Het tweede deel van 1913 is bijna geheel aan Zuidoost-Europa gewijd.

Ik begin op Samos, een eiland dat op slechts 1,2 kilometer van het Turkse vasteland ligt en als zodanig eeuwenlang als natuurlijk bezit van Turkije gold. Na de Griekse onafhankelijkheidsoorlog veranderde dat en in 1834 werd het prinsdom Samos uitgeroepen, met gekozen prinsen uit de Ottomaanse elite (de eerste was een Bulgaar). Postzegels kwamen er officieel nooit uit, wel een aantal die in de catalogus als ‘niet uitgegeven’ vermeld worden.

In 1912, direct na de opheffing van het prinsdom en de ontruiming van het Turkse garnizoen, veranderde dat: er kwamen drie zegels met de kaart van het eiland uit, direct gevolgd door een Hermeskop, allebei uitgegeven door de voorlopige regering die de aansluiting met Griekenland moest voorbereiden.

In januari 1913 kwam er een serie van 5 uit ter viering van de bevrijding van de Turken in 1824 en in 1912. Hierop staan een paar monumenten uit Pythagoreio, de plaats die naar de wiskundige Pythagoras genoemd is en die werelderfgoed zijn. In 1915 verschenen ze nog overdrukt als allerlaatste uitgifte van het eiland. In alle gevallen moeilijk om aan te komen, maar wie weet.

Op 1 maart kwam de Italiaanse serie van 1911, waarvan ik de 5 centesimi besprak, uit met opdruk van een nieuwe waarde. Dit was in dit geval nog slechts 2 centesimi. Het was de laatste zegel van die toen ook in Italië al minieme waarde. In 1930 kwam er nog eentje uit, speciaal voor blindenpost. De ongebruikte zegel die ik hiernaast toon is weliswaar in de rechter onderhoek beschadigd, maar laat beter dan het gestempelde origineel de fraaiheid van de gravure zien.

Op 29 april (16 april volgens de lokaal nog gebruikte Juliaanse kalender) kwam in Griekenland een serie uit geweid aan het ‘Nieuwe Griekenland’. Dat was tien dagen na het sluiten van een wapenstilstand met de Turken, die bekrachtigd zou worden met de Vrede van Londen op 30 mei. De serie bestond uit twee ontwerpen, de ene een stralend Grieks kruis (ook wel Contantijnskruis) boven de Acropolis met teksten die verwijzen naar de overwinning (NIKA) en de campagne van 1912 (ΕΚΤΣΡΑΤΕΙΑ 1912), de andere een vliegende adelaar (?), die een spartelende slang gevangen houdt met zijn snavel boven de Olympus. Het gaat mij uiteraard om de eerste, waarvan er 9 zijn. (de Olympus in Noord-Griekenland is, anders dan Olympia op de Peloponnesos, geen werelderfgoed).

Hoewel de ontwerpen goed aangepakt zijn is er wel op van alles bezuinigd: de zegels zijn niet getand maar doorstoken en komen op verschillende papiersoorten voor. De kleine waardes zijn vrij makkelijk te krijgen, vanaf 3 Drachmen wordt het moeilijk, de 10 en 25 zijn typische veilingdingen.

De laatste drie zegels komen uit het Ottomaanse Rijk zelf. Dit had in 1913 grote gebieden verloren aan Bulgarije en Griekenland en daar hoorde ook het gebied rond Adrianopel (het huidige Edirne) bij. Edirne gold als laatste bolwerk aan de westzijde van  Constantinopel en ging in de loop der eeuwen regelmatig in andere handen over. In de moderne tijd ging het doorgaans om de Russen, na de onafhankelijkheid van Bulgarije om laatstgenoemde land. Tijdens de Eerste Balkanoorlog veroverden de Bulgaren het weer eens, maar na de Tweede Balkanoorlog, die bedoeld was om de Bulgaarse landhonger in de tomen, kwam het weer terug aan het Ottomaanse Rijk en deze keer was dat definitief. Op 23 oktober kwam er een serietje uit om dit te vieren.

De zegels tonen alle drie het voornaamste monument van de stad: de Moskee van Sultan Selim I, alias de Selimiye, gebouwd in 1575 en een van de topstukken van de architect Koca Mimar Sinan Ağa, kortweg Sinan (1489-1588). Deze was ook verantwoordelijk voor de Süleymaniye-moskee in Istanbul, die 20 jaar eerder voltooid werd, maar Sinan vond zijn werk in Adrianopel een stuk beter dan in Constantinopel. Dat kwam omdat de lichtinval en daarmee de ‘moskeebeleving’ naar eigen zeggen veel beter was. De koepel van de Selimye is ook met ruim 31 meter erg groot te noemen. Bovendien werd de ruimte zo ingericht dat de mihrab, de uitgang die precies in de richting van Mekka ligt, van alle kanten zichtbaar is, zodat de gebeden altijd op de juiste wijze plaats konden vinden.

De Selimye doorstond in 1913 met glans de belegering door de Bulgaren. Na de herovering later in het jaar door de Turken bleek er slechts lichte schade te zijn. Atatürk, vanaf 1922 de leider van de Turkse republiek, besloot dat deze schade nooit gerepareerd mocht worden om toekomstige generaties aan de gevolgen van de Balkanoorlogen en de Eerste Wereldoorlog te herinneren. In 2011 werd de moskee op verzoek van de Turkse regering op de Werelderfgoedlijst gezet met nummer 1366.

Ook over 1912 kan ik heel kort zijn, slechts vier zegels, maar toch ook een nieuw onderwerp. Drie van de vier heb ik er.

Dit korte jaar begon op 25 april met de uitgifte van twee zegels in Italië. Deze kwamen er ter gelegenheid van de opening van de herbouwde campanile van de San Marco-basiliek in Venetië op die dag.

Venetië, ooit een vluchtplaats voor door invallende buurvolken verdreven Romeinen, kwam als stadstaat op in de 7’de eeuw en nam als snel in belang toe. In 810 verhuisde doge Agnello Participazio, de leider van Venetië, naar het eiland Rialto en liet daar een eerste dogepaleis bouwen. Niet veel later gaf zijn zoon Giustiniano, doge vanaf 825, opdracht voor een kerk naast dit paleis, gewijd aan St. Marcus en met de bedoeling om de stoffelijke resten van de in het jaar 65 gestorven evangelist onder te brengen. Deze waren door enkele kooplieden gestolen uit Alexandrië, waar de heilige tot dan toe was begraven.

Nadat de kerk een aantal malen was verbrand en weer opgebouwd werd in 1063 het begin gemaakt met de huidige kerk, die al in het jaar 1117 gewijd kon worden. Al in de eerste eeuw na de bouw werd de inrichting aangevuld met kunstwerken die simpelweg tijdens de kruistochten veroverd waren in onder andere Byzantium.

De eerste klokkentoren werd in de loop van de 10’de eeuw gebouwd als uitkijkpost die diende om zicht te hebben op eventuele invallers. Pas in de tweede helft van de 12’de eeuw werden er klokken in gehangen. Verdere her- en verbouwingen, vooral als gevolg van blikseminslagen en aardbevingen duurden tot in 1514, toen de campanile uiteindelijk zijn huidige aanzicht kreeg. In de eeuwen die volgden kreeg de toren nog te maken met vele blikseminslagen en de bijbehorende reparaties.

1902 was een rampjaar voor Venetië en met name de campanile. Al in 1874 was geconstateerd dat de fundering in slechte staat was, maar een structurele oplossing was volgens de bouwkundigen van die dagen nog niet echt nodig, dus het beleef bij kleinere reparaties. In juli 1902 was men bezig aan het herstellen van de het dak van de Loggetta del Sansovino aan de voet van de toren. Tijdens het vervangen van een verbindingsbalk op 12 juli merkten de werklieden al op dat de toren stond te trillen, maar men weet dat aan het geweld waarmee een nieuwe balk op zijn plaats geslagen werd. Toch werd besloten het bouwwerk nauwlettend in de gaten te houden. Op zondag 13 juli bleek de situatie ernstiger dan gedacht en werden zondagse bijeenkomsten op het San Marcoplein al verboden. In de ochtend van 14 juli ging het mis, er liet pleisterwerk van de toren los en om 9:30 werd bevolen dat iedereen het plein moest ontruimen. Dit was net op tijd, want om 9:53 stortte de gehele toren in, waarbij slechts één dodelijk slachtoffer viel te betreuren: de kat van een bewaker. De materiële schade bleef beperkt tot de campanile zelf en de loggetta. Nog dezelfde dag besloot de gemeenteraad dat beiden herbouwd moesten worden. Voor dit project hoestten de stad en de Italiaanse belastingbetaler 500.000 lire op. Koning Victor Emanuel III legde daar uit eigen zak nog 100.000 lire bij.

De herbouw gebeurde in de volgende 10 jaar en op de feestdag van St. Marcus, 25 april 1912 werden de campanile en de loggetta heropend. Volgens overlevering was dit ook exact 1000 jaar na de start van de bouw van de wachttoren.

De postzegels van 5 en 15 centesimi zoals hierboven weergegeven werden ontworpen door de Venetiaanse kunstenaar Augusto Sezanne (1856-1935), die ook verantwoordelijk was voor de rest van de merchandising rondom de heropening van de campanile, zoals hij ook deed voor de vele festiviteiten die in de stad plaats vonden. Posters van zijn hand brengen op veilingen flinke bedragen op.

We zien de toren over de koepels van de basiliek met op de top het beeld van de aartsengel Gabriël en verderop nog enkele beroemde gebouwen met het meest in het oog springend een van de ‘andere’ basilieken (er zijn er vier), die van Santa Maria della Salute, een barokke kerk uit de 17’de eeuw. De jaartallen 1902 en 1912 worden weergegeven en de tekst COME ERA, DOVE ERA (‘hoe het was en waar het was’), om aan te geven dat de campanile precies in dezelfde staat en op dezelfde plek teruggebracht was. Mooie zegels, al zeg ik het zelf.

Wat was er nog meer in 1912? In juni kwamen er drie aanvullende frankeerzegels uit in Bosnië-Hercegovina. Op de 72 heller zien we het stadje Višegrad met de laat-16’de eeuwse Mehmed Paša Sokolović-brug, die sinds 2007 op de werelderfgoedlijst staat.

Ten slotte in september weer een reeksje beroemdheden en het landswapen van Bolivia. De laatste zegel was gelijk aan de uitvoering van 1901, maar nu in de kleur zwart. Waarvan akte met een plaatje.

1911 telde slechts 10 zegels. Dat is niet zoveel, maar er waren wel twee nieuwe landen met dus twee nieuwe onderwerpen. Ga mee naar Italië en Bulgarije.

Maar eerste even kort naar Tasmanië. In 1911 kwamen definitief de laatste zegels hier uit. Het waren nog een drietal waarden van de serie van 1898, waar ook de 4 pence met de Russell Falls bij was. Deze keer in boekdruk.

Zoals vorige keer gemeld kwam Zwitserland met een serie portvrijdomzegels, bedoeld voor instanties die wettelijk geen port hoefden te betalen, in dit geval organisaties voor het ‘algemeen nut’. De serie was dezelfde als de portzegels van 1910, dus met de alpenrozen en in een iets afwijkende kleur. De zegels hadden wel een frankeerwaarde, maar in het waardekadertje is die vergezeld van twee letters P. Welke organisatie het betrof is te zien aan een controlenummer van drie cijfers bovenaan de zegel. Zegels zonder controlenummer zijn aanzienlijk duurder. Het nummer van deze serie heeft altijd kleine cijfers, latere uitgiften hebben grotere cijfers.

De Mexicaanse onafhankelijkheidsserie van 1910 werd in 1911 als dienstzegels heruitgegeven met opdruk OFICIAL, waaronder ook de Granaditas van 5 pesos. Deze zullen we voorlopig niet in de verzameling aantreffen wegens de prijs en de verkrijgbaarheid.

Bulgarije gaf op 14 februari een serie van 12 frankeerzegels uit met verschillende onderwerpen. Naast portretten van tsaar Ferdinand waren dat ook landschappen. Op de zegel van 30 stotinki zie je de binnenhof van het Rila-klooster, gelegen in het Rilagebergte zo’n 120 kilometer ten zuiden van Sofia. Het Rilaklooster is gesticht in de eerste helft van de 10’de eeuw door de  volgelingen van de kluizenaar Ivan van Rila (876-946), die in de orthodoxe kerk zijn feestdag heeft op 19 oktober. Rond zijn 25’ste verjaardag verliet hij zijn bestaan als herder om zijn leven aan God te wijden. Eenmaal monnik geworden, trok hij naar het Rila-gebergte waar hij de rest van zijn leven biddend in een grot sleet en wonderen verrichtte voor de lokale bevolking. Hiermee verkreeg hij een schare volgelingen die hun kampen in de buurt van de kluizenaarsgrot stichtten. Uit deze nederzettinkjes ontstond wat later een eerste klooster.

Het huidige klooster begon zijn bestaan in de 14’de eeuw, delen ervan zoals de Hreljatoren, genoemd naar de toenmalige bouwheer, en een kapel daarnaast, werden gebouwd tussen 1334 en 1340. Het complex breidde zich gaandeweg uit en in 1469 konden de resten van Ivan van Rila, die in Sofia rustten, overgebracht worden. In 1833 viel het klooster ten prooi aan brand, maar werd in de volgende 30 jaar herbouwd. In 1983 kwam het als nummer 216 op de Werelderfgoedlijst. Het fungeert nog steeds als klooster, maar er is ook een museum en het is nu een van de toeristische trekpleisters van Bulgarije.

Italië vierde zijn 50’ste verjaardag op 1 mei met een serie van vier toeslagzegels om de festiviteiten te ondersteunen. Op de zegels allemaal symbolische afbeeldingen, maar om de 5 centesimi gaat het hier. Te zien is hier een ruiter met paard. Het lijkt me meer iemand die het paard probeert te temmen, want hoe moet je opstijgen met een zwaard in je linkerhand. En waar laat je dat in al je blootheid. Enfin, daar gaat het verder niet om, wel om het gebouw op de achtergrond. Dit is het Senatorenpaleis in Rome, wat nu dienstdoet als stadhuis. Het staat aan het imposante Piazza del Campidoglio, het hart van een van de zeven heuvels waarop Rome gebouwd is. Direct achter het stadhuis ligt het Forum Romanum, dus we zijn hier in het werkelijk oude Rome.

Een senaatsgebouw was er al voor onze huidige tijdrekening, maar zoals dat wel vaker ging in de Middeleeuwen verviel dit gaandeweg. Een deel van het gebouw werd gebruikt als Tabularium, eigenlijk een eerste vorm van een stadsarchief, waar de belangrijkste documenten werden bewaard. Dit deel werd in de 12’de eeuw door de aanzienlijke familie Corsi van het stof ontdaan en omgebouwd tot hun eigen stadspaleis. Lag de hoofdingang ooit aan de kant van het Forum, nu kwam deze aan de andere kant.

In de tweede helft van de 16’de eeuw volgde een aanzienlijke verbouwing, die het paleis zijn huidige aanzicht gaf. De ontwerper van al dit moois was Michelangelo, onder wiens toezicht de dubbele trap ontstond en de inrichting van het plein, waaraan in deze tijd ook het Palazzo Conservatori en het Palazzo Nuovo (beide vormen nu het Capitolijns Museum) verrezen.

Nadat Rome definitief tot Italië was gaan horen na de verovering van het restant van de Kerkstaat in 1870 werd het Senatorenpaleis ingericht als stadhuis en dat is het tot de dag van vandaag.

Het andere bouwwerk, links van het paard, is de Mole Antonelliana, een opvallend gebouw in Turijn uit 1863, ooit bedoeld als synagoge, maar nu de behuizing van een filmmuseum. Turijn was vóór 1871 de hoofdstad van het in 1861 verenigde Italië en als waardering daarvoor is de Mole ook te zien op het euromuntje van 2 cent. In Turijn zijn alleen de drie koninklijke paleizen werelderfgoed. Daarover later.