1 januari 1868 – Alles sal reg kom…

President Jan Brand van Oranjevrijstaat

Een gevleugelde uitspraak van een van de invloedrijkste politici in Zuid-Afrika in de tweede helft van de 19e eeuw. Voor de volledigheid, de persoon in kwestie zei: “Alles sal reg kom as ons almal ons plig doen.”  Alles komt goed als we allemaal maar ons best doen.

Nee het was niet Paul Kruger die het zei, maar – één generatie eerder – de president van Oranjevrijstaat, Johannes Henricus Brand, roepnaam Jan. In 1863 werd hij verkozen als vierde president van het land dat zich in 1854 los had gemaakt van de Britse overheersing van de Kaapkolonie. Hij zou tot zijn dood in 1888 aan de macht blijven.

Al vanaf het einde van de 17e eeuw waren er boeren die rond Kaapstad gevestigd waren, die ‘verderop’ wat meer vrijheid zochten en als pioniers de binnenlanden van Zuidelijk Afrika in trokken. De VOC-verversingsplaats, in 1652 gesticht door de Culemborgse arts en koopman Jan van Riebeeck, groeide al binnen 50 jaar uit zijn voegen, dus waarom niet? Tot het einde van de 18e eeuw groeide de Kaapkolonie uit tot een gebied dat ongeveer een derde van het huidige Zuid-Afrika besloeg. Toen kwam echter de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aan zijn eind en in het kielzog daarvan ook de failliete VOC. De opvolger, de Bataafse Republiek, werd op zijn beurt in 1806 vervangen door het geheel van Frankrijk afhankelijke Koninkrijk Holland en eveneens in 1806 stelde Napoleon het Continentaal Stelsel in zijn hele rijk dus inclusief Holland. Dat betekende dat handel met Engeland verboden was en Engelse producten geboycot werden, maar in Londen zat men uiteraard niet stil en alle koloniën van de voormalige Republiek werden ingenomen. Zo verloren we de Kaapkolonie en Ceylon definitief, en kregen we Suriname en Indië na veel gesoebat na de Franse tijd weer terug.

Andries Potgieter

Het nieuwe bestuur in Kaapstad was de boeren niet erg welgezind en na verloop van jaren kwamen er steeds meer stemmen op om nieuwe, Nederlandstalige staten te stichten, ver weg van de Britse overheersing. De grote voorman van de Boeren in die tijd was Andries Hendrik Potgieter, die samen met andere ‘bekenden’ uit de na 1900 her en der gestichte Transvaalbuurten, zoals Gerrit Maritz en Piet Retief, naar het noordoosten trok om het ideaal gestalte te geven. De tocht, die de geschiedenisboeken is ingegaan als de Grote Trek, begon in 1835 en kende hoogte- en dieptepunten. Veel van de Boeren, die zich Voortrekkers gingen noemen, kwamen door ziektes en vijandelijkheden van de inheemse bevolking om, maar Potgieter slaagde in zijn opzet en in 1836 stichtte hij de nederzetting Winburg, in het noorden van de Oranjevrijstaat. Later trok hij de Vaalrivier over en stichtte de republiek Potchefstroom, waar hij de eerste president werd. Piet Retief trok over de Drakensbergen en wist in het huidige Natal een schijnbaar gunstige overeenkomst met koning Dingaan van Zoeloeland te sluiten, maar het wantrouwen van de Zoeloekoning was daarmee niet weg en Retief en zijn kameraden werden omgebracht tijdens de viering van het gehoopte verdrag.

In 1840 hadden de Voortrekkers zich dus gevestigd in de Zuidafrikaansche Republiek (in de wandeling Transvaal genoemd) en Oranjevrijstaat. In de naar Andries Pretorius vernoemde stad Pretoria werd ter herinnering aan de Grote Trek in 1949 het enorme Voortrekker Monument onthuld.

Wapen en vlag van Oranjevrijstaat

Oranjevrijstaat was niet vanaf het begin onafhankelijk: in 1848 werd het zelfs onder Brits bestuur gesteld als de Orange River Sovereignty, met als hoofdplaats het net gestichte Bloemfontein, maar in 1854 werd het alsnog als een autonome republiek erkend. Dat betekende dat er dingen als een wapen en een vlag moesten komen. De vlag was in alles een verwijzing naar de Nederlandse roots: zeven afwisselend wit en oranje banen met in de linkerbovenhoek ons eigen rood-wit-blauw. Een wapen werd zelfs in Nederland ‘besteld’ en de eerste versie werd gemaakt door niemand minder dan koning Willem III: de drie jachthoorns die in het wapen voorkomen zijn nog overgebleven van zijn ontwerp, dat verder drastisch veranderd is.

Centraal in het wapen staat de boom op een eilandje, samen met drie schaapjes en een oranje leeuw. De boom is een vrijheidsboom, maar in alternatieve versies aangekleed als oranjeboom, met vruchten. Verder zien we een Voortrekkerskar, waarmee de Boeren hun hebben en houwen over de vlakten trokken.

De aangeklede versie van de boom stond, samen met de jachthoorns, ook centraal op de eerste – en uiteindelijk alle – postzegels van Oranjevrijstaat. Ze werden gemaakt door De La Rue in Londen, die ook de eerdere zegels van de Kaap produceerde. Dat de zegels zo’n lange staat van dienst hadden was zeker een verdienste van Jan Brand, die in de Eerste Boerenoorlog in 1880 zijn land wijselijk neutraal hield en een voor Transvaal gunstige vrede uit het vuur wist te slepen. Zodoende kwamen er geen Engels-georiënteerde ontwerpen op de markt.

Oranjevrijstaat Mi 1 en 17 uit 1868 resp 1894

Na de dood van Brand kwam Oranjevrijstaat meer onder invloed van Transvaal te staan en gingen er stemmen op om de republieken samen te voegen tot een geheel. Dat gebeurde niet, maar een eerdere gebeurtenis, in 1885, legde wel de kiem voor een nieuwe oorlog: de vondst van goud aan de Witwatersrand  – de Zuid-Afrikaanse munteenheid Rand dankt er zijn naam aan – en de daarmee gepaard gaande migratiestromen. In 1899 brak de Tweede Boerenoorlog uit omdat de Engelstalige goudzoekers, gesteund vanuit Kaapstad, meer rechten wilden. Ditmaal moesten Oranjevrijstaat en Transvaal hun meerdere erkennen in de Britse suprematie. In 1910 gingen de voormalige republieken op in de Unie van Zuid-Afrika met als bestuurlijke hoofdstad Pretoria.

De laatste Zegelgek van 2017 gaat terug naar Bolivia.