Dienstzegels Egypte 1913-14

 

Het jaar 1914 tikte voor het eerst de 50 zegels aan met onderwerpen die het Werelderfgoed betreffen. In het eerste deel behandel ik Egypte en een beetje onbereikbaar Mexico.

Rond de jaarwisseling verschenen de laatste oude piramidezegels met opdruk om als dienstzegel gebruikt te worden. Op 1 november 1913 was dat de 5 millièmes met opdruk O.H.H.S. (On His Highness’ Service) in 1914 gevolgd door de 2 en de 4 millièmes met daarnaast een Arabische vertaling van de afkorting.

Op 8 januari verscheen een nieuwe reeks frankeerzegels, voor het eerst in ruim 40 jaar met andere onderwerpen dan de piramides van Gizeh. Daarbij werden de Franse inschriften van de voorgaande zegels vervangen door Engelse.

De 10 zegels hadden dit keer 10 verschillende onderwerpen, waarvan er 6 gewijd zijn aan werelderfgoed, daarmee een behoorlijk deel van het arsenaal in Egypte afdekkend. Het gaat om de nummers 86 tot en met 89.

  • 86: de piramides in de omgeving van Memphis, met onder andere Gizeh en de oude trappenpiramide van Djoser in Saqqara.
  • 87: de monumenten van Thebe zoals de tempels van Luxor en Karnak.
  • 88: de monumenten aan de Nijl in Aswan en ten zuiden daarvan, zoals de tempel op het Nijleiland Philae en Abu Simbel nabij de grens met Soedan. Deze waren met name onderwerp van de UNESCO-actie tot behoud ervan in de eerste helft van de jaren 60 en zijn toen wereldwijd op postzegels gekomen. Dit is te vergelijken met een soortgelijke actie voor Venetië circa 1972.
  • 89: de historische binnenstad van Cairo en zijn citadel.
  • 90: de christelijke bedevaartplaats Abu Mena nabij Alexandrië. Deze werd ook in 1979 toegekend, maar kwam pas in 1997 voor het eerst op een postzegel van de Centraalafrikaanse Republiek voor en later in aan UNESCO-werelderfgoed gewijde series van de Verenigde Naties. Egypte zelf deed hier nooit iets mee.

De waardes liepen uiteen van 1 tot en met 200 millièmes. Op de kleinste waarde zien we enkele zeilschepen op de Nijl, die van 2 millièmes de afbeelding van een Cleopatrareliëf uit de tempel van Dendera. Dit ligt ten noorden van Luxor, maar is geen werelderfgoed. Op de oranje 3 staat het Ras-el-Tin-paleis in Alexandrië, dit is een van de residenties van het staatshoofd, gebouwd tussen 1834 en 1845 op een landtong in de haven.

4 en 5 milliemes: de piramides en de sfinx

De 4 millièmes is de eerste van belang en laat alle drie de piramides van Gizeh zien. Tot nu toe werd allen die van Chefren getoond. Op de 5 zien we van deze piramide nog maar een klein stukje, want de rest van het zegelbeeld wordt ingeruimd door een frontale afbeelding van de Sfinx.

10 milliemes: De Kolossen van Memnon

Met de 10 millièmes gaan we naar het oude Thebe, waar zoals gezegd zich de tempelcomplexen van Luxor en Karnak bevinden. Deze staan op de oostelijke oever van de Nijl, terwijl de eveneens zeer bezienswaardige tomben van de farao’s aan de andere kant liggen in de zogenaamde Vallei van de Koningen met centraal daarin de Tempel van Hatsjepsoet.

Onderweg tussen de twee kom je bovenstaande reusachtige beelden tegen. Het zijn de Kolossen van Memnon, twee 18 meter hoge beelden die ooit deel uitmaakten van de Dodentempel van Amenhotep III. Deze farao uit de 18de dynastie leefde tussen geschat 1388 en 1351 voor Christus en na zijn dood werd een tempel opgericht. De uitgekozen plek was niet goed gekozen, al binnen een eeuw had de wispelturige Nijl al een groot deel van het bouwwerk verwoest en navolgende bouwmeesters gebruikten dat wat ze konden redden voor de tempels van latere farao’s. Het enige wat restte waren de beelden, van wie niemand weet wie ze eigenlijk voorstellen. Men dacht dat de Ethiopische koning Memnon er iets mee te maken had, maar dat is nooit aangetoond.

In de Romeinse tijd was een van de beelden beroemd vanwege een fluittoon die het produceerde. Dit was ontstaan na een aardbeving en had vermoedelijk te maken met de overgang tussen de koudere nacht en de hete dag. Na een restauratie door keizer Septimius Severus in het jaar 200 hield het fluiten op.

20 milliemes: tempel van Chonsoe, Karnak

Op de 20 millièmes gaan we weer terug naar de overkant en Karnak, tegenwoordig een stadsdeel van Luxor. Hier staan verschillende tempels en de postzegel toont in dit geval de toegangspoort van de tempel van Chonsoe, gebouwd door de laatste ‘grote’ farao Ramses III in de 12’de eeuw v.Chr. en gewijd aan het maankind Chons uit de Egyptische mythologie, zoon van Amon en Mut, aan wie ook tempels gewijd zijn (Amon figureerde in de James Bondfilm The spy who loved me uit 1977). De toegangspoort die we hier zien is overigens pas gebouwd in de tijd van Ptolemaeus III, die ruim 9 eeuwen later regeerde.

50 milliemes: citadel van Cairo

Voor de 50 millièmes gaan we naar Cairo. Helaas niet de mooiste zegel, maar we krijgen wel een mooi beeld van de hooggelegen vesting met daarop de Mohammed Ali-moskee. De citadel werd tussen 1176 en 1183 aangelegd onder het bewind van sultan Salah-ad-Din, die we beter kennen als Saladin, die in 1187 met succes de kruisvaardersstaten te lijf ging, wat een keerpunt was in het streven om het christendom weer de belangrijkste religie van het oostelijk Middellandse Zeegebied te maken.

Een van de uitvalsbases van Saladin was Cairo, een toen nog vrij jonge en onbetekenende stad, maar een uitloper van de Mokattam-berg was uitermate geschikt om de verdediging van het omliggende land op te organiseren. Vervolgens was dit de belangrijkste residentie van iedere leider van Egypte tot het einde van de 19’de eeuw.

De moskee die prominent in beeld is, is de Mohammed Ali-moskee, tussen 1830 en 1848 gebouwd in opdracht van wali Muhammad Ali, onder wie Egypte voor het eerst als een autonome staat binnen het Ottomaanse Rijk geregeerd werd. Voor de bouw liet hij overigens een flink deel van de oude nog veelal middeleeuwse stadswijk afbreken. Voor de bouwstijl keek (de vermoedelijke) architect Yusuf Boshnak vooral naar Turkse voorbeelden. Al met al geen topstuk, maar in ieder geval goed genoeg om een toeristische trekpleister in de stad te zijn.

100 millièmes: de Grote Tempel van Ramses II

De laatste waarde die ik bespreek is de 100 millièmes. Hiervoor gaan we naar Aboe Simbel in het zuiden van Egypte. Op de zegel zien we de Grote Tempel van Ramses II, die farao was tijdens de 19’de dynastie. Hij regeerde maar liefst 66 jaar over Egypte en haalde de voor die tijd enorme leeftijd van 90. Hij was de belangrijkste farao van zijn dynastie en na zijn dood was het in 20 jaar afgelopen en begon dynastie XX, waar Ramses III de belangrijkste was. Ze waren geen familie.

De Grote Tempel is een bijzondere. In plaats van het bouwen op een plat vlak werd deze uit de rots gehouwen. De ingang wordt bewaakt door vier levensgrote beelden van de farao die opdracht gaf tot de bouw, die plaatsvond tussen 1264 en 1244 v.Chr. Generaties na Ramses III verlieten het complex. Zoals ik al schreef had Ramses II zijn machtsbasis in Luxor. In 1813 vond de Zwitser Johann Ludwig Burckhardt (1784-1817) de inmiddels door Saharazand overstuifde tempel.

Met de komst van Gamal Abdel Nasser kwamen ook grote projecten van de grond, zoals de bouw van de nieuwe Aswandam. Deze liet de Nijl zo hoog stijgen dat Aboe Simbel dreigde onder water te komen. Als gevolg van de UNESCO-actie voor de redding van de Nubische monumenten werd tussen 1964 en 1968 het hele complex in stukken gezaagd, 200 meter het binnenland in verplaatst en weer opgebouwd.

De hoogste waarde van 200 millièmes herinnert aan de eerste Aswan-dam, in 1902 voltooid dankzij Britse kennis en financiën.

Wat was er verder nog te beleven in 1914? Mexico was verwikkeld in een al bijna eindeloze reeks revoluties en tegencoups, begonnen in 1910 tegen de liberale dictatuur van Porfirio Díaz (1830-1915) – het zogenaamde Porfiriaat – door de aanhangers van de nog liberalere hervormer Francisco Madero (1873-1913). Complexer werd het toen Madero’s medestanders, volksleiders Emiliano Zapata (1879-1919) en Pancho Villa (1878-1923), zich van hem afkeerden en voorlopig aan het langste eind trokken. In het voorjaar verscheen de Granaditas-zegel uit 1911 met opdruk van monogram GCM, in het najaar met de opdruk GOBIERNO CONSTITUTIONALISTA. Verder waren er op dezelfde zegel nog lokale opdrukken uit de provincies Chihuahua, Culicán, Monterrey en Sinaloa. Deze laatste komen vrijwel alleen ongebruikt voor en veel te duur om te vinden en te kopen. Nog erger is het gesteld met dubbele opdrukken die vanaf december verschenen op zowel de Granaditas als de kathedraal van Mexico-Stad uit 1899.

Ten slotte, op 2 januari, startte Malta met een serie portretten van koning George V, de eerste van dit eiland. Omdat de 1/4 penny dit keer gereserveerd was voor de koning zelf en men toch de haven van Valletta wilde afbeelden, kreeg deze de waarde van 4 pence. Deze zegel kwam pas eerst in augustus 1915 uit, maar hoort dus bij de serie. Waarvan akte.

Volgende keer staat Turkije centraal.

In 1904 werden er maar 9 zegels voor de collectie uitgegeven, dat is niet veel en ik heb er zelfs 5 van, dus een van de betere jaren uit deze periode.

Brazilië bracht de serie met het Zuiderkruis boven de Baai van Rio de Janeiro, de Vrijheidskop en de Mercuriuskop opnieuw uit maar dit keer wat ruimer bemeten zodat bij de meeste zegels het complete zegelbeeld te zien is. Van de drie Rio-zegels heb ik er een, namelijk de 10 Reis.

Noord-Borneo kwam voor de laatste keer met een Kinabalu-zegel uit de serie van 1897. Iedere zegel van de serie en dus ook de 18 cents kreeg een opdruk van 4 cents, maar in een andere vorm als die uit 1899. Uiteraard volgde de Labuanversie later in het jaar.

In het Britse Rijk werd een nieuw koloniaal watermerk ingevoerd. Ooit was men begonnen met watermerk ‘Kroon CC’. Deze werd rond 1880 vervangen door ‘Kroon CA enkelvoudig’. Drie jaar na het aantreden van koning Edward VII volgde een variant daarop: ‘Kroon CA meervoudig’. De Farthingzegel van Malta met de haven van Valletta ontkwam hier natuurlijk ook niet aan.

Op 18 december ten slotte kwam er een serie van vier toeslagzegels uit in Rusland. Toeslagzegels waren nieuw in de wereld van de postzegels en voor zover ik weet waren dit de eerste ter wereld. Ze werden gebruikt voor oorlogswezen want in februari van dit jaar was de Russisch-Japanse oorlog uitgebroken om de tegenstrijdige belangen van de twee landen in het uiterste oosten van het Russische Rijk uit te vechten. Japan wilde meer invloed in de regio: ze beschouwden Korea en het daar noordelijk van gelegen Mantsjoerije tot hun invloedssfeer en de verovering van deze gebieden zou grote invloed hebben voor de enige Russische haven in de regio die het hele jaar bereikbaar was, het toen en nu in China gelegen Lüshunkou, vroeger bekend als Port Arthur. Deze haven was in 1898 voor 25 jaar van de Chinezen gepacht. Het was dan ook geen wonder dat Rusland hiervoor wilde vechten, maar de oorlog verliep rampzalig en de oorlogswezenzegels waren daar het eerste teken van. Ruim een maand na de uitgifte ging het verder bergafwaarts en in Sint-Petersburg leidde dit tot de bloedig neergeslagen Januarirevolutie van 1905. In september werd bij de Vrede van Portsmouth het pachtverdrag nietig verklaard en had Japan de gewenste invloed in de regio. In 1908 werd Korea zelfs ingelijfd, 24 jaar later werd Mantsjoerije een satellietstaat van Japan.

Alle vier de zegels werden verkocht tegen 3 kopeken meer dan de aangegeven waarde. De UPU stond dat toe, maar het mocht niet opzichtig op de postzegels staan. Op deze zegels zie je de postale waarde en ook het te betalen bedrag aangegeven. Ook op Nederlandse zegels voor het goede doel zie je dit: pas in 1949 werd voor het eerst de toeslag in het zegel vermeld, terwijl voor die tijd er een klein regeltje onder het zegelbeeld aangaf wat je extra moest betalen (en hoe lang de zegel geldig was voor gebruik).

De zegel van 3 kopeken toont het monument voor admiraal Vladimir Kornilov (1806-1854), die gesneuveld was in de Krim-oorlog. Op de plaats waar hij, nabij Sebastopol, dodelijk getroffen werd tijdens een Frans-Britse aanval op 5 oktober 1854 werd een monument opgericht, wat op die postzegel te zien is. Sebastopol hoort niet tot het werelderfgoed, dus hiervan niets in de collectie.

De zegel van 5 kopeken laat het monument voor Minin en Pozjarski zien, dat sinds jaar en dag aan de voet van de Basiliuskathedraal op het Rode Plein in Moskou staat. Kuzma Minin (?-1613) en Dimitri Pozjarski (1577-1642) waren helden van de oorlog tussen Moskou en Polen in 1611 en 1612. Minin was een vleeskoopman uit Nizjny Novgorod en was namens die stad verkozen om Moskou te helpen verdedigen tegen de Poolse bezetters, Pozjarski was een prins uit een gegoede familie die de leiding kreeg over de door Minin gerekruteerde milities. Ze slaagden daar goed in, de Polen werden het land uitgejaagd en daarmee eindigde de Tijd der Troebelen en kwam er een nieuwe familie aan de macht in Moskou, geleid door een zekere Michael Romanov.

Op de postzegel van 7 kopeken een andere beroemdheid en nazaat van Michael Romanov. Het is tsaar Peter de Grote (1672-1725), wiens ruiterstandbeeld in Sint-Petersburg we zien. Het werd tussen 1878 en 1890 gemaakt door een onbekende beeldhouwer en bevindt zich nabij het senaatsgebouw aan de Neva.

De laatste van de serie is de 10 kopeken en deze laat een ensemble van gebouwen zien van het Kremlin in Moskou. We zien als hoogste prominent in beeld de 81 meter hoge klokkentoren van Ivan de Grote (1440-1505), die in opdracht van zijn zoon Vassili kort na zijn dood gebouwd werd. Ernaast de Hemelvaartstoren, die zo’n 30 jaar later werd gebouwd. Veel van de ander bouwsels op de postzegel zijn niet te herkennen. In 1913 kom ik hier uitgebreid op terug.

Zowel Moskou als Sint-Petersburg werden in 1990 op de werelderfgoedlijst gezet.

 

1901 was maar een klein jaar, er werden slechts 4 zegels uitgegeven die mijn belangstelling gewekt hebben voor de collectie.

Labuan kwam met een portzegel, net zoals een eerdere uitgifte van Noord-Borneo met een verticale opdruk POSTAGE DUE. Later in het jaar ook weer een frankeerzegel van het moedergebied zelf maar nu met opdruk BRITISH PROTECTORATE als onderdeel van een serie van 12.

St. Christopher Bastion vanuit het noorden gezien, nu met een oorlogsmonument erop (eigen foto 2015)

Tot bijna slot, in maart, een serie in Bolivia met portretten van politici (Adolfo Ballivian, Camacho, Campero, José Ballivian en Santa Cruz), afgesloten door een hoogste waarde van 2 Bolivianos met het landswapen.

De hier afgebeelde zegel komt uit Malta. Dit eiland in de Middellandse Zee was in 1860 begonnen met het uitgeven van postzegels en gaf er voor 1899 slechts 10 uit, allemaal met portret van koningin Victoria. In 1899 twee zegels met een vissersboot van Gozo en een Maltezer galei, gevolgd door een tweetal allegorische voorstellingen, van de patroonheilige Melita en een prent van Gustave Doré betreffende de schipbreuk van St. Paulus voor de kust van Malta.

Fort Rikasoli gezien vanaf Fort St. Elmo (eigen foto 2015)

Op 1 januari 1901 kwam er 1 zegel uit in een oplage van 572.640 stuks en in de minieme waarde van een farthing, oftewel een kwart penny, bedoeld voor kranten. Tot 1947 werden er 4 stuks uitgegeven. In 1901 bovenstaande zegel met lijntanding en watermerk CA Crown enkelvoud, in 1905 in kamtanding en watermerk CA Crown meervoud, in 1936 met monogram GviR na het aantreden van George VI en in 1948 de laatste zegel met opdruk SELF-GOVERNMENT 1947. In ieder geval de laatste twee zegels hadden een geldigheidsduur tot 1976, toen al lang een nieuwe munteenheid was ontstaan.

We zien de zogenaamde Grand Harbour aan de rechterkant van de zegel en een deel van de stad Valletta aan de linkerzijde met achtereenvolgens het Barbara Bastion en verderop het St. Christopher Bastion waarop de Lower Barakka Gardens liggen. Aan de overkant van de Grand Harbour vinden we het Fort Rikasoli. Dit hoort niet tot het werelderfgoed, maar vormt wel een mooie afsluiter van de haven, net als het eind van het schiereiland waarop Valletta ligt, Fort St. Elmo.

Een mooie plek en op wat details na nauwelijks veranderd. In 1902 komen er drie nieuwe onderwerpen aan bod.