Ondanks dat het een oorlogsjaar was bleef er in 1917 nog wel wat te beleven. Totaal waren er 50 zegels, waarvan 28 in de collectie. Het verhaal wordt dus weer opgesplitst.

Griekenland

537

Net zoals Franse en Britse koloniën gaf ook Griekenland zegels uit om de oorlog op een of andere manier te financieren. Er werden drie zegels van de Extrateia-serie overdrukt met ΚΠ en een waarde van 5 lepta.

Haiti

Haïti kwam weer met een grote reeks waarde-opdrukken van 1 centime. De zegels van 4 centimes met de slotruïne van Sans-Souci in de kleuren karmijn of olijfgroen werden allebei overdrukt.

Colombia

Colombia kwam met een nieuwe serie frankeerzegels, grotendeels bestaande uit Zuid-Amerikaanse beroemdheden. Alleen de 20 centavos was gewijd aan het monument voor de slag bij Boyaca in 1819 en de 50 laat de stad Cartagena zien. Alleen in deze laatste ben ik geïnteresseerd, maar deze is nog niet langs gekomen.

Mexico

Hier werd alleen een heruitgifte van de serie van 1915 gedaan. De 5 pesos met het hoofdpostkantoor van Mexico-Stad kwam nu in een groen kader in plaats van rood uit.

Hongarije

542-549

Na een groot aantal portretten van Franz-Joseph en de mythische vogel Turul kwamen de Hongaren met een nieuw onderwerp voor de iets hogere waardes van 50 fillèr tot 10 korona, namelijk het nieuwe parlementsgebouw aan de Donau in Boedapest. Het was in 1904 na bijna 20 jaar bouwen gereedgekomen en was bijna gelijk al een monument vanwege de omvang en de rijke versiering van ex- en interieur. Het is met afstand het meesterwerk van Imre Steindl (1839-1902) en werd samen met het alle bebouwing aan de Donau in 1987 op de Werelderfgoedlijst gezet als nummer 400. Ik ben 4 maal in Boedapest geweest, hieronder een foto van ons bezoek in 2008.

Parlementsgebouw gezien vanuit het Vissersbastion (eigen foto 21-07-2008)

25 maart – Turkije

Ook in 1917 was het merendeel van de uitgiftes weer oude zegels met een opdruk. In dit jaar was dit een soort van ossenkop met een ster erboven. Ook nu weer waren de Edirnezegels gekozen, behalve de 20 paras dit keer, alsook de vier portopdrukken.

Een paar weken eerder was er wel de eerste zegel van een nieuwe frankeerserie verschenen, waarvan de zegels om hun herkomst de Weense drukken heten. De serie bevatte de volgende waardes en onderwerpen:

  • 2 para’s (21-10-1918) – Turkse artilleriesoldaten in een gevechtsscene
  • 5 para’s (7-9-1918) – De moskee van Orta Koy bij Istanboel
  • 10 para’s (2-4-1918) – Vuurtoren aan de Bosporus
  • 20 para’s (11-10-1917) – Monument voor de martelaren van de vrijheid
  • 1 piaster (5-6-1917) – Kaart van de Dardanellen en portret van sultan Mehmed V
  • 50 para’s (11-10-1917) – Kaart van de Dardanellen

550

Op de 2 piaster van 6 maart 1917 is Istanboel te zien vanaf de Gouden Hoorn, een brede rivierarm van de Bosporus aan de noordzijde van de oude stad. Aan de linkerkant zijn wat torentjes te zien van de  beroemde moskeeën.

551

Op de 5 piaster, uitgegeven 2 oktober 1917 iets wat nog net onderdeel was van het Ottomaanse Rijk, dat zoals bekend in zijn nadagen verkeerde: namelijk de piramides van Egypte.

13 mei – Hedjaz

In Hedjaz kwamen de zegels van 1916 nog een keer uit, maar nu getand.

Juli – Réunion

560

Een simpele waarde-opdruk van 0,01 op 4 centimes dit jaar

14 juli – Bulgarije

536

Bulgarije vierde de verovering van Macedonië met meerdere zegels, gewijd aan landschappen uit wat nu Noord-Macedonië heet. In de Eerste Wereldoorlog wist Bulgarije het tot dan toe onder het Ottomaanse Rijk horende deel van het latere Joegoslavië met behulp van de Centrale mogendheden (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije) te veroveren. Het sprookje zou niet erg lang duren, want bij het einde van de oorlog hadden de geallieerden het alweer heroverd.

De meest aansprekende plaats van Macedonië is Ohrid aan het gelijknamige meer op de grens met Albanië. Het meer kwam in 1979 op de Werelderfgoedlijst met nummer 99, een jaar later ook de naaste omgeving met het historische stadje. Ohrid ontstond bij de oude Griekse nederzetting Lychnidos, die al zo’n 700 jaar voor Christus bewoond was. Nadat de Romeinen Macedonië hadden verlaten was het een flinke stad met een eigen bisschopszetel, maar in 526 sloeg het noodlot toe, Lychnidos werd verwoest door een zware aardbeving. Op de restanten van de stad ontstond een nieuwe nederzetting die in 880 Ohrid bleek te heten. Op dat moment maakte het deel uit van het (eerste) Bulgaarse Rijk, dat in die dagen een groot deel van de Balkan besloeg. In 1018 werden de Bulgaren verslagen en Ohrid werd onderdeel van het Byzantijnse Rijk. 3 eeuwen later volgde verovering door de Ottomanen. Bulgaren wonen er nog steeds.

561

Na 1918 lag Ohrid in Joegoslavië en in de jaren 60 werd de toeristische potentie ontdekt wat Ohrid evenals Dubrovnik en Split tot een grote trekpleister maakte. De oude stad is gelukkig niet te zeer aangetast en met name de kerken zijn de moeite van het bezoeken waard. De 13’de-eeuwse Sint Johannes van Kaneo-kerk ligt hoog boven de stad met uitzicht op het Ohridmeer en is het bekendste punt, wat ook goed te zien is op de postzegels.

De 50 stotinki verscheen op 14 juli. de 5 waarschijnlijk eerder. Wat de eerste betreft een grote verandering vanwege de landsnaam Tzjarstvo Bulgaria, waarmee men maar wilde aangeven dat het oude Bulgaarse tsarenrijk weer terug van weggeweest was. De Bulgaarse koningen zouden tot het einde van het koninkrijk in 1946 de titel tsaar dragen.

1916 was een niet al te ingewikkeld jaar met slechts 24 nieuwe zegels, waarvan er 6 in de collectie zitten. Weer veel opdrukken, maar ook een enkel nieuw onderwerp.

Zwitserland

512

In Zwitserland begon het met het opdrukkencircus van het jaar: de portzegel van 3 rappen uit 1910 werd grondig overdrukt met een rode stralenkrans en daaroverheen een zwarte 5 zodat die 3 écht níet meer te zien is.

Februari – Bolivia

515

Bolivia kwam met een serie van 5 nieuwe langlopende frankeerzegels in kleinere waardes. Op de 1/2 centavo vinden we een nieuw onderwerp: een monoliet uit oude hoofdstad van het Tiwanaku-rijk, dat een belangrijke voorloper was van het Incarijk, dat in de 13’de eeuw ontstond. Tiwanaku bestond naar de nieuwste inzichten vanaf ongeveer 100 tot 1000, hoewel vroegere historici het aanzienlijk ouder ingeschat hebben. Van vóór onze jaartelling zijn er echter geen sporen aangetroffen, wat het zeer onwaarschijnlijk maakt dat Tiwanaku toen al bestond,of tenminste belangrijk was. Centraal in de hoofdstad, waar op het hoogtepunt mogelijk 70.000 mensen gewoond hebben, ligt de Kalasasaya, een vierkant tempelplein, waar de monolieten zoals op de postzegel te zien zijn. In de wanden vind je allerlei kopjes van soms voor Boliviaanse begrippen exotische figuren, waarmee de gids, die mij er in 1998 rondleidde, wilde zeggen dat de oude bewoners al lang wisten dat er meer was dan de lokale wereld om hen heen, iets waar tot op de dag van vandaag over gespeculeerd wordt.

Ook bijzonder is de Zonnepoort, waar rond 24 juni het traditionele nieuwjaarsfeest van de Aymara gevierd wordt. De Aymara zijn een oude etnische groep, die voor ongeveer 20% deel uitmaakt van de Boliviaanse bevolking. Op de Zonnepoort kom ik later terug.

516

De 1 centavo laat een bekende zien, maar nu voor echt, want tot 1917 zien we de Cerro Rico alleen nog als onderdeel van het wapenschild.

De overblijvende waardes zijn de

  • 2 centavos: het Titicacameer, een door de Inca’s heilig genoemd meer in het grensgebied van Bolivia en Peru.
  • 5 centavos: de Illimani, een uitgedoofde vulkaan van 6438 meter, die vanuit La Paz goed te zien is.
  • 10 centavos: het regeringsgebouw in La Paz, de politieke en administratieve hoofdstad van Bolivia. Het land kent twee hoofdsteden: Sucre is de wettelijke hoofdstad van het land. Dit is ongeveer vergelijkbaar met Nederland, al zal niemand Den Haag hoofdstad noemen…

15 februari – Tunesië

Ook Tunesië ontkwam er als Franse kolonie niet aan om toeslagopdrukken voor het Rode Kruis te drukken. Het betrof de 5 centimes met de Grote Moskee van Kairoun uit 1906. Opmerkelijk is dat de zegelwaarde onder twee dikke rode opdrukstrepen verdwenen is. De zegel heeft dus officieel geen frankeerwaarde, maar werd wel voor 5 centimes verkocht.

Op 7 augustus verschenen de waarden vanaf 15 centimes van dezelfde serie met soortgelijke opdrukken, maar hier betrof het wel een echte toeslagwaarde, in dit geval van 10 centimes. De franc-waardes met de Carthaagse galei ontkwamen er ook niet aan, maar met name de 2 en de 5 francs zijn voor de grotere portemonnee.

20 maart – Mexico

Het opdrukken van Mexicaanse zegels ging ook gewoon door: nu betrof het de tekst G.P. DE M. (Gobierno Provisional de Mexico) in een langwerpig rozet. De Granadistas-zegel van 1910 hoorde er ook bij, net als een al eerder overdrukt exemplaar uit 1914. Ook een tweetal als dienstzegels eerder overdrukte zegels werden nog eens onderhanden genomen. Prijzig spul…

April – Réunion

520

In 1915 had Réunion al twee toeslagzegels voor het Rode Kruis uitgegeven, maar kennelijk bevielen de opdrukken niet of was de voorraad gauw uitgeput. In ieder geval was dit de derde en laatste versie

20 augustus – Hedjaz

534

Voor Saoedi-Arabië gestalte kreeg in 1932 waren er twee voorgangers. Het eerste was het koninkrijk Hedjaz, dat bestond tussen 1916 en 1925. In de volgende periode was dit veroverd door het sultanaat Nedjd (dat nimmer postzegels uitgaf) en ging het verder als het koninkrijk Nedjd en Hedjaz onder leiding van koning Ibn Saoed (1875-1953). Na nog wat veroveringen kreeg het land zijn huidige vorm en werd omgedopt tot Saoed-Arabië.

Hedjaz gaf 111 postzegels uit vanaf het begin in 1916, meestal ornamenten in de stijl zoals hierboven te zien en ontleend aan moskeeën in de Arabische wereld. De getoonde zegel toont ornamenten van de toegang van de El-Salih-Talay-moskee in het historische centrum van Cairo. Een andere zegel laat een ornament zien van een koran uit een andere moskee, die van Sultan Barquq, ook in Cairo.

Op 23 december kwamen dezelfde zegels nog een keer uit, maar dan in doorsteek, zoals afgebeeld. De eerste zegels waren getand.

16 september – Turkije

527

Turkije was in de Eerste Wereldoorlog kampioen opdrukken. In 1916 werd een groot deel van de voorgaande uitgiften sinds 1892 overdrukt. Ook de Edirne-zegels (én de port-opdrukken) ontkwamen niet aan de opdruk van een liggende maansikkel met het Arabische jaartal 1332 en een ster. Overigens was het al 1334 volgens de lopende kalender.

1 september – Dominica

Zoals de Franse gebieden allemaal één of meerdere opdrukken voor het Rode Kruis hadden, kregen vele lopende zegels van de Britse koloniën een opdruk ‘WAR TAX’ om de oorlogsinspanningen van het moederrijk te financieren. De zegel van Dominica van 1916 heb ik niet maar een latere uitgifte uit 1918 wel.

1917 gaat weer in twee delen, maar daarover later deze maand meer.

1915 kende een toename van 62 zegels in 21 verschillende uitgiften en daarbij enkele nieuwe onderwerpen. Omdat ik maar 6 zegels in de collectie heb zal het merendeel van onderstaande en in het tweede deel in vogelvlucht behandeld worden.

Egypte

Dienstzegel uit 1915

Met een nieuw uitgegeven frankeerserie was het natuurlijk te verwachten dat er ook snel opdrukken zouden verschijnen, zodat er ook weer een voorraadje dienstzegels zou zijn. Drie lage waardes werden overdrukt. In oktober volgden nog eens drie zegels, waarvan er twee nog op de oude pyramidezegels.

Panama en de Kanaalzone

Panama bracht in totaal 10 frankeerzegels en 4 portzegels uit. Dit recent ontstane land, een voormalige provincie van Colombia, maar onder druk van de Amerikanen onafhankelijk geworden zodat zij de vrije hand hadden in de aanleg van het Panamakanaal, had tot dan toe vrijwel alleen landkaartjes van de Istmus (de smalle landstrook die Zuid- en Midden-Amerika verbindt) uitgegeven. Een portzegel met daarop een deel van de koloniale verdedigingswerken aan de Caribische kant van het land was de eerste zegel met werelderfgoed. Op 1 maart volgde een serie frankeerzegels ter gelegenheid van de Panama-tentoonstelling, die gehouden werd in verband met de opening van datzelfde Panamakanaal een jaar eerder. Hierop zien we ook landschappen en stadsbeelden van Panama met daarbij de kerkruïne van Panamá Viejo en de losstaande gevel van het Santo Domingo-klooster in het huidige stadshart.

De portzegel werd ten behoeve van de Canal Zone in maart van een zwarte en in november van een rode opdruk voorzien. De laatste kreeg daarbij ook de nieuwe waarde van 1 Amerikaanse cent.

Peru

Peru kwam met een serie opdrukzegels in kleine waardes van 1 en 2 centavos. Ook de 50 centavos uit 1910 met het postkantoor in Lima moest eraan geloven en kreeg een waarde van 2 centavos. Wel een vrolijk lettertype overigens, ik hoop de zegel ooit eens te laten zien.

Januari – Samos

In januari kwamen de laatste postzegels van Samos uit. Ook dit waren opdrukken om aan te geven dat het eiland nu echt wel bij Griekenland ingelijfd zou worden.

23 januari – Réunion

Ook opdrukken op dit Franse eiland. Deze waren bedoeld om in oorlogstijd het Rode Kruis te ondersteunen, horen tot de eerste in dat soort en werden in alle Franse koloniën toegepast. De eilandzegel van 10 centimes uit 1907 kreeg een zwarte opdruk van een kruis (tevens het +-teken) en de toeslagwaarde van 5 centimes. Op 5 februari werd de opdrukkleur veranderd in het meer toepasselijke rood.

Februari – Mexico

In Mexico bleef de revolutie voortduren. In februari was er een nieuwe versie van de GCM-opdruk op onder andere de Granaditas-zegel van 1911, maar in november werd het opdrukkencircus onderbroken door een drietal zegels met nationale symbolen waarmee een nieuwe zegel van 5 pesos geïntroduceerd werd, nu met het hoofdpostkantoor in het centrum van Mexico-Stad. De zegel zelf verscheen pas op 1 januari 1917.

April – Iran

Darius’ paleis in Persepolis

In Iran, toen nog officieel Perzië geheten, was er toch nog een soort van feestelijk moment voordat de ellende van alledag weer voortging. Perzië was dan weliswaar neutraal in de Eerste Wereldoorlog, dat wil niet zeggen dat er geen oorlog woedde. In het noordwesten, aan de grens met Azerbaidzian en in Iraans Azerbaidzian, werd gevochten om land en grondstoffen tussen de gecombineerde legers van Rusland en Brits-Indië, van Turken en Duitsers en van Perzië zelf. Het had een enorme genocide tot resultaat: 2 miljoen burgers kwamen om als gevolg van het geweld en de later uitbrekende hongersnood en het is dan ook terecht een inktzwarte bladzijde in de Iraanse geschiedenis.

Op 24 april werd de 16-jarige Ahmad Qajar tot sjah gekroond. Hij was na de afzetting van zijn vader in 1909 al tot leider van het land verklaard, maar nog te jong om de kroningsceremonie te ondergaan. Hij was een zwakke leider en omdat het met Perzië steeds verder achteruit ging door de voortdurende oorlogsinspanningen, werd hij op zijn beurt in 1921 officieus en in 1925 formeel ook weer afgezet. In 1930 stierf hij in zijn verbanningsoord Parijs en ligt begraven bij zijn familie in het huidige Irak.

De zegels in een serie van 17 hebben drie onderwerpen: de laagste 9 waardes hebben de keizerskroon als onderwerp en de volgende 4 een reliëf uit Persepolis, voorstellende Artaxerxes I op zijn troon. Artaxerxes was een zoon van Xerxes I en de zesde koning van Perzië uit de Achaemeniden-dynastie die tussen ongeveer 550 en 336 v.Chr. over het rijk regeerde. Ook vormden ze de 27’ste dynastie van farao’s in Egypte. Uiteindelijk bracht Alexander de Grote de Achaemeniden op de knieën.

De vier hoogste waardes, waarvan hierboven een voorbeeld, tonen het paleis van Darius I in Persepolis, dat in 1979 als nummer 114 werd ingeschreven op de lijst. Daarmee was het samen met twee andere sites de eerste van 24 die tegenwoordig ingeschreven zijn.

Persepolis werd in 518 v.Chr. gesticht door Darius I (550-487), die het Achaemenidenrijk, waarvan hij de derde koning was, tot zijn grootste omvang bracht. Persepolis was niet, zoals de vertaling uit het Grieks doet vermoeden, een stad, maar meer een verzameling paleizen in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde grotere huidige stad, Shiraz, ligt op 70 kilometer. Het diende dan ook slechts als een soort ceremoniële hoofdstad van Perzië, die alleen bij festiviteiten bezocht en bewoond werd. Een voorbeeld is Nowruz, het traditionele nieuwjaar volgens de Perzische tijdrekening. Van het complex zijn uiteraard alleen nog ruïnes over die nationaal en internationaal tot de grootste trekpleisters van Iran horen. Ook in Streetview is het te bezoeken en zeker de moeite waard.

De serie werd tegelijkertijd uitgegeven met opdrukken om te dienen als dienstzegels (‘SERVICE’ in het Frans en in Farsi) en als pakketzegels (idem met ‘COLIS POSTAUX’). In september volgden nog 15 van de 17 zegels met opdruk ‘BUSHIRE Under British Occupation’. Deze serie is zeer zeldzaam en peperduur (mits echt, wat maar zelden zo is!) en werd alleen kort gebruikt tijdens de Britse bezetting van deze havenstad aan de Perzische Golf. In oktober heroverden de Iraniërs het weer.

 

Dienstzegels Egypte 1913-14

 

Het jaar 1914 tikte voor het eerst de 50 zegels aan met onderwerpen die het Werelderfgoed betreffen. In het eerste deel behandel ik Egypte en een beetje onbereikbaar Mexico.

Rond de jaarwisseling verschenen de laatste oude piramidezegels met opdruk om als dienstzegel gebruikt te worden. Op 1 november 1913 was dat de 5 millièmes met opdruk O.H.H.S. (On His Highness’ Service) in 1914 gevolgd door de 2 en de 4 millièmes met daarnaast een Arabische vertaling van de afkorting.

Op 8 januari verscheen een nieuwe reeks frankeerzegels, voor het eerst in ruim 40 jaar met andere onderwerpen dan de piramides van Gizeh. Daarbij werden de Franse inschriften van de voorgaande zegels vervangen door Engelse.

De 10 zegels hadden dit keer 10 verschillende onderwerpen, waarvan er 6 gewijd zijn aan werelderfgoed, daarmee een behoorlijk deel van het arsenaal in Egypte afdekkend. Het gaat om de nummers 86 tot en met 89.

  • 86: de piramides in de omgeving van Memphis, met onder andere Gizeh en de oude trappenpiramide van Djoser in Saqqara.
  • 87: de monumenten van Thebe zoals de tempels van Luxor en Karnak.
  • 88: de monumenten aan de Nijl in Aswan en ten zuiden daarvan, zoals de tempel op het Nijleiland Philae en Abu Simbel nabij de grens met Soedan. Deze waren met name onderwerp van de UNESCO-actie tot behoud ervan in de eerste helft van de jaren 60 en zijn toen wereldwijd op postzegels gekomen. Dit is te vergelijken met een soortgelijke actie voor Venetië circa 1972.
  • 89: de historische binnenstad van Cairo en zijn citadel.
  • 90: de christelijke bedevaartplaats Abu Mena nabij Alexandrië. Deze werd ook in 1979 toegekend, maar kwam pas in 1997 voor het eerst op een postzegel van de Centraalafrikaanse Republiek voor en later in aan UNESCO-werelderfgoed gewijde series van de Verenigde Naties. Egypte zelf deed hier nooit iets mee.

De waardes liepen uiteen van 1 tot en met 200 millièmes. Op de kleinste waarde zien we enkele zeilschepen op de Nijl, die van 2 millièmes de afbeelding van een Cleopatrareliëf uit de tempel van Dendera. Dit ligt ten noorden van Luxor, maar is geen werelderfgoed. Op de oranje 3 staat het Ras-el-Tin-paleis in Alexandrië, dit is een van de residenties van het staatshoofd, gebouwd tussen 1834 en 1845 op een landtong in de haven.

4 en 5 milliemes: de piramides en de sfinx

De 4 millièmes is de eerste van belang en laat alle drie de piramides van Gizeh zien. Tot nu toe werd allen die van Chefren getoond. Op de 5 zien we van deze piramide nog maar een klein stukje, want de rest van het zegelbeeld wordt ingeruimd door een frontale afbeelding van de Sfinx.

10 milliemes: De Kolossen van Memnon

Met de 10 millièmes gaan we naar het oude Thebe, waar zoals gezegd zich de tempelcomplexen van Luxor en Karnak bevinden. Deze staan op de oostelijke oever van de Nijl, terwijl de eveneens zeer bezienswaardige tomben van de farao’s aan de andere kant liggen in de zogenaamde Vallei van de Koningen met centraal daarin de Tempel van Hatsjepsoet.

Onderweg tussen de twee kom je bovenstaande reusachtige beelden tegen. Het zijn de Kolossen van Memnon, twee 18 meter hoge beelden die ooit deel uitmaakten van de Dodentempel van Amenhotep III. Deze farao uit de 18de dynastie leefde tussen geschat 1388 en 1351 voor Christus en na zijn dood werd een tempel opgericht. De uitgekozen plek was niet goed gekozen, al binnen een eeuw had de wispelturige Nijl al een groot deel van het bouwwerk verwoest en navolgende bouwmeesters gebruikten dat wat ze konden redden voor de tempels van latere farao’s. Het enige wat restte waren de beelden, van wie niemand weet wie ze eigenlijk voorstellen. Men dacht dat de Ethiopische koning Memnon er iets mee te maken had, maar dat is nooit aangetoond.

In de Romeinse tijd was een van de beelden beroemd vanwege een fluittoon die het produceerde. Dit was ontstaan na een aardbeving en had vermoedelijk te maken met de overgang tussen de koudere nacht en de hete dag. Na een restauratie door keizer Septimius Severus in het jaar 200 hield het fluiten op.

20 milliemes: tempel van Chonsoe, Karnak

Op de 20 millièmes gaan we weer terug naar de overkant en Karnak, tegenwoordig een stadsdeel van Luxor. Hier staan verschillende tempels en de postzegel toont in dit geval de toegangspoort van de tempel van Chonsoe, gebouwd door de laatste ‘grote’ farao Ramses III in de 12’de eeuw v.Chr. en gewijd aan het maankind Chons uit de Egyptische mythologie, zoon van Amon en Mut, aan wie ook tempels gewijd zijn (Amon figureerde in de James Bondfilm The spy who loved me uit 1977). De toegangspoort die we hier zien is overigens pas gebouwd in de tijd van Ptolemaeus III, die ruim 9 eeuwen later regeerde.

50 milliemes: citadel van Cairo

Voor de 50 millièmes gaan we naar Cairo. Helaas niet de mooiste zegel, maar we krijgen wel een mooi beeld van de hooggelegen vesting met daarop de Mohammed Ali-moskee. De citadel werd tussen 1176 en 1183 aangelegd onder het bewind van sultan Salah-ad-Din, die we beter kennen als Saladin, die in 1187 met succes de kruisvaardersstaten te lijf ging, wat een keerpunt was in het streven om het christendom weer de belangrijkste religie van het oostelijk Middellandse Zeegebied te maken.

Een van de uitvalsbases van Saladin was Cairo, een toen nog vrij jonge en onbetekenende stad, maar een uitloper van de Mokattam-berg was uitermate geschikt om de verdediging van het omliggende land op te organiseren. Vervolgens was dit de belangrijkste residentie van iedere leider van Egypte tot het einde van de 19’de eeuw.

De moskee die prominent in beeld is, is de Mohammed Ali-moskee, tussen 1830 en 1848 gebouwd in opdracht van wali Muhammad Ali, onder wie Egypte voor het eerst als een autonome staat binnen het Ottomaanse Rijk geregeerd werd. Voor de bouw liet hij overigens een flink deel van de oude nog veelal middeleeuwse stadswijk afbreken. Voor de bouwstijl keek (de vermoedelijke) architect Yusuf Boshnak vooral naar Turkse voorbeelden. Al met al geen topstuk, maar in ieder geval goed genoeg om een toeristische trekpleister in de stad te zijn.

100 millièmes: de Grote Tempel van Ramses II

De laatste waarde die ik bespreek is de 100 millièmes. Hiervoor gaan we naar Aboe Simbel in het zuiden van Egypte. Op de zegel zien we de Grote Tempel van Ramses II, die farao was tijdens de 19’de dynastie. Hij regeerde maar liefst 66 jaar over Egypte en haalde de voor die tijd enorme leeftijd van 90. Hij was de belangrijkste farao van zijn dynastie en na zijn dood was het in 20 jaar afgelopen en begon dynastie XX, waar Ramses III de belangrijkste was. Ze waren geen familie.

De Grote Tempel is een bijzondere. In plaats van het bouwen op een plat vlak werd deze uit de rots gehouwen. De ingang wordt bewaakt door vier levensgrote beelden van de farao die opdracht gaf tot de bouw, die plaatsvond tussen 1264 en 1244 v.Chr. Generaties na Ramses III verlieten het complex. Zoals ik al schreef had Ramses II zijn machtsbasis in Luxor. In 1813 vond de Zwitser Johann Ludwig Burckhardt (1784-1817) de inmiddels door Saharazand overstuifde tempel.

Met de komst van Gamal Abdel Nasser kwamen ook grote projecten van de grond, zoals de bouw van de nieuwe Aswandam. Deze liet de Nijl zo hoog stijgen dat Aboe Simbel dreigde onder water te komen. Als gevolg van de UNESCO-actie voor de redding van de Nubische monumenten werd tussen 1964 en 1968 het hele complex in stukken gezaagd, 200 meter het binnenland in verplaatst en weer opgebouwd.

De hoogste waarde van 200 millièmes herinnert aan de eerste Aswan-dam, in 1902 voltooid dankzij Britse kennis en financiën.

Wat was er verder nog te beleven in 1914? Mexico was verwikkeld in een al bijna eindeloze reeks revoluties en tegencoups, begonnen in 1910 tegen de liberale dictatuur van Porfirio Díaz (1830-1915) – het zogenaamde Porfiriaat – door de aanhangers van de nog liberalere hervormer Francisco Madero (1873-1913). Complexer werd het toen Madero’s medestanders, volksleiders Emiliano Zapata (1879-1919) en Pancho Villa (1878-1923), zich van hem afkeerden en voorlopig aan het langste eind trokken. In het voorjaar verscheen de Granaditas-zegel uit 1911 met opdruk van monogram GCM, in het najaar met de opdruk GOBIERNO CONSTITUTIONALISTA. Verder waren er op dezelfde zegel nog lokale opdrukken uit de provincies Chihuahua, Culicán, Monterrey en Sinaloa. Deze laatste komen vrijwel alleen ongebruikt voor en veel te duur om te vinden en te kopen. Nog erger is het gesteld met dubbele opdrukken die vanaf december verschenen op zowel de Granaditas als de kathedraal van Mexico-Stad uit 1899.

Ten slotte, op 2 januari, startte Malta met een serie portretten van koning George V, de eerste van dit eiland. Omdat de 1/4 penny dit keer gereserveerd was voor de koning zelf en men toch de haven van Valletta wilde afbeelden, kreeg deze de waarde van 4 pence. Deze zegel kwam pas eerst in augustus 1915 uit, maar hoort dus bij de serie. Waarvan akte.

Volgende keer staat Turkije centraal.

1911 telde slechts 10 zegels. Dat is niet zoveel, maar er waren wel twee nieuwe landen met dus twee nieuwe onderwerpen. Ga mee naar Italië en Bulgarije.

Maar eerste even kort naar Tasmanië. In 1911 kwamen definitief de laatste zegels hier uit. Het waren nog een drietal waarden van de serie van 1898, waar ook de 4 pence met de Russell Falls bij was. Deze keer in boekdruk.

Zoals vorige keer gemeld kwam Zwitserland met een serie portvrijdomzegels, bedoeld voor instanties die wettelijk geen port hoefden te betalen, in dit geval organisaties voor het ‘algemeen nut’. De serie was dezelfde als de portzegels van 1910, dus met de alpenrozen en in een iets afwijkende kleur. De zegels hadden wel een frankeerwaarde, maar in het waardekadertje is die vergezeld van twee letters P. Welke organisatie het betrof is te zien aan een controlenummer van drie cijfers bovenaan de zegel. Zegels zonder controlenummer zijn aanzienlijk duurder. Het nummer van deze serie heeft altijd kleine cijfers, latere uitgiften hebben grotere cijfers.

De Mexicaanse onafhankelijkheidsserie van 1910 werd in 1911 als dienstzegels heruitgegeven met opdruk OFICIAL, waaronder ook de Granaditas van 5 pesos. Deze zullen we voorlopig niet in de verzameling aantreffen wegens de prijs en de verkrijgbaarheid.

Bulgarije gaf op 14 februari een serie van 12 frankeerzegels uit met verschillende onderwerpen. Naast portretten van tsaar Ferdinand waren dat ook landschappen. Op de zegel van 30 stotinki zie je de binnenhof van het Rila-klooster, gelegen in het Rilagebergte zo’n 120 kilometer ten zuiden van Sofia. Het Rilaklooster is gesticht in de eerste helft van de 10’de eeuw door de  volgelingen van de kluizenaar Ivan van Rila (876-946), die in de orthodoxe kerk zijn feestdag heeft op 19 oktober. Rond zijn 25’ste verjaardag verliet hij zijn bestaan als herder om zijn leven aan God te wijden. Eenmaal monnik geworden, trok hij naar het Rila-gebergte waar hij de rest van zijn leven biddend in een grot sleet en wonderen verrichtte voor de lokale bevolking. Hiermee verkreeg hij een schare volgelingen die hun kampen in de buurt van de kluizenaarsgrot stichtten. Uit deze nederzettinkjes ontstond wat later een eerste klooster.

Het huidige klooster begon zijn bestaan in de 14’de eeuw, delen ervan zoals de Hreljatoren, genoemd naar de toenmalige bouwheer, en een kapel daarnaast, werden gebouwd tussen 1334 en 1340. Het complex breidde zich gaandeweg uit en in 1469 konden de resten van Ivan van Rila, die in Sofia rustten, overgebracht worden. In 1833 viel het klooster ten prooi aan brand, maar werd in de volgende 30 jaar herbouwd. In 1983 kwam het als nummer 216 op de Werelderfgoedlijst. Het fungeert nog steeds als klooster, maar er is ook een museum en het is nu een van de toeristische trekpleisters van Bulgarije.

Italië vierde zijn 50’ste verjaardag op 1 mei met een serie van vier toeslagzegels om de festiviteiten te ondersteunen. Op de zegels allemaal symbolische afbeeldingen, maar om de 5 centesimi gaat het hier. Te zien is hier een ruiter met paard. Het lijkt me meer iemand die het paard probeert te temmen, want hoe moet je opstijgen met een zwaard in je linkerhand. En waar laat je dat in al je blootheid. Enfin, daar gaat het verder niet om, wel om het gebouw op de achtergrond. Dit is het Senatorenpaleis in Rome, wat nu dienstdoet als stadhuis. Het staat aan het imposante Piazza del Campidoglio, het hart van een van de zeven heuvels waarop Rome gebouwd is. Direct achter het stadhuis ligt het Forum Romanum, dus we zijn hier in het werkelijk oude Rome.

Een senaatsgebouw was er al voor onze huidige tijdrekening, maar zoals dat wel vaker ging in de Middeleeuwen verviel dit gaandeweg. Een deel van het gebouw werd gebruikt als Tabularium, eigenlijk een eerste vorm van een stadsarchief, waar de belangrijkste documenten werden bewaard. Dit deel werd in de 12’de eeuw door de aanzienlijke familie Corsi van het stof ontdaan en omgebouwd tot hun eigen stadspaleis. Lag de hoofdingang ooit aan de kant van het Forum, nu kwam deze aan de andere kant.

In de tweede helft van de 16’de eeuw volgde een aanzienlijke verbouwing, die het paleis zijn huidige aanzicht gaf. De ontwerper van al dit moois was Michelangelo, onder wiens toezicht de dubbele trap ontstond en de inrichting van het plein, waaraan in deze tijd ook het Palazzo Conservatori en het Palazzo Nuovo (beide vormen nu het Capitolijns Museum) verrezen.

Nadat Rome definitief tot Italië was gaan horen na de verovering van het restant van de Kerkstaat in 1870 werd het Senatorenpaleis ingericht als stadhuis en dat is het tot de dag van vandaag.

Het andere bouwwerk, links van het paard, is de Mole Antonelliana, een opvallend gebouw in Turijn uit 1863, ooit bedoeld als synagoge, maar nu de behuizing van een filmmuseum. Turijn was vóór 1871 de hoofdstad van het in 1861 verenigde Italië en als waardering daarvoor is de Mole ook te zien op het euromuntje van 2 cent. In Turijn zijn alleen de drie koninklijke paleizen werelderfgoed. Daarover later.

 

 

 

1909 was een slecht jaar dat met gemak overgeslagen kan worden. Toch een kort overzichtje van de 5 zegels die ik niet heb.

Bolivia vierde met een serie van vier zegels het eeuwfeest van start van de onafhankelijkheidsoorlog in 1809. De eerste zegel toont het wapen van het land, de andere drie betrokkenen bij die revolutie.

Na Brazilië had ook Ecuador zijn nationale tentoonstelling, die in 1909 in het centrum van Quito gehouden werd ter gelegenheid van het feit dat ook daar in 1809 de revolutie was uitgebroken. De serie van negen laat betrokkenen zien en de hoogste waarde van 5 sucre het tentoonstellingsgebouw.

Ook China gaf zijn eerste Werelderfgoedserie uit. Dit was om te vieren dat Puyi, de laatste keizer, een jaar op de troon zat. Het jochie was inmiddels 3, maar keizers worden niet geportreteerd, ook de kleintjes niet. Zodoende moeten we het met de Tempel van de Hemel doen, het belangrijkste heiligdom van Beijing. Ook geen straf trouwens.

1910 deed het met 16 zegels niet verschrikkelijk veel beter, maar er is toch één nieuw onderwerp, dat ik kan laten zien.

Mexico vierde in dit jaar het begin van de onafhankelijkheidsoorlog 100 jaar eerder met een serie van 11 zegels. Ook hier portretten van revolutionairen met daaronder de onvermijdelijke Miguel Hidalgo. De hoogte drie waardes zijn gewijd aan gebeurtenissen uit die tijd. Op de 5 peso zien we de aanval op de Granaditas (de graanschuur) van het historische mijnstadje Guanajuato dat sinds 1988 op de lijst staat. Ook had het land een serie dienstzegels, opdrukken OFICIAL op oudere zegels. Ook de zegel van 5 pesos van 1899 moest het ontgelden.

In Colombia kwam op 20 juli een serie uit ter gelegenheid van het eeuwfeest van de onafhankelijkheid. Deze bestond uit 8 frankeerzegels met portretten en historische voorstellingen, een zogenaamd reçuzegel voor ontvangstbevestiging met portret van de volksheld José Acevedo y Gómez en een zegels van 10 centavos voor aangetekende stukken met daarop de historische gebeurtenis van de executie van negen opstandelingenleiders door de Spanjaarden voor de poorten van Cartagena op 24 februari 1816, toen de opstand net neergeslagen was.

In Oostenrijk werd de 80ste verjaardag van keizer Franz Joseph gevierd door uitgiften in zowel het moederland als in Bosnië-Hercegovina. Men maakte geen tijd vuil aan een nieuw ontwerp, maar pakte het werk van Moser en Schirnböck erbij, verlengde de zegels aan de boven- en onderkant, zodat ruimte vrijkwam voor de jaartallen 1830 en 1910. Op de Bosnische zegels was de verlenging alleen aan de onderkant en daarin de jaartallen samen ‘1830-1910’.

Eiger, Mönch en Jungfrau op de Alpenrozenserie

Nieuw op de kaart is Zwitserland. Hier verscheen op 1 september een serie portzegels die bekend staat onder de naam ‘Alpenrozen’. Bijna niemand praat verder over het berglandschapje op de achtergrond, maar gelukkig is het wel bekend: het zijn de Eiger, Mönch en Jungfrau. Dit drietal hoort tot het Berner Oberland. Ze liggen, zoals de omschrijving al doet vermoeden, naast elkaar en worden daarom vaak in één adem genoemd. De Eiger is de kleinste met een top van 3970 meter. Voor klimmers is dit een uitdaging, de noordwand hoort tot de gevaarlijkste beklimmingen van de Alpen. De westwand is een stuk eenvoudiger en in 1858 voor het eerst beklommen.

In het midden ligt de Mönch, deze telt 4107 meter en werd een jaar eerder dan de Eiger voor het eerst bedwongen. De Mönch wordt door de Jungfraujoch (3454 meter) verbonden met de Jungfrau, de bekendste van de drie en ook de hoogste met 4158 meter. Deze werd al in 1811 voor het eerst beklommen, waarmee voor de eerste keer door mensen de 4000 meter werd overwonnen binnen Zwitserland. Samen met de Mönch hoort de Jungfrau tot de meest beklommen bergen van Zwitserland. Tot de Jungfraujoch gaat een kabelbaan, zodat het er alleen maar makkelijker op wordt.

In 2001 werden de drie bergen samen met een 15-tal andere pieken rondom de Aletsch-gletsjer en ander gletsjers verkozen tot werelderfgoed (nr. 1037). De serie van 9 die hierboven te zien is vormde de basis voor de portvrijdomzegels die Zwitserland vanaf 1911 ging uitgeven. Daarover de volgende keer.

 

 

 

 

Het jaar 1900 telde totaal 16 zegels. Nieuwe landen of onderwerpen zaten er niet bij.

De Mexicaanse zegel met de kathedraal van Mexico-Stad kwam er met met de andere zegels van de serie van 1899 met overdruk OFICIAL en werd zodoende als dienstzegel gebruikt. De opdrukken werden tot 1910 met een handstempel aangebracht en zijn vaak slecht leesbaar. Pas in 1910 werden boekdrukoverdrukken toegepast.

Kaap de Goede Hoop kwam met een nieuw ontwerp Tafelberg, deze keer zonder de Hoop, maar wel met het wapen van de kolonie die diep in de Tweede Boerenoorlog verwikkeld was. Wel een aardig ontwerpje, met een stoomschip in de Tafelbaai.

In de Dominicaanse Republiek verschenen een tweetal Columbuszegels uit de serie 1899 opnieuw, maar dan in zeer kleine waardes van 1/4 en 1/2 centavo. Het betreft de zegel met de graftombe in de kathedraal en die met de bijeenkomst in Salamanca.

Griekenland hield opruiming met een serie waardeopdrukken. De meeste kwamen op de bekende Hermeskopjes, maar ook de Olympische serie van 1896 werd geraakt. De 1 Drachme kreeg een waarde van 5 Lepta mee en de 10 Drachme werd uitverkocht voor 2 Drachme. Net als de originele zegels moeilijk te vinden en duur.

Brazilië bracht een nieuwe zegel van 50 Reis in de kleur groen uit. Net als de originele zegels staan de zegelbeelden zeer dicht bij elkaar, zoals goed op de foto te zien is. Je ziet dus altijd wel een stukje van het volgende zegel.

Ook in Soedan verscheen een dienstzegel. De eerste zegels hebben een doorsteek van de letters SG. In 1900 was dat in een van de Piramidezegels die in 1897 met opdruk verschenen waren. Vanaf 1902 werden opdrukken OSGS toegepast, maar uitsluitend op de zegels met de kameelruiter.

Nieuw-Zeeland bracht enkele van de ‘First Pictorials’ uit in gewijzigde kleuren. Daaronder waren de 1/2 penny met Mt. Cook, nu in groen en de 2 pence met Pembroke Peak in lila. De zegels hadden een grove tanding, net als de uitgifte 1899 en een watermerk NZ ster met dubbele lijnen (dit werd in 1901 vervangen door enkele lijnen. Ik meende de twee zegels al te hebben, maar inmiddels ben ik er weer naar op zoek, want ik had de verkeerde. Geen plaatjes dus voorlopig…

De rest van het nieuws kwam uit de Tweede Boerenoorlog. Op 23 maart kwamen de eerste bezettingszegels uit Mafeking, het huidige Mahikeng aan de grens met Botswana. De belegering van Mafeking door de Boeren was in oktober 1899 begonnen en duurde zo’n zeven maanden, voordat de Britten onder commando van een zekere kolonel Robert Baden-Powell (jazeker, degene die in 1907 de scouting oprichtte), het stadje ontzette. Dit was een keerpunt in de oorlog, waarin tot dan toe de Boeren het voor het zeggen hadden. De zegels, de eerder besproken 1/2 en 1 penny van de Tafelberg met daarvoor de Hoop, werden, naast andere zegels van Kaap de Goede Hoop en ook van Brits Betshuanaland (nu Botswana), overdrukt met de tekst MAFEKING BESIEGED en een nieuwe waarde van respectievelijk 1 penny en 3 pence. Prijzig en slecht te vinden. Overigens kwamen er in Mafeking in april twee provisorische zegels uit met ieder een ‘first’, een 1 penny met een koerier op een rijwiel en de 3 met het portret van Baden-Powell. Dit waren dus de eerste fiets en de eerste levende militair ooit op een postzegel. Baden Powell zou na zijn dood, als zijnde oprichter van de scouting, nog honderden keren geportretteerd worden

Een andere bezettingsuitgave op dezelfde twee zegels verscheen in augustus. Deze kwamen uit Schweizer Reneke, een klein plaatsje in het toenmalige Transvaal, 50 kilometer van het vorige keer besproken Vryburg. Het was in 1888 gesticht door een zekere Schweizer en een zekere Reyneke wat de naam verklaart. Vanaf 19 augustus begon de Boerse belegering en de inwoners wisten het hoe dan ook tot in januari 1901 vol te houden. Het is maar een klein verhaal, want de Britten waren nog vol van de ontzetting van Mafeking, en ook de vorderingen in Kimberley en Ladysmith werden op de voet gevolgd. Maar toch postzegels met een eenvoudige verticale handstempel BESIEGED op de twee zegels van de Kaap en een viertal van Transvaal zelf. Nog onbetaalbaarder dan die van Mafeking.

Dat geldt niet voor wederom dezelfde zegels, maar nu met opdruk ORANGE RIVER COLONY. Deze verschenen vanaf augustus in de inmiddels gepacificeerde Oranjevrijstaat. Naast deze twee was er ook een 2 1/2 pence, uit de andere bekende Kaapse serie ‘Zittende Hoop’.

 

In de tweede helft van het jaar waren er nog 7 postzegels. Op 19 juli verscheen de Labuan-versie van de 4-cents opdrukken die eerder in Noord-Borneo verschenen. Dit waren 9 zegels en de 18 cents hoorde daar ook bij. In dit geval alleen de laatste versie, met ‘LABUAN’ over ‘STATE OF NORTH BORNEO’.

Er waren twee nieuwe gebieden die met erfgoeduitgiftes kwamen. De eerste was Mexico, hier kwam op 1 november een serie van 10 zegels uit. De eerste 7 toonden het wapenschild in verschillende kaders. De hoogste waarden waren voor toeristische plaatjes, waarmee Mexico een van de eerste was, zonder dat er iets te vieren was. Op de 50 centavos zien we de watervallen van Juanacátlan, een plaatsje vlakbij Guadalajara, ten noordwesten van Mexico-Stad en op de 1 peso de bekendste vulkaan van Mexico, de Popocatepetl. De vulkaan is geen werelderfgoed, maar een aantal kloosters in plaatsjes in de buurt wel, die komen later aan bod.

De 5 pesos is voor de verzameling wel interessant: hierop staat de kathedraal van Mexico-Stad. Het centrum van de hoofdstad van Mexico staat sinds 1987 op de lijst onder nummer 412. Daarnaast hoort de archeologische site Xochimilco op 28 kilometer ten zuiden van het centrum er ook bij.

Mexico-stad werd in de 16’de eeuw gesticht op de ruïnes van Tenochitlan, de oude hoofdstad van de Azteken. De stad moest hét visitekaartje worden van de kolonie Nieuw-Spanje en er verschenen dus paleizen en de grootste kathedraal van het hele continent. Zij werd samen met de belangrijkste regeringsgebouwen gebouwd aan de Plaza de la Constitución (in de volksmond El Zócalo geheten). De eerste steen van wat officieel de Catedral Metropolitana de la Asunción de la Santisima Virgen Maria a los cielos de la Ciudad de México heet werd gelegd in 1571 op de plek van een tijdelijke kerk, die op zijn beurt 40 jaar eerder was verschenen in plaats van de hoofdtempel van de Azteken. De voltooiing was pas in 1813, na ruim 240 jaar bouwen dus. De eerste bouwmeester was de uit het Baskenland geëmigreerde Claudio de Arciniega (1527-1593). Hij werkte op een enorme bouwplaat van 59 bij 128 meter en de kerk kreeg twee torens van 67 meter hoog (deze werden in 1791 pas voltooid). Als voorbeeld werd de Spaanse kathedraal van Jaén gekozen. De laatste restauratie werd na een brand in 1967 ingezet.

Op 11 oktober 1899 was de Tweede Boerenoorlog uitgebroken in Zuid-Afrika, als gevolg van een al jarenlang slepend conflict over Transvaal, een Boerenrepubliek die in de laatste jaren overspoeld was door niet-Boerse immigranten. Aan het begin van de oorlog waren de Boeren in het voordeel en namen delen van Natal en de Kaapprovincie in. Een belangrijk verkeersknooppunt in het noorden was het in 1885 door de Britten veroverde stadje Vryburg en in november 1899 werd de belegering door de Boeren ingezet om het terug in te nemen. Op 24 november verscheen er dan ook een serie van vier postzegels alleen voor Vryburg, vier waarde-opdrukjes op zegels van Kaap de Goede Hoop. Hier was ook de 1893 uitgegeven rode 1 penny, die (overigens foutief) overdrukt werd met 1 PENCE.

De laatste zegels van het jaar kwamen uit Tasmanië. Vóór het ontstaan van de staat Australië gaven West- en Zuid-Australië, Queensland, Victoria, New South Wales en Tasmanië ieder voor zich zegels uit. Op laatstgenoemd eiland was dat een serie van 8 met landschappen, waarvan er vier behoren tot de Tasmanian Wilderness (wel-181): op de 1/2 penny Lake Marion, op de 3 pence de Spring River nabij Port Davy, op de 4 Russell Falls en op de 5 pence Lake St. Clair. Vooralsnog niet in de collectie, maar in Australië is dat ruim goedgemaakt, dus te zijner tijd zal ik ze nader bespreken.