1915 kende een toename van 62 zegels in 21 verschillende uitgiften en daarbij enkele nieuwe onderwerpen. Omdat ik maar 6 zegels in de collectie heb zal het merendeel van onderstaande en in het tweede deel in vogelvlucht behandeld worden.

Egypte

Dienstzegel uit 1915

Met een nieuw uitgegeven frankeerserie was het natuurlijk te verwachten dat er ook snel opdrukken zouden verschijnen, zodat er ook weer een voorraadje dienstzegels zou zijn. Drie lage waardes werden overdrukt. In oktober volgden nog eens drie zegels, waarvan er twee nog op de oude pyramidezegels.

Panama en de Kanaalzone

Panama bracht in totaal 10 frankeerzegels en 4 portzegels uit. Dit recent ontstane land, een voormalige provincie van Colombia, maar onder druk van de Amerikanen onafhankelijk geworden zodat zij de vrije hand hadden in de aanleg van het Panamakanaal, had tot dan toe vrijwel alleen landkaartjes van de Istmus (de smalle landstrook die Zuid- en Midden-Amerika verbindt) uitgegeven. Een portzegel met daarop een deel van de koloniale verdedigingswerken aan de Caribische kant van het land was de eerste zegel met werelderfgoed. Op 1 maart volgde een serie frankeerzegels ter gelegenheid van de Panama-tentoonstelling, die gehouden werd in verband met de opening van datzelfde Panamakanaal een jaar eerder. Hierop zien we ook landschappen en stadsbeelden van Panama met daarbij de kerkruïne van Panamá Viejo en de losstaande gevel van het Santo Domingo-klooster in het huidige stadshart.

De portzegel werd ten behoeve van de Canal Zone in maart van een zwarte en in november van een rode opdruk voorzien. De laatste kreeg daarbij ook de nieuwe waarde van 1 Amerikaanse cent.

Peru

Peru kwam met een serie opdrukzegels in kleine waardes van 1 en 2 centavos. Ook de 50 centavos uit 1910 met het postkantoor in Lima moest eraan geloven en kreeg een waarde van 2 centavos. Wel een vrolijk lettertype overigens, ik hoop de zegel ooit eens te laten zien.

Januari – Samos

In januari kwamen de laatste postzegels van Samos uit. Ook dit waren opdrukken om aan te geven dat het eiland nu echt wel bij Griekenland ingelijfd zou worden.

23 januari – Réunion

Ook opdrukken op dit Franse eiland. Deze waren bedoeld om in oorlogstijd het Rode Kruis te ondersteunen, horen tot de eerste in dat soort en werden in alle Franse koloniën toegepast. De eilandzegel van 10 centimes uit 1907 kreeg een zwarte opdruk van een kruis (tevens het +-teken) en de toeslagwaarde van 5 centimes. Op 5 februari werd de opdrukkleur veranderd in het meer toepasselijke rood.

Februari – Mexico

In Mexico bleef de revolutie voortduren. In februari was er een nieuwe versie van de GCM-opdruk op onder andere de Granaditas-zegel van 1911, maar in november werd het opdrukkencircus onderbroken door een drietal zegels met nationale symbolen waarmee een nieuwe zegel van 5 pesos geïntroduceerd werd, nu met het hoofdpostkantoor in het centrum van Mexico-Stad. De zegel zelf verscheen pas op 1 januari 1917.

April – Iran

Darius’ paleis in Persepolis

In Iran, toen nog officieel Perzië geheten, was er toch nog een soort van feestelijk moment voordat de ellende van alledag weer voortging. Perzië was dan weliswaar neutraal in de Eerste Wereldoorlog, dat wil niet zeggen dat er geen oorlog woedde. In het noordwesten, aan de grens met Azerbaidzian en in Iraans Azerbaidzian, werd gevochten om land en grondstoffen tussen de gecombineerde legers van Rusland en Brits-Indië, van Turken en Duitsers en van Perzië zelf. Het had een enorme genocide tot resultaat: 2 miljoen burgers kwamen om als gevolg van het geweld en de later uitbrekende hongersnood en het is dan ook terecht een inktzwarte bladzijde in de Iraanse geschiedenis.

Op 24 april werd de 16-jarige Ahmad Qajar tot sjah gekroond. Hij was na de afzetting van zijn vader in 1909 al tot leider van het land verklaard, maar nog te jong om de kroningsceremonie te ondergaan. Hij was een zwakke leider en omdat het met Perzië steeds verder achteruit ging door de voortdurende oorlogsinspanningen, werd hij op zijn beurt in 1921 officieus en in 1925 formeel ook weer afgezet. In 1930 stierf hij in zijn verbanningsoord Parijs en ligt begraven bij zijn familie in het huidige Irak.

De zegels in een serie van 17 hebben drie onderwerpen: de laagste 9 waardes hebben de keizerskroon als onderwerp en de volgende 4 een reliëf uit Persepolis, voorstellende Artaxerxes I op zijn troon. Artaxerxes was een zoon van Xerxes I en de zesde koning van Perzië uit de Achaemeniden-dynastie die tussen ongeveer 550 en 336 v.Chr. over het rijk regeerde. Ook vormden ze de 27’ste dynastie van farao’s in Egypte. Uiteindelijk bracht Alexander de Grote de Achaemeniden op de knieën.

De vier hoogste waardes, waarvan hierboven een voorbeeld, tonen het paleis van Darius I in Persepolis, dat in 1979 als nummer 114 werd ingeschreven op de lijst. Daarmee was het samen met twee andere sites de eerste van 24 die tegenwoordig ingeschreven zijn.

Persepolis werd in 518 v.Chr. gesticht door Darius I (550-487), die het Achaemenidenrijk, waarvan hij de derde koning was, tot zijn grootste omvang bracht. Persepolis was niet, zoals de vertaling uit het Grieks doet vermoeden, een stad, maar meer een verzameling paleizen in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde grotere huidige stad, Shiraz, ligt op 70 kilometer. Het diende dan ook slechts als een soort ceremoniële hoofdstad van Perzië, die alleen bij festiviteiten bezocht en bewoond werd. Een voorbeeld is Nowruz, het traditionele nieuwjaar volgens de Perzische tijdrekening. Van het complex zijn uiteraard alleen nog ruïnes over die nationaal en internationaal tot de grootste trekpleisters van Iran horen. Ook in Streetview is het te bezoeken en zeker de moeite waard.

De serie werd tegelijkertijd uitgegeven met opdrukken om te dienen als dienstzegels (‘SERVICE’ in het Frans en in Farsi) en als pakketzegels (idem met ‘COLIS POSTAUX’). In september volgden nog 15 van de 17 zegels met opdruk ‘BUSHIRE Under British Occupation’. Deze serie is zeer zeldzaam en peperduur (mits echt, wat maar zelden zo is!) en werd alleen kort gebruikt tijdens de Britse bezetting van deze havenstad aan de Perzische Golf. In oktober heroverden de Iraniërs het weer.

 

Dienstzegels Egypte 1913-14

 

Het jaar 1914 tikte voor het eerst de 50 zegels aan met onderwerpen die het Werelderfgoed betreffen. In het eerste deel behandel ik Egypte en een beetje onbereikbaar Mexico.

Rond de jaarwisseling verschenen de laatste oude piramidezegels met opdruk om als dienstzegel gebruikt te worden. Op 1 november 1913 was dat de 5 millièmes met opdruk O.H.H.S. (On His Highness’ Service) in 1914 gevolgd door de 2 en de 4 millièmes met daarnaast een Arabische vertaling van de afkorting.

Op 8 januari verscheen een nieuwe reeks frankeerzegels, voor het eerst in ruim 40 jaar met andere onderwerpen dan de piramides van Gizeh. Daarbij werden de Franse inschriften van de voorgaande zegels vervangen door Engelse.

De 10 zegels hadden dit keer 10 verschillende onderwerpen, waarvan er 6 gewijd zijn aan werelderfgoed, daarmee een behoorlijk deel van het arsenaal in Egypte afdekkend. Het gaat om de nummers 86 tot en met 89.

  • 86: de piramides in de omgeving van Memphis, met onder andere Gizeh en de oude trappenpiramide van Djoser in Saqqara.
  • 87: de monumenten van Thebe zoals de tempels van Luxor en Karnak.
  • 88: de monumenten aan de Nijl in Aswan en ten zuiden daarvan, zoals de tempel op het Nijleiland Philae en Abu Simbel nabij de grens met Soedan. Deze waren met name onderwerp van de UNESCO-actie tot behoud ervan in de eerste helft van de jaren 60 en zijn toen wereldwijd op postzegels gekomen. Dit is te vergelijken met een soortgelijke actie voor Venetië circa 1972.
  • 89: de historische binnenstad van Cairo en zijn citadel.
  • 90: de christelijke bedevaartplaats Abu Mena nabij Alexandrië. Deze werd ook in 1979 toegekend, maar kwam pas in 1997 voor het eerst op een postzegel van de Centraalafrikaanse Republiek voor en later in aan UNESCO-werelderfgoed gewijde series van de Verenigde Naties. Egypte zelf deed hier nooit iets mee.

De waardes liepen uiteen van 1 tot en met 200 millièmes. Op de kleinste waarde zien we enkele zeilschepen op de Nijl, die van 2 millièmes de afbeelding van een Cleopatrareliëf uit de tempel van Dendera. Dit ligt ten noorden van Luxor, maar is geen werelderfgoed. Op de oranje 3 staat het Ras-el-Tin-paleis in Alexandrië, dit is een van de residenties van het staatshoofd, gebouwd tussen 1834 en 1845 op een landtong in de haven.

4 en 5 milliemes: de piramides en de sfinx

De 4 millièmes is de eerste van belang en laat alle drie de piramides van Gizeh zien. Tot nu toe werd allen die van Chefren getoond. Op de 5 zien we van deze piramide nog maar een klein stukje, want de rest van het zegelbeeld wordt ingeruimd door een frontale afbeelding van de Sfinx.

10 milliemes: De Kolossen van Memnon

Met de 10 millièmes gaan we naar het oude Thebe, waar zoals gezegd zich de tempelcomplexen van Luxor en Karnak bevinden. Deze staan op de oostelijke oever van de Nijl, terwijl de eveneens zeer bezienswaardige tomben van de farao’s aan de andere kant liggen in de zogenaamde Vallei van de Koningen met centraal daarin de Tempel van Hatsjepsoet.

Onderweg tussen de twee kom je bovenstaande reusachtige beelden tegen. Het zijn de Kolossen van Memnon, twee 18 meter hoge beelden die ooit deel uitmaakten van de Dodentempel van Amenhotep III. Deze farao uit de 18de dynastie leefde tussen geschat 1388 en 1351 voor Christus en na zijn dood werd een tempel opgericht. De uitgekozen plek was niet goed gekozen, al binnen een eeuw had de wispelturige Nijl al een groot deel van het bouwwerk verwoest en navolgende bouwmeesters gebruikten dat wat ze konden redden voor de tempels van latere farao’s. Het enige wat restte waren de beelden, van wie niemand weet wie ze eigenlijk voorstellen. Men dacht dat de Ethiopische koning Memnon er iets mee te maken had, maar dat is nooit aangetoond.

In de Romeinse tijd was een van de beelden beroemd vanwege een fluittoon die het produceerde. Dit was ontstaan na een aardbeving en had vermoedelijk te maken met de overgang tussen de koudere nacht en de hete dag. Na een restauratie door keizer Septimius Severus in het jaar 200 hield het fluiten op.

20 milliemes: tempel van Chonsoe, Karnak

Op de 20 millièmes gaan we weer terug naar de overkant en Karnak, tegenwoordig een stadsdeel van Luxor. Hier staan verschillende tempels en de postzegel toont in dit geval de toegangspoort van de tempel van Chonsoe, gebouwd door de laatste ‘grote’ farao Ramses III in de 12’de eeuw v.Chr. en gewijd aan het maankind Chons uit de Egyptische mythologie, zoon van Amon en Mut, aan wie ook tempels gewijd zijn (Amon figureerde in de James Bondfilm The spy who loved me uit 1977). De toegangspoort die we hier zien is overigens pas gebouwd in de tijd van Ptolemaeus III, die ruim 9 eeuwen later regeerde.

50 milliemes: citadel van Cairo

Voor de 50 millièmes gaan we naar Cairo. Helaas niet de mooiste zegel, maar we krijgen wel een mooi beeld van de hooggelegen vesting met daarop de Mohammed Ali-moskee. De citadel werd tussen 1176 en 1183 aangelegd onder het bewind van sultan Salah-ad-Din, die we beter kennen als Saladin, die in 1187 met succes de kruisvaardersstaten te lijf ging, wat een keerpunt was in het streven om het christendom weer de belangrijkste religie van het oostelijk Middellandse Zeegebied te maken.

Een van de uitvalsbases van Saladin was Cairo, een toen nog vrij jonge en onbetekenende stad, maar een uitloper van de Mokattam-berg was uitermate geschikt om de verdediging van het omliggende land op te organiseren. Vervolgens was dit de belangrijkste residentie van iedere leider van Egypte tot het einde van de 19’de eeuw.

De moskee die prominent in beeld is, is de Mohammed Ali-moskee, tussen 1830 en 1848 gebouwd in opdracht van wali Muhammad Ali, onder wie Egypte voor het eerst als een autonome staat binnen het Ottomaanse Rijk geregeerd werd. Voor de bouw liet hij overigens een flink deel van de oude nog veelal middeleeuwse stadswijk afbreken. Voor de bouwstijl keek (de vermoedelijke) architect Yusuf Boshnak vooral naar Turkse voorbeelden. Al met al geen topstuk, maar in ieder geval goed genoeg om een toeristische trekpleister in de stad te zijn.

100 millièmes: de Grote Tempel van Ramses II

De laatste waarde die ik bespreek is de 100 millièmes. Hiervoor gaan we naar Aboe Simbel in het zuiden van Egypte. Op de zegel zien we de Grote Tempel van Ramses II, die farao was tijdens de 19’de dynastie. Hij regeerde maar liefst 66 jaar over Egypte en haalde de voor die tijd enorme leeftijd van 90. Hij was de belangrijkste farao van zijn dynastie en na zijn dood was het in 20 jaar afgelopen en begon dynastie XX, waar Ramses III de belangrijkste was. Ze waren geen familie.

De Grote Tempel is een bijzondere. In plaats van het bouwen op een plat vlak werd deze uit de rots gehouwen. De ingang wordt bewaakt door vier levensgrote beelden van de farao die opdracht gaf tot de bouw, die plaatsvond tussen 1264 en 1244 v.Chr. Generaties na Ramses III verlieten het complex. Zoals ik al schreef had Ramses II zijn machtsbasis in Luxor. In 1813 vond de Zwitser Johann Ludwig Burckhardt (1784-1817) de inmiddels door Saharazand overstuifde tempel.

Met de komst van Gamal Abdel Nasser kwamen ook grote projecten van de grond, zoals de bouw van de nieuwe Aswandam. Deze liet de Nijl zo hoog stijgen dat Aboe Simbel dreigde onder water te komen. Als gevolg van de UNESCO-actie voor de redding van de Nubische monumenten werd tussen 1964 en 1968 het hele complex in stukken gezaagd, 200 meter het binnenland in verplaatst en weer opgebouwd.

De hoogste waarde van 200 millièmes herinnert aan de eerste Aswan-dam, in 1902 voltooid dankzij Britse kennis en financiën.

Wat was er verder nog te beleven in 1914? Mexico was verwikkeld in een al bijna eindeloze reeks revoluties en tegencoups, begonnen in 1910 tegen de liberale dictatuur van Porfirio Díaz (1830-1915) – het zogenaamde Porfiriaat – door de aanhangers van de nog liberalere hervormer Francisco Madero (1873-1913). Complexer werd het toen Madero’s medestanders, volksleiders Emiliano Zapata (1879-1919) en Pancho Villa (1878-1923), zich van hem afkeerden en voorlopig aan het langste eind trokken. In het voorjaar verscheen de Granaditas-zegel uit 1911 met opdruk van monogram GCM, in het najaar met de opdruk GOBIERNO CONSTITUTIONALISTA. Verder waren er op dezelfde zegel nog lokale opdrukken uit de provincies Chihuahua, Culicán, Monterrey en Sinaloa. Deze laatste komen vrijwel alleen ongebruikt voor en veel te duur om te vinden en te kopen. Nog erger is het gesteld met dubbele opdrukken die vanaf december verschenen op zowel de Granaditas als de kathedraal van Mexico-Stad uit 1899.

Ten slotte, op 2 januari, startte Malta met een serie portretten van koning George V, de eerste van dit eiland. Omdat de 1/4 penny dit keer gereserveerd was voor de koning zelf en men toch de haven van Valletta wilde afbeelden, kreeg deze de waarde van 4 pence. Deze zegel kwam pas eerst in augustus 1915 uit, maar hoort dus bij de serie. Waarvan akte.

Volgende keer staat Turkije centraal.

Recent zijn de volgende zegels in de collectie toegevoegd (tot en met 1907)

Egypte 1872

Kaap de Goede Hoop 1902

Tunesië 1906

Tunesië 1906

Het jaar 1907 werd het drukste tot dan toe, maar liefst 33 zegels konden bijgeschreven worden en daarvan heb ik de helft, terwijl de andere helft dan weer niet tot de mogelijkheden behoort, vrees ik. Het totaal zou de 300 overschrijden. Even ter vergelijking: bij de inventarisatie ben ik in 1954 en heb er zo’n 6300 geteld, dus in 1907 zaten we tegen de 5 % van 1954.

Dienstzegels van Egypte, tweede uitgifte

In ieder geval geen probleem is zijn de dienstzegels van Egypte die dit jaar verschenen, die heb ik dan weer allemaal. Allemaal netjes overdrukt met O.H.H.S., oftewel On His Highness’ Service, waarmee de khedive werd bedoeld, in deze jaren Abbas II (1874-1944). Abbas regeerde van 1892 tot 1914, toen hij door de Britse regering afgezet werd en vervangen door een kandidaat die de geallieerden in de Eerste Wereldoorlog wél zou steunen. Ze vonden Hoessein Kamel, oom van de afgezette Abbas, en die kreeg als eerste de eretitel sultan.

Dominica kwam met een heruitgave van de serie ‘Gezicht op Roseau’ van 1903, wederom 9 stuks, aangevuld met een hoogste waarde gewijd aan koning Edward VII. Ze hadden het nieuwe watermerk ‘Kroon CA meervoud’. Evengoed zijn ze slecht te vinden en ik heb er dan ook nog geen één van. In 1908 komt er zelfs alweer een derde uitgave.

Ook een serie die niet vaak aangeboden wordt zijn de eerste dienstzegels van Nieuw-Zeeland. De bekende landschapjes werden overdrukt met een verticale opdruk OFFICIAL. De 1/2 penny en de 2 pence hebben helemaal geen moeilijke waarde, dus vreemd is het wel. de 2 en de 5 shillings liggen inderdaad niet binnen mijn bereik voorlopig.

Standbeeld van Simon Bolivar in Lima

Beter gaat het met de nieuwe serie frankeerzegels in Peru. Het gaat hier voornamelijk om portretten en standbeelden van Zuid-Amerikaanse beroemdheden, een lama en enkele gebouwen in Lima, die niet binnen de grenzen van het werelderfgoed vallen. Twee zegels horen er wel bij. De eerste is de 5 centavos met het standbeeld van Simon Bolivar, die ook hier enkele jaren president was. Dit ruiterbeeld staat op het officieuze Plaza Bolivar, want het parkje ligt tussen vier andere straten. Bolivar was hier van 1824 tot 1827 de dictator, die zowel de politieke als de militaire leiding had. In dit stuk besprak ik al zijn andere levensfeiten.

De andere zegel van belang uit de serie, van 50 centavos, laat het postkantoor zien, dat in 1907 10 jaar bestond en wat ik in 1897 al besprak. Deze zegel heb ik nog niet.

Eilandkaart van Réunion

Réunion startte in 1907 een nieuwe serie waarop de plaatselijke ‘pitons’ een plaatsje hebben. Het eiland, ook toen al nauw verbonden met het Franse moederland en nu een overzees departement met Franse postzegels, gaf al in 1851 de eerste provisorische postzegels uit en tot 1907 bestond het uitgiftebeleid uit hete gebruikelijke nieuws van Franse koloniën: een variant van de Franse Paix et Commerce en vele opdrukken. In de eerste jaren van de 20’ste eeuw veranderde dat beleid en verschenen in de vele overzeese gebieden nieuwe eigen series met eenvoudige ontwerpen. In Réunion was dat een landkaart met daarop duidelijk het reliëf aangegeven waarmee het in 2010 op de Werelderfgoedlijst als nummer 1317 werd ingeschreven. Dit betrof de waardes van 1 centime tot en met 15 centimes. In al hun eenvoud een aandachttrekker voor toeristen en het zal allicht geholpen hebben wat kapitaalkrachtiger en avontuurlijker Fransen naar het eiland te lokken.

Gezicht op St. Pierre

De tussenwaardes toonden de haven van Saint-Dénis, de hoofdplaats van het eiland, maar de hoogste waardes van 1, 2 en 5 francs tonen een blik op het aan de zuidkant van het eiland gelegen Saint-Pierre zien met op de achtergrond de vulkaan Dolomie, beter bekend als de Piton de Fournaise, de meest ruige van het eiland. Op het kaartje van de zegels hierboven kun je precies zien waar Saint-Pierre en de Fournaise liggen!

De eerste expressezegel van San Marino

De rest van de zegels van het jaar komen uit San Marino. Op 25 maart kwam er de eerste expressezegel uit. Dit soort zegels was wereldwijd sowieso een nieuwigheid *) en het is daarom verrassend dat het kleine republiekje er al zo vroeg in de geschiedenis mee kwam. Opmerkelijk aan de rechterkant de Italia met de ‘muurkroon’ (Italia Turrita), die we van vele Italiaanse naoorlogse zegels kennen en nog opmerkelijker de bijl in een pijlenbundel, in een tijd dat Mussolini nog een simpel schrijvertje van socialistische brochures was en bijna 15 jaar voordat hij de fasces tot beeldmerk van zijn eigen, al lang niet meer socialistische beweging had gemaakt. Uit alles blijkt dat de zegel vooral voor het verkeer naar Italië bedoeld was.

Uitgifte mei 1907

Ten slotte nog twee andere zegels, die op 1 mei het licht zagen in de waardes van 1 centesimo en 15 centesimi met centraal het wapenschild omringd door hulst- en eikenloof. Van dit serietje zijn twee versies. De eerste versie kwam uit Italië van het Officina Calcografica Italiana, die verantwoordelijk was voor de Italiaanse postzegelproductie in de eerste 10 jaar van de eeuw. Een tweede versie kwam van het Romeinse Tipografia Petiti, met name in de jaren 1919 tot 1923 actief

 

*) De Verenigde Staten gaven in 1888 de eerste uit, de eerste Europese expressezegel verscheen in Italië in 1903

Na een weinig opzienbarend 1905 was 1906 ineens een stuk leuker. Er waren slechts 12 zegels maar daar heb ik er wel 10 van en ook het aantal nieuwe onderwerpen was ‘groot’ (vier stuks). Dit verhaal wordt dan ook weer in tweeën gesplitst, waarbij vandaag aandacht voor Egypte en Tunesië.

Het begon met een oude bekende uit Egypte. Deze kennen we nog in dezelfde kleur en met de waarde van 5 millièmes. Het zou de laatste nieuwe waarde in deze serie worden, voordat in 1914 een nieuwe serie zou verschijnen.

Een nieuwe ster aan het firmament was Tunesië. Dit land was in 1881 een protectoraat van Frankrijk geworden en gaf vanaf 1888 ook postzegels uit, allemaal met het wapen van de bey, de hoogste gezagsdrager van Tunesië tot het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1956.

In 1906 kwam daar verandering in met een serie van 15 zegels met 4 verschillende motieven.
De eerste vier zegels met de kleine waardes van 1, 2, 3 en 5 centimes tonen de moskee van Kairouan, zoals op drie daarvan getoond.

Moskee van Kairouan

Kairouan is een stad in centraal Tunesië, die voor het eerst vermeld werd in het jaar 670, kort na de stichting van het Kalifaat van de Ummayaden, die enkele decennia later ook over Spanje zouden heersen. De stad verwierf al gauw faam vanwege zijn koranscholen en was in religieuze zin de derde stad van de toenmalige soenitische moslimwereld, na Mekka en Medina. Centraal stond de Grote Moskee ofwel de Uqba-moskee, vernoemd naar de stichter van de stad Uqba ibn Nafi (622-683). De bouw startte in dezelfde tijd, maar het grootste deel van het werk werd geleverd en voltooid tussen 836 en 862. Kairouan zou zijn status als middelpunt van de moslimwereld houden tot het midden van de 11’de eeuw, toen deze rol door Tunis overgenomen werd. Deze stad bestond al veel langer en had zijn bekendheid met name te danken het nabijgelegen Carthago, waar ik zo op terug kom.

De postzegel toont een tweetal Arabieren op het grote binnenplein van de moskee met de plompe vierkante minaret – de oudste nog bestaande ter wereld! – aan de noordzijde. Het ontwerp van de zegels is van de in Noord-Afrika werkzame kunstschilder Louis-Jules Dumoulin (1860-1924), de zegels werden in plaat gezet door Jules-Jacques Puyplat (1843-1916), die verantwoordelijk was voor bijna iedere Franse koloniale postzegel. Hun namen zijn vereeuwigd onderaan de postzegels.

Op de postzegels van 10, 15, 20 en 25 centimes zien we een Arabier en een Fransman samen aan een ploeg. Dat dit wel een erg romantische weergave van de vaak moeilijke relatie tussen kolonie en kolonisator is mag duidelijk zijn…

De volgende set van vier betreft de 30, 35, 40 en 75 centimes. Hierop vinden we de restanten van een aquaduct uit de tijd van keizer Hadrianus (die van de Hadrian Wall) nabij Zagouan, zo’n 30 kilometer ten zuiden van Tunis. Dit staat sinds 2012 op de ‘tentative list’, maar voorlopig zullen we deze Romeinse monumenten nog niet op de echte lijst tegenkomen.

De drie hoogste waardes zijn gewijd aan Carthago. Wie aan Tunesië denkt zal mogelijk in de eerste plaats aan dit oude wereldrijk denken. Carthago werd in de 9’de eeuw voor Christus gesticht door Fenicische handelaren  en wist zich gedurende de volgende eeuwen gestaag uit te breiden over het hele westelijk Middellandse Zeegebied. De kusten van heel Noord-Afrika en Zuid-Spanje hoorden ertoe en ook de Balearen (Ibiza, Mallorca en Menorca), Sardinië, Corsica en Sicilië hebben tot het Carthaagse rijk gehoord. De macht van de Carthagers was een doorn in het oog van het opkomende Romeinse Rijk en dat leidde tot de Punische Oorlogen waarvan de eerste uitgevochten werd tussen 264 en 241 voor Christus. Tijdens deze oorlog werd Sicilië veroverd door de Romeinen. In de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr) veroverden de Romeinen het Iberisch schiereiland op de Carthagers na een moeizame strijd waarvan het optreden van generaal Hannibal Barca door velen herinnerd wordt. Hij trachtte Rome via een omslachtige route via het noorden aan te vallen en trok met een leger olifanten over de Alpen. Dankzij Hannibal wist Carthago lange tijd aan het langste eind te trekken, maar het voortdurend uit de weg gaan van de strijd was uiteindelijk in het voordeel van de Romeinen.

De Derde Punische Oorlog bracht ten slotte de nekslag voor Carthago. Rome was een stad geworden met zo’n 400.000 inwoners en om die te voeden moesten nieuwe landbouwgronden gevonden worden. Die waren in Carthago ruim voorhanden en een factie onder leiding van Cato de Oude (234-149) wilde daarom wederom ten strijde trekken om de staat definitief te veroveren. Aan Cato wordt de uitspraak ‘Ceterum censeo Carthaginem esse delendam‘ (Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden) toegeschreven. Naar verluid eindigde hij iedere speech voor de senaat ermee. 

Cato overleed in het jaar dat de oorlog uitbrak, maar het resultaat zou hem zeker tevreden gesteld hebben: binnen drie jaar hadden de Romeinen zijn vurigste wens uitgevoerd en was Carthago in puin achtergebleven. De restanten zijn nog steeds terug te vinden en werden in 1979 ingeschreven op de Werelderfgoedlijst onder nummer 37.

Op de postzegels zien we waarmee de Carthagers hun brood verdienden, de zeehandel. De Carthaagse schepen waren wereldberoemd en werden later door de Romeinen gekopieerd. Ze waren door een gewiekste combinatie van wind- en spierkracht tamelijk snel en wendbaar. Het plaatje van de postzegel (wederom van Dumoulin en Puyplat) suggereert dat er maar 54 roeiers nodig waren, uitgaande van drie per riem, waarvan we er negen zien aan deze kant. Aan de zijkanten van de zegel enkele beeltenissen die aan Carthago gelinkt worden. Links is een staande versie van de beeltenis van een sarcofaagdeksel zoals te vinden in het Carthaags museum. Het rechter beeldje is niet te traceren. Verder zien we links bovenin een Carthaagse munt met daarop een paard. Andere symbolen verwijzen naar het Tunesië van rond 1900.

In het andere deel ga ik naar Griekenland, Haïti en Bosnië. Slechts vier zegels met drie verschillende verhalen.

 

Egypte: drie aanvullende waarden

1891 was het allerlaatste jaar dat er géén werelderfgoed op postzegels verscheen, dat is opmerkelijk gezien het feit dat er toen wereldwijd bijna 700 postzegels verschenen, wat een nieuw record was. Het huidige topjaar is 2013, toen meer dan 19.000 verschillende zegels van de persen kwamen. In 1892 werd de grens van de 1000 bereikt.

In dat jaar waren er drie uitgiftes met een totaal van 17 zegels. Allereerst weer 3 aanvullende waardes in Egypte. In januari een zegel van 3 millièmes in lilabruin en in augustus 1893 nog een 3 millièmes, nu in geel alsmede een oranjebruine 2 piaster. Deze zegels waren in een stuk helderder kleuren gedrukt dan de meestal wat valig getinte exemplaren van voorgaande uitgiften.

San Marino: opruimingsopdrukken op zegels van 1877

Zoals vorige keer al aangekondigd, ruimde San Marino een paar waardes uit de serie van 1877 op, namelijk de 10, 20 en 30 centesimi. Dit gebeurde in juni met opdrukken van 5 op 10 en 30 centesimi, in juli en september gevolgd door twee verschillende opdrukken van 10 op de 20 centesimi. Compleet gave opdrukken bestaan er eigenlijk niet, zie bijvoorbeeld de ‘m’ bij het linker zegel, die eerder bestaat uit drie streepjes. De oplagen waren vrij klein, met op zijn hoogst 40.000 stuks voor ieder van de beide zegels van 10 op 20.

San Marino 1892-94, 12 aanvullende waarden

Vanaf 10 juli volgde de vervanging van de zegels van 1877 en 1890, met een eerste reeks van 5 in de waardes 5, 30, 40, 45 centesimi en 1 lire. Zes andere waardes, van 2 (de drukwerkzegel), 10, 15, 65 centesimi, 2 en 5 lira volgden in april 1894. De zegels van 15 centesimi en 2 lire zoals afgebeeld zijn wat hoger geprijsd in de catalogus, dus daar ben ik blij mee ze te hebben. De grote ramp om aan te komen is wel de 1 en in mindere mate de 5 lire. Dat wordt dus weer sparen.

Na de terugtrekking van Napoleon uit Egypte ontstond een machtsvacuüm in het land van de piramides. Dit werd in 1805 opgevuld door een eigenzinnige gouverneur van Macedonische afkomst: Muhammad Ali. Onder zijn leiding kreeg Egypte een min of meer zelfstandige status, nog slechts losjes bestuurd vanuit Constantinopel.

In 1834 voerde hij een van het moederland afwijkende munteenheid in: het Egyptisch pond, deze bestond uit 100 piasters die op hun beurt weer verdeeld waren in 40 paras. Zolang de prijzen laag waren en het pond nauwelijks circuleerde was die hoeveelheid kleingeld niet zo’n probleem, maar ruim 50 jaar later kwam er een kleine verandering: de 40 paras werden vervangen door 10 millièmes, letterlijk duizendsten van een pond. Tot 1982 werd de piaster verder zo’n beetje genegeerd, maar daarna verdwenen juist de millièmes uit het zicht.

De munten en postzegels moesten natuurlijk mee en in de laatste categorie verschenen in 1888 drie nieuwe zegels, een bruine 1, een groene 2 en een rode 5, welke laatste overeenkwamen met de oude waardes van 5 en 10 paras. Tevens was er een kleine typeverandering want de Arabische schrifttekens wisselden van plaats met de Latijnse, dus de tekst POSTES EGYPTIENNES ging van boven naar onder en ook de waardeschildjes wisselden van plaats. Een latere verandering – in 1902 – was de keuze van zogenaamd gestreken papier, waarbij het papier een coating krijgt waardoor het glanzend overkomt. Door de coating krult een postzegel meestal een beetje op.

Op 1 januari 1889 werd het arsenaal aangevuld door een lila of paarse zegel van 10 piaster. Het was de enige zegel van dat hele jaar, vandaar dat ik deze in een moeite door bespreek. Deze zegel verscheen in een afwijkend kader. Tot het einde van de levensduur van de serie in 1914 kwamen er geen nieuwe kaders meer.

Dat de inflatie intussen gestaag voortging blijkt wel uit het feit dat in 1924 de grote doorbraak bereikt werd, de eerste postzegel van een pond, met portret van koning Foead, de achterkleinzoon van Muhammad Ali.

Ook 1890 was geweid aan 9 bekende zegels uit 2 bekende series van 2 bekende landen. Daar kort aandacht voor de volgende keer.

Egypte trapte af, zonder te weten dat 111 jaar later er een lijst ontstond, waarop ieder cultureel of natuurlijk monument een plaats kon krijgen: de Werelderfgoedlijst van UNESCO, een van de kerndelen van de Verenigde Naties en opgericht in 1946 met Parijs als hoofdzetel.

Egypte heeft zonder meer een van de oudste erfgoederen in bezit. Ooit waren de piramides onderdeel van de 8 Wereldwonderen van de Oude Wereld en zijn deze de laatst overgeblevenen van deze bijzondere voortbrengselen van de menselijke geest. Inmiddels zijn er oudere vormen van beschaving gevonden, zoals de neolithische tempels op een eiland als Malta, die waarschijnlijk zo’n 5.500 jaar oud zijn, veel ouder nog dan een Stonehenge en ook een stukje ouder dan het Egyptisch wereldwonder.

De omschrijving van Werelderfgoednummer 86 luidt, verkort: ‘Memphis and its Necropolis – the Pyramid Fields from Giza to Dahshur’. Wanneer je op de kaart kijkt blijken dit vooral de drie piramides van Gizeh te zijn en een stuk zuidelijker, bij Saqqara, de piramide van Djoser. Wanneer je het gebied nauwkeuriger bekijkt komen er nog een paar andere plaatsen tussendoor en ten zuiden van Djosers piramide in aanmerking, zoals de knikpiramide van Snofroe (ca 2600 v.Chr en de oudste van allemaal), de Rode piramide en de tamelijk primitieve piramide van Amenemhat III (ca. 1800 v.Chr), die bij Dahshur te vinden zijn. die echter nooit op een postzegel verschenen zijn. Zelfs Egypte bleek hierin behoorlijk eenkennig: de piramides van Gizeh waren hét visitekaartje, dat ‘ding’ van Djoser werd pas eerst in de jaren 70 afgebeeld. Net als andere – piramideloze – grafvelden die aan de rand van de Nijlvallei te vinden zijn.

De eerste serie bevat 6 zegels. Gemiddeld gezien zijn ze redelijk verkrijgbaar in goede kwaliteit. Alleen aan de 5 piaster hangt een groter prijskaartje. Ik heb er tot nu toe drie aan de verzameling toe kunnen voegen. Wat heel fascinerend is, ik noemde dat in eerdere stukken al, is het menselijke portret van de sfinx zoals dat door de ontwerper, een zekere F. Hoff, is getekend. Wat ik ook heel opmerkelijk vind zijn de zuilen links en rechts op de zegel. Links lijkt me een papyruszuil, een veelgebruikt zuilentype in de Egyptische architectuur, waarvan in Karnak nog mooie voorbeelden te zien zijn. Aan de rechterkant zie je een obelisk, wat eigenlijk hoort tot de vroegste vormen van geschiedschrijving ter wereld: na de dood van een farao werden deze opgericht om zijn leven in hiëroglyfen op te tekenen. De grote ‘obeliskenfabriek’ was bij Aswan, waar de roze zandsteen uitstekend geschikt was om dergelijke objecten uit te houwen. Eigenlijk verwijzen deze postzegels dus naar een belangrijk deel van de oud-Egyptische cultuur.

Over de inschriften: de landsnaam (boven) en de volledige waardeaanduiding (onder) staan er alleen in het Arabisch in. De letters P en E geven niet zoiets aan als Postes Egyptiennes, maar zijn een afkorting van P(iastr)E,  de munteenheid dus. Franstalige inschriften kwamen pas in 1879 in zwang. Opmerkelijk is ook dat de waardeaanduiding alleen in modern-Arabische cijfers gesteld zijn. Ook dat veranderde in 1879, toen de cijfers ‘tweetalig’ werden.

 

Volgende keer: het jaar 1868

Ook interessant: deze 2-delige Zwitserse documentaire van begin dit jaar

 

Youtube-links bij dit artikel:
De wonderlijke Egyptische piramides – RTL TRAVEL (2014, 3:47)
Egypte, de piramiden (2017, 11:53)
Het Echte Doel van Piramides Eindelijk Ontrafeld?! (2019, 11:35)
The Pyramids of Egypt – How and Why – Naked Science Documentary (2016, 50:23)
The Great Pyramid Construction Theories That Made EVERYONE Sit Up and Take Notice (2019, 34:42)
In Search Of History – The Sphinx Of Egypt (1997, 43:44)
Egyptian Sphinx – Secrets of the Sphinx revealed (2017, 46:16)