzegel en ook een land als Roemenië wist er rond 1970 wel raad mee. Mannelijk naakt was er in symbolische zin al wel in de 19’de eeuw, zie bijvoorbeeld mijn stukje over Paix et Commerce. Maar een stel naakt worstelende mannen, daarmee had Griekenland de primeur.

De serie van 14 zegels, uitgegeven op 25 maart (oude stijl) was gewijd aan de Olympische Spelen van 1906 in Athene. In 1900 en 1904 hadden Parijs en St. Louis Olympische Spelen gehouden, gekoppeld aan een Wereldtentoonstelling. De Grieken wilden gewoon weer terug naar de sport en organiseerden in 1906 een kortdurend sportevenement van slechts 12 dagen en het was de bedoeling dat naast de grote Spelen in ieder tussenjaar er kleine Spelen kwamen, maar in 1910 kreeg Griekenland de organisatie niet rond, mede door de oorlogsdreiging op de Balkan, waarna het plan verder geschrapt werd. Bovendien maakte Londen in 1908 er ook een puur sportfestijn van, zonder de toeters en bellen van een Wereldtentoonstelling.

Op alle zegels zien we afbeeldingen uit de klassieke Griekse mythologie. De worstelaars zijn dan ook niet zomaar worstelaars, maar mythologische figuren. De Michelcatalogus noemt ze Herakles en Antaios, maar dat lijkt me sterk. Antaios was immers een reus, die nimmer verslagen kon worden en de enige die het wel lukte was Herakles, die ontdekte dat Antaios alleen maar sterk was als hij in verbinding met Moeder Aarde stond. Door hem op te tillen verloor hij het contact en was dus hulpeloos. Dit zien we niet op deze zegel gebeuren.

De mannen vechten aan de voet van de Akropolis van Athene, reden waarom hij in de collectie thuis hoort. De Akropolis had al in 1300 v.Chr. een nederzetting, maar de beroemde bouwwerken zoals het Parthenon en het Erechteion werden opgericht in de 5’de eeuw v.Chr. Ze werden in 1987 als nummer 404 ingeschreven op de lijst.

Op 28 juli was het de beurt aan Haïti. Hier kwam een serie van 13 waarden uit voor gebruik op post naar het buitenland. De onderwerpen waren een aantal highlights van Port-au-Prince, een portret van regerend president Nord-Alexis (1820-1910) en het staatswapen. Op de 4 Centimes de Piastre komen we het enige werelderfgoed van Haïti tegen, namelijk slot Sans-Souci, in 1982 als nummer 180 ingeschreven.

Sans-Souci is nog niet heel oud. Het werd tussen 1810 en 1813, kort na de onafhankelijkheid van Haïti, gebouwd in opdracht van Henri Christophe. Hij was het tweede staatshoofd van het land en de enige die zich koning noemde als Henri I, voordat in 1820 een republikeinse staatsvorm gekozen werd, die in 1849 voor 10 jaar onderbroken werd door een keizerrijk. Sans-Souci was een van de vele bouwwerken die in zijn tijd verrezen, maar in dit geval moest het wel paleizen als Versailles, Schönbrunn en de naamgenoot in Potsdam naar de kroon steken. Het verrees op de plaats van een plantage waar Christophe eerder de scepter zwaaide. In 1820 pleegde hij er zelfmoord, waarna de republiek werd uitgeroepen. In 1842 werd het eens zo roemruchte paleis getroffen door een zware aardbeving en is sinds die tijd een ruïne.

Voor het laatste nieuwe onderwerp gaan we naar Bosnië-Hercegovina, dat sinds 1879 bezet was door Oostenrijk-Hongarije en in 1908 zelfs geannexeerd werd. Tot 1906 verschenen er postzegels met wapenschilden om aan te geven wie er de baas was, maar op 1 november kwam daar verandering in met een serie van 16 verschillende plaatjes van landschappen, stadsgezichten, postale vervoermiddelen als een pakezel, een postkoets en zelfs een postauto (als ik het wel heb de eerste auto ooit op een postzegel!), terwijl de hoogste waarde van 5 kronen gereserveerd was voor keizer Franz-Josef II.

Op de 2 en de 20 heller zien we twee verschillende afbeeldingen van Mostar. Op de 2 heller kijken we op de stad vanaf de zuidzijde en over de rivier de Neretva en zien daarmee het grootste deel van de oude moslimstad, op de 20 staan we een stuk dichter bij de brug.

De Stari Most in kwestie werd in 1566 voltooid en verving een ouder houten exemplaar. Vers op het netvlies van velen staan de beelden uit de herfst van 1993 toen de brug verwoest werd door…, ja door wie eigenlijk? De moslims (Bosniakken) gaven de Kroaten de schuld en andersom. De waarheid ligt ergens in het midden en dan iets aan de Kroatische kant volgens de laatste berichten. In 2001 startte de herbouw, in 2004 werd de brug feestelijk heropend en in 2005 volgde inschrijving op de Werelderfgoedlijst als nummer 946. Mostar is nu weer het vredige toeristenstadje van weleer al heerst er nog steeds een psychologische scheiding tussen de katholieke Kroaten en de islamitische Bosniërs, die elk in hun eigen deel van de stad wonen. Het jaarlijkse brugspringen, een heldhaftige toer die je vanaf 20 meter hoog in de koude Neretva brengt is in ieder geval weer in ere hersteld en is nog altijd het grootste evenement in Mostar.

 

Het jaar 1900 telde totaal 16 zegels. Nieuwe landen of onderwerpen zaten er niet bij.

De Mexicaanse zegel met de kathedraal van Mexico-Stad kwam er met met de andere zegels van de serie van 1899 met overdruk OFICIAL en werd zodoende als dienstzegel gebruikt. De opdrukken werden tot 1910 met een handstempel aangebracht en zijn vaak slecht leesbaar. Pas in 1910 werden boekdrukoverdrukken toegepast.

Kaap de Goede Hoop kwam met een nieuw ontwerp Tafelberg, deze keer zonder de Hoop, maar wel met het wapen van de kolonie die diep in de Tweede Boerenoorlog verwikkeld was. Wel een aardig ontwerpje, met een stoomschip in de Tafelbaai.

In de Dominicaanse Republiek verschenen een tweetal Columbuszegels uit de serie 1899 opnieuw, maar dan in zeer kleine waardes van 1/4 en 1/2 centavo. Het betreft de zegel met de graftombe in de kathedraal en die met de bijeenkomst in Salamanca.

Griekenland hield opruiming met een serie waardeopdrukken. De meeste kwamen op de bekende Hermeskopjes, maar ook de Olympische serie van 1896 werd geraakt. De 1 Drachme kreeg een waarde van 5 Lepta mee en de 10 Drachme werd uitverkocht voor 2 Drachme. Net als de originele zegels moeilijk te vinden en duur.

Brazilië bracht een nieuwe zegel van 50 Reis in de kleur groen uit. Net als de originele zegels staan de zegelbeelden zeer dicht bij elkaar, zoals goed op de foto te zien is. Je ziet dus altijd wel een stukje van het volgende zegel.

Ook in Soedan verscheen een dienstzegel. De eerste zegels hebben een doorsteek van de letters SG. In 1900 was dat in een van de Piramidezegels die in 1897 met opdruk verschenen waren. Vanaf 1902 werden opdrukken OSGS toegepast, maar uitsluitend op de zegels met de kameelruiter.

Nieuw-Zeeland bracht enkele van de ‘First Pictorials’ uit in gewijzigde kleuren. Daaronder waren de 1/2 penny met Mt. Cook, nu in groen en de 2 pence met Pembroke Peak in lila. De zegels hadden een grove tanding, net als de uitgifte 1899 en een watermerk NZ ster met dubbele lijnen (dit werd in 1901 vervangen door enkele lijnen. Ik meende de twee zegels al te hebben, maar inmiddels ben ik er weer naar op zoek, want ik had de verkeerde. Geen plaatjes dus voorlopig…

De rest van het nieuws kwam uit de Tweede Boerenoorlog. Op 23 maart kwamen de eerste bezettingszegels uit Mafeking, het huidige Mahikeng aan de grens met Botswana. De belegering van Mafeking door de Boeren was in oktober 1899 begonnen en duurde zo’n zeven maanden, voordat de Britten onder commando van een zekere kolonel Robert Baden-Powell (jazeker, degene die in 1907 de scouting oprichtte), het stadje ontzette. Dit was een keerpunt in de oorlog, waarin tot dan toe de Boeren het voor het zeggen hadden. De zegels, de eerder besproken 1/2 en 1 penny van de Tafelberg met daarvoor de Hoop, werden, naast andere zegels van Kaap de Goede Hoop en ook van Brits Betshuanaland (nu Botswana), overdrukt met de tekst MAFEKING BESIEGED en een nieuwe waarde van respectievelijk 1 penny en 3 pence. Prijzig en slecht te vinden. Overigens kwamen er in Mafeking in april twee provisorische zegels uit met ieder een ‘first’, een 1 penny met een koerier op een rijwiel en de 3 met het portret van Baden-Powell. Dit waren dus de eerste fiets en de eerste levende militair ooit op een postzegel. Baden Powell zou na zijn dood, als zijnde oprichter van de scouting, nog honderden keren geportretteerd worden

Een andere bezettingsuitgave op dezelfde twee zegels verscheen in augustus. Deze kwamen uit Schweizer Reneke, een klein plaatsje in het toenmalige Transvaal, 50 kilometer van het vorige keer besproken Vryburg. Het was in 1888 gesticht door een zekere Schweizer en een zekere Reyneke wat de naam verklaart. Vanaf 19 augustus begon de Boerse belegering en de inwoners wisten het hoe dan ook tot in januari 1901 vol te houden. Het is maar een klein verhaal, want de Britten waren nog vol van de ontzetting van Mafeking, en ook de vorderingen in Kimberley en Ladysmith werden op de voet gevolgd. Maar toch postzegels met een eenvoudige verticale handstempel BESIEGED op de twee zegels van de Kaap en een viertal van Transvaal zelf. Nog onbetaalbaarder dan die van Mafeking.

Dat geldt niet voor wederom dezelfde zegels, maar nu met opdruk ORANGE RIVER COLONY. Deze verschenen vanaf augustus in de inmiddels gepacificeerde Oranjevrijstaat. Naast deze twee was er ook een 2 1/2 pence, uit de andere bekende Kaapse serie ‘Zittende Hoop’.

 

Het jaar 1896 bracht ook niet veel zegels op. Het zijn er slechts 9 in drie uitgiftes.

De eerste serie kwam op 6 april uit in Griekenland, want op die dag, volgens de Gregoriaanse kalender – Griekenland hanteerde nog de Juliaanse waar het 25 maart was – begonnen de allereerste moderne Olympische Spelen. Het evenement, dat tot 15 april zou duren, werd gevierd met een serie van 12 zegels, in waardes lopend van 1 lepton tot wel 10 drachmen, een enorm bedrag voor een postzegel in het toenmalige Griekenland. Leuk hebbedingetje dus voor de bezoekers van het evenement. De zegels werden ontworpen door een zekere Émile Gilleron (1850-1924) en gegraveerd door …. zie later in het verhaal.

De laagste waardes van 1 en 2 lepta laten twee klassieke vuistvechters zien. Het vuistvechten, noch het moderne boksen, maakte deel uit van de Spelen. Op de 5 en 10 lepta de Discobool van Myron, naar het verloren gegane beeld dat ca 450 voor Christus gegoten werd door Myron van Eleutherae. Het atletieknummer discuswerpen stond wel op het programma, Amerikaan Bob Garrett (1875-1961) troefde twee Grieken af en won daarnaast ook het kogelstoten. Op de 20 en 40 lepta vinden we een klassieke amphora, op de 25 en 60 een vierspan, aangevoerd door de Zegegodin.

De drachmewaarden tonen voor het eerst de Acropolis, met aan de voet ervan het Panatheense Stadion, waar de meeste sportevenementen plaatsvonden. Het wordt ook wel het Averoff-stadion genoemd naar de Griekse magnaat George Averoff (1815-1899), die een flink deel van de fondsen binnenbracht voor het evenement.

Op de 2 Drachme zien we het beeld van Hermes met de kleine Dionysos, gemaakt door de beeldhouwer Praxiteles. Het beeld was in 1877 bij een opgraving teruggevonden. De 5 drachme toont de zegegodin Nikè, gebeeldhouwd door Paionios.

Op de hoogste waarde van 10 drachme krijgen we een kijkje van dichtbij op de Acropolis. Deze zegel vertegenwoordigt een hoge cataloguswaarde, dus zal vermoedelijk wel niet in de collectie terecht komen, al kan het soms meezitten. De 1 drachme is wel bereikbaar en die zal ik denk ik nog wel eens op de kop kunnen tikken. Over de Acropolis ga ik het later hebben.

De tweede uitgifte betrof een lokale uit het Chinese Nanjing. Op de zegels die vanaf 20 september verschenen zien we diverse afbeeldingen uit de stad en op de nabijgelegen heilige berg Zhongshan (in het Nederlands Purperberg), waar de oude keizergraven uit de Ming-dynastie op liggen. In 2000 werden deze, samen met andere keizersgraven rondom Beijing en in Mantsjoerije, als werelderfgoed aangewezen. Op een vijftal zegels zien we de bewakers van het graf van keizer Hongwu (1328-1398), de eerste Ming-keizer. Het zijn twee stenen mannetjes op de 1/2 cent (in drie verschillende kleuren) en twee olifanten op de 2 cent (in twee verschillende kleuren).

Uitgifte van 15 oktober

De laatste uitgifte met werelderfgoed van het jaar kwam van onze zuiderburen. Op 15 oktober kwamen er twee zegels uit ter gelegenheid van de in 1897 te organiseren Wereldtentoonstelling in het Brusselse Jubelpark. Een maand later kwam de 10 centimes in een gewijzigde kleur uit en in een wat scherpere en meer herkenbare tekening. De 5 centimes werd door de toentertijd bekende kunstenaar Gérard Portielje (1856-1929) ontworpen, de 10 door de nog jonge kunstschilder Alfred Van Neste (1874-1969), al even weinig bekend meer.  Beide zegels werden in plaat gezet door de Franse graveur Louis-Eugène Mouchon (1843-1914), die al vanaf 1876 actief was, eerst met het type Sage, maar daarna breidde hij zijn werkzaamheden uit naar Luxemburg, België, Monaco, Griekenland (inderdaad, de hierboven genoemde zegels!), Portugal en ten slotte ook Nederland waar hij in 1899 betrokken was bij de Bontkraag-serie van koningin Wilhelmina.

Uitgifte van 15 november

Op de 5 centimes zien we Sint Michaël, de patroonheilige van Brussel, als overwinnaar op de duivel die in de gedaante van een draak voor hem op de grond ligt. De 10 centimes heeft een iets ander ontwerp. Nu is Michaël in gevecht met de duivel als duivel, maar het decor wordt gevormd door twee bekende gebouwen in Brussel. Rechts zien we het Justitiepaleis, dat in 1883 voltooid werd, het is te vinden aan het Poelaertplein dat zo genoemd is naar de hoofdarchitect van het gebouw.

Aan de linkerkant vinden we het stadhuis aan de Grote Markt en dat is daar, samen met het ertegenover gelegen Broodhuis, een van de blikvangers en ook de oudste bouwwerken aan dit stadsplein. Vrijwel alle huizen zijn in het begin van de 18’de eeuw gebouwd nadat de legers van de Franse koning Lodewijk XIV in 1695 een groot deel van de stad gebrandschat had.

Wat nu het stadhuis is werd rond 1450 gebouwd als bestuurszetel van het hertogdom Brabant, waar inmiddels de Bourgondische hertog Filips de Goede de scepter over zwaaide. De oudste zoon van Filips, de toekomstige Karel de Stoute, mocht in 1444 de eerste steen leggen en daarna kon stadsbouwmeester Willem de Voghel ermee aan de slag, terwijl Jan van Ruisbroeck verantwoordelijk werd voor de 96 meter hoge toren. Na de brand van 1695 werd de restauratie uitgevoerd onder Cornelis van Nerven (1660-1715) en toen werden er gelijk een paar vleugels aangebouwd. In 1795 ging het stadhuis over op de gemeente Brussel en nam het de rol van het Broodhuis als stadhuis over. Vanaf 1841 werd een omvangrijke restauratie uitgevoerd door Tieleman Suys (1783-1861) en Victor Jamaer (1825-1902). Suys had als hofarchitect van koning Willem I al diverse bouwprojecten in noordelijk Nederland voltooid zoals de Amsterdamse Mozes-en-Aäronkerk. Met deze restauratie werden de vele beelden van beroemde Belgen toegevoegd in de gevels.