Dominica gaf in 1908 de derde versie van zijn serie Gezicht op Roseau uit. Deze keer in andere kleuren, die in de catalogus worden omschreven als Nyasakleuren. Wat hiermee bedoeld wordt is niet helemaal duidelijk, zeker gezien de afstand tussen het West-Indische eiland en de toenmalige Britse kolonie in zuidelijk Afrika, die we nu kennen als Malawi. Nyasaland gaf pas eerst in 1908 postzegels uit, wel in dezelfde kleurstelling.

Maar goed, een geluk bij een ongeluk: de verkrijgbaarheid is iets hoger en zowaar: ik heb er een! Deze zegel is meestal wel voor hooguit een paar dubbeltjes te vinden, maar toch.

Net zoals St. Lucia en Réunion is Dominica op de werelderfgoedlijst gezet vanwege zijn pitons. Dat gebeurde in 1997 onder nummer 814 en daarmee was dit eiland de eerste (St. Lucia volgde in 2004, Réunion in 2010). Officieel heet het park Morne Trois Pitons en het werd geopend in 1975. Prominent op de zegel is Watt Mountain (alias Morne Watt) te zien, met 1224 meter de derde hoogste berg van Dominica. De hoogste, Morne Diablotin, ligt buiten het park op het noorden van het eiland, terwijl de Morne Trois Pitons, waar het park naar vernoemd is, niet zichtbaar is, tenzij dat de verhoging is aan de linkerkant van het zegelbeeld. Nabij Morne Watt vind je twee bijzondere aandachttrekkers: het zogenaamde Boiling Lake, waar het water constant tegen het kookpunt is en dodelijke vulkanische gassen af en toe opstijgen. Het werd voor het eerst gezien door buitenstaanders in 1875, toen een zekere Edmund Watt (ja die…) onderzoek deed in het gebied. Vlakbij Boiling Lake ligt de Valley of Desolation, prachtig, maar zonder gedegen voorbereiding kan een bezoek dodelijk uitpakken.

Zanzibar was in 1908 vrij nieuw in de postzegelwereld, in 1895 kwamen de eerste zegels uit, zegels van India en Brits Oost-Afrika met opdruk, in 1896 gevolgd door het portret van de regerende sultan. In 1908 was dat Ali bin Hamoud (1884-1918). De hogere waardes tonen het sultanspaleis in Stone Town, maar deze rupeewaardes, 7 stuks maar liefst, werden slechts in kleine oplages uitgegeven, grotendeels voor fiscale doeleinden gebruikt en zijn voor de gewone portemonnee onbetaalbaar.

Op 14 juli gaf Brazilië twee zegels uit voor verschillende doeleinden. De eerste, hier rechts te zien, vierde het eeuwfeest van het openstellen van de Braziliaanse havens voor niet-Portugese schepen. De opening van de havens hield ook nauw verband met het verhuizen van het Portugese hof naar Rio vanwege de oorlog op het Iberisch schiereiland, wat in november 1807 plaatsvond. Napoleon zou op 1 december van dat jaar Lissabon bezetten, dus ze waren maar net op tijd weg en zouden er deels tot 1821 blijven, toen Brazilië als keizerrijk onder Pedro I verder zou gaan en Portugal Maria II als koningin kreeg.

Dat een en ander groots gevierd werd blijkt wel uit de enorme hoeveelheid informatie die op de zegel te zien is en voornamelijk allegorisch van aard is. Naast landsnaam, waarde-inschrift en jaartallen zien we de portretten van koning Carlos I en president Afonso Pena. Wat de eerste betreft: de koning was niet op de viering aanwezig en zelfs op het moment van uitgifte van de zegel geen koning meer, aangezien hij op 1 februari 1908 in een republikeinse poging tot een coup werd vermoord. Ook Pena zou het niet lang meer maken, hij overleed op 14 juni 1909, 61 jaar oud, in het harnas.

Links en rechts staan de wapenschilden van Portugal en Brazilië. Verder zien we verpersoonlijkingen van Portugal en Brazilië in de vorm van een geharnaste conquistador en een vrouwenfiguur gehuld in een doek met sterren en iets wat lijkt op de moderne vlag met de hemelglobe waarin het Zuiderkruis een prominente plaats inneemt. Op de achtergrond voor die tijd moderne schepen, feestelijk versierd met vlaggen. En achter het laatste schip rechts, ja hoor, het is even zoeken: de Pão de Açucar.

Deze staat duidelijker in beeld op de andere zegel, uitgegeven voor de nationale tentoonstelling van Rio de Janeiro, die op 11 augustus 1908 stond te beginnen, overigens om de gebeurtenissen van een eeuw eerder nog eens te benadrukken en ook werd het eeuwfeest van de Botanische Tuinen van Rio, waar een deel van het programma werd uitgevoerd, gevierd. Het begon allemaal een maand te laat, duurde uiteindelijk tot 15 november en trok ongeveer een miljoen betalende bezoekers. Naast de – nu liggende – vrouwenfiguur zien we symbolen van industrie en welvaart.

De oudste stad van Canada is Quebec en dat vierde zijn 300-jarig bestaan in 1908. Op 16 juli verscheen een serie van 8 zegels van 1/2 tot 20 cents. De hoogste waardes zijn vrij duur. Op de zegels vooral koninklijke en kroonprinselijke portretten als mede die van Jacques Cartier, de eerste Europeaan die Canada bezocht en Samuel Champlain, die de stad stichtte. Op de 5 cents zijn residentie in Quebec en op de 10 een stadsgezicht van ongeveer 1700.

Net als in bijna alle andere Franse koloniën kwam ook Indochina met een serie lokale bezienswaardigheden. Hier werden vrouwen uit de delen van Indochina (Laos, Cambodja, Vietnam en delen van zuidelijk China) geportretteerd. Anders ging het met de portzegels. Hier maakte koloniaal ontwerper Puyplat gebruik van het bekendste erfgoed dat de kolonie rijk was: Angkor Wat in Cambodja (668, 1992). Prominent in beeld een drakenbeeld uit dit tempelcomplex. Deze drakenbeelden waren, samen met vele andere dierenbeelden, bedoeld om de westelijke toegangsbrug over de brede hoofdgracht te bewaken.

Angkor Wat, het beste te vertalen als stadstempel werd in de eerste helft van de 12’de eeuw gebouwd als een aan Vishnu gewijde hindoeïstische tempel. Dit was tijdens de regering van de Khmer-koning Suryavarman II. Na een eerste verwoesting door de Champa, de traditionele vijanden van de Khmer, werd de tempel herbouwd door Jayavarman VII. Deze was boeddhist en zo ging Angkor over van religie.

Om het complex werd een brede gracht gegraven en dat is waardoor de tempels eigenlijk door de eeuwen heen nooit ‘weg’ is geweest, zoals andere die in de loop van de tijd opgenomen werden in het oerwoud om pas bij moderne expedities weer gevonden te worden. Zodoende is Angkor Wat vele generaties in de herinnering gebleven. Reizigers uit vele landen kwamen er al vanaf de 16’de eeuw en tegenwoordig is het de grootste toeristische hotspot van de regio.

Het jaar 1905 is niet spannend, één nieuw onderwerp en maar twee zegels om te laten zien.

Net als in de andere Australische koloniën die de nieuwe staat Australië zouden vormen werden op Tasmanië de lopende frankeerzegels uitgegeven met watermerk ‘gekroonde A’. Anders dan de uitgifte van 1902 betrof het hier niet alleen de halve penny met Lake Marion, maar ook de zegels van 3 en 4 pence die nu voor het eerst ook in steendruk verschenen. De 3 komt ook in boekdruk voor.

Ook Brazilië ging op herhaling met de lopende zegels, ditmaal voorzien van watermerk ‘CORREIO FEDERAL’ of ‘IMPOSTO DE CONSUMO’. Van dit watermerk zijn per zegel maar hooguit twee letters te zien.

Cuba bracht de zegels van 1899, waaronder het standbeeld van Columbus, opnieuw uit. Deze zijn herkenbaar aan een licht gewijzigde tekening. Zo heeft het plaatje met het woord CENTAVO geen rechte hoeken meer, maar uitgeholde.

Het nieuwe onderwerp werd het stokpaardje van de toenmalige British South Africa Company, in 1889 opgericht door Cecil Rhodes. In het begin besloeg deze het gebied van het huidige Zambia en Zimbabwe en een stukje Botswana en het gaf onder eigen naam postzegels uit, voordat het in Noord- en Zuid-Rhodesië uiteen zou vallen, die vanaf 1924 eigen postzegels uit zouden geven.

Tot 1905 gaf de BSAC alleen wapenschilden van de compagnie uit, maar de verandering was er wel een van formaat: de in 1855 door David Livingstone ‘ontdekte’ Victoria Watervallen staan er op. In allerlei vormen werden deze tot ongeveer 1940 postaal uitgemolken. Deze eerste serie, aan de loketten vanaf 13 juli 1905, bevatte 6 zegels en werden officieel uitgegeven voor de opening van Victoria Falls Bridge, die op 12 september plaats zou vinden. De serie had de waardes 1 penny, 2 1/2 en 5 pence, 1 shilling, 2 shillings 6 pence en 5 shillings. Het spreekt voor zich dat ze niet goedkoop zijn, zeker de vier hoogste waardes.

De laatste uitgifte was op 1 september en kwam uit San Marino. De Monte Titanozegel van 20 centesimi uit 1903 werd overdrukt met het jaartal 1905 en de nieuwe waarde van 15 centesimi.

 

In 1904 werden er maar 9 zegels voor de collectie uitgegeven, dat is niet veel en ik heb er zelfs 5 van, dus een van de betere jaren uit deze periode.

Brazilië bracht de serie met het Zuiderkruis boven de Baai van Rio de Janeiro, de Vrijheidskop en de Mercuriuskop opnieuw uit maar dit keer wat ruimer bemeten zodat bij de meeste zegels het complete zegelbeeld te zien is. Van de drie Rio-zegels heb ik er een, namelijk de 10 Reis.

Noord-Borneo kwam voor de laatste keer met een Kinabalu-zegel uit de serie van 1897. Iedere zegel van de serie en dus ook de 18 cents kreeg een opdruk van 4 cents, maar in een andere vorm als die uit 1899. Uiteraard volgde de Labuanversie later in het jaar.

In het Britse Rijk werd een nieuw koloniaal watermerk ingevoerd. Ooit was men begonnen met watermerk ‘Kroon CC’. Deze werd rond 1880 vervangen door ‘Kroon CA enkelvoudig’. Drie jaar na het aantreden van koning Edward VII volgde een variant daarop: ‘Kroon CA meervoudig’. De Farthingzegel van Malta met de haven van Valletta ontkwam hier natuurlijk ook niet aan.

Op 18 december ten slotte kwam er een serie van vier toeslagzegels uit in Rusland. Toeslagzegels waren nieuw in de wereld van de postzegels en voor zover ik weet waren dit de eerste ter wereld. Ze werden gebruikt voor oorlogswezen want in februari van dit jaar was de Russisch-Japanse oorlog uitgebroken om de tegenstrijdige belangen van de twee landen in het uiterste oosten van het Russische Rijk uit te vechten. Japan wilde meer invloed in de regio: ze beschouwden Korea en het daar noordelijk van gelegen Mantsjoerije tot hun invloedssfeer en de verovering van deze gebieden zou grote invloed hebben voor de enige Russische haven in de regio die het hele jaar bereikbaar was, het toen en nu in China gelegen Lüshunkou, vroeger bekend als Port Arthur. Deze haven was in 1898 voor 25 jaar van de Chinezen gepacht. Het was dan ook geen wonder dat Rusland hiervoor wilde vechten, maar de oorlog verliep rampzalig en de oorlogswezenzegels waren daar het eerste teken van. Ruim een maand na de uitgifte ging het verder bergafwaarts en in Sint-Petersburg leidde dit tot de bloedig neergeslagen Januarirevolutie van 1905. In september werd bij de Vrede van Portsmouth het pachtverdrag nietig verklaard en had Japan de gewenste invloed in de regio. In 1908 werd Korea zelfs ingelijfd, 24 jaar later werd Mantsjoerije een satellietstaat van Japan.

Alle vier de zegels werden verkocht tegen 3 kopeken meer dan de aangegeven waarde. De UPU stond dat toe, maar het mocht niet opzichtig op de postzegels staan. Op deze zegels zie je de postale waarde en ook het te betalen bedrag aangegeven. Ook op Nederlandse zegels voor het goede doel zie je dit: pas in 1949 werd voor het eerst de toeslag in het zegel vermeld, terwijl voor die tijd er een klein regeltje onder het zegelbeeld aangaf wat je extra moest betalen (en hoe lang de zegel geldig was voor gebruik).

De zegel van 3 kopeken toont het monument voor admiraal Vladimir Kornilov (1806-1854), die gesneuveld was in de Krim-oorlog. Op de plaats waar hij, nabij Sebastopol, dodelijk getroffen werd tijdens een Frans-Britse aanval op 5 oktober 1854 werd een monument opgericht, wat op die postzegel te zien is. Sebastopol hoort niet tot het werelderfgoed, dus hiervan niets in de collectie.

De zegel van 5 kopeken laat het monument voor Minin en Pozjarski zien, dat sinds jaar en dag aan de voet van de Basiliuskathedraal op het Rode Plein in Moskou staat. Kuzma Minin (?-1613) en Dimitri Pozjarski (1577-1642) waren helden van de oorlog tussen Moskou en Polen in 1611 en 1612. Minin was een vleeskoopman uit Nizjny Novgorod en was namens die stad verkozen om Moskou te helpen verdedigen tegen de Poolse bezetters, Pozjarski was een prins uit een gegoede familie die de leiding kreeg over de door Minin gerekruteerde milities. Ze slaagden daar goed in, de Polen werden het land uitgejaagd en daarmee eindigde de Tijd der Troebelen en kwam er een nieuwe familie aan de macht in Moskou, geleid door een zekere Michael Romanov.

Op de postzegel van 7 kopeken een andere beroemdheid en nazaat van Michael Romanov. Het is tsaar Peter de Grote (1672-1725), wiens ruiterstandbeeld in Sint-Petersburg we zien. Het werd tussen 1878 en 1890 gemaakt door een onbekende beeldhouwer en bevindt zich nabij het senaatsgebouw aan de Neva.

De laatste van de serie is de 10 kopeken en deze laat een ensemble van gebouwen zien van het Kremlin in Moskou. We zien als hoogste prominent in beeld de 81 meter hoge klokkentoren van Ivan de Grote (1440-1505), die in opdracht van zijn zoon Vassili kort na zijn dood gebouwd werd. Ernaast de Hemelvaartstoren, die zo’n 30 jaar later werd gebouwd. Veel van de ander bouwsels op de postzegel zijn niet te herkennen. In 1913 kom ik hier uitgebreid op terug.

Zowel Moskou als Sint-Petersburg werden in 1990 op de werelderfgoedlijst gezet.

 

Het jaar 1900 telde totaal 16 zegels. Nieuwe landen of onderwerpen zaten er niet bij.

De Mexicaanse zegel met de kathedraal van Mexico-Stad kwam er met met de andere zegels van de serie van 1899 met overdruk OFICIAL en werd zodoende als dienstzegel gebruikt. De opdrukken werden tot 1910 met een handstempel aangebracht en zijn vaak slecht leesbaar. Pas in 1910 werden boekdrukoverdrukken toegepast.

Kaap de Goede Hoop kwam met een nieuw ontwerp Tafelberg, deze keer zonder de Hoop, maar wel met het wapen van de kolonie die diep in de Tweede Boerenoorlog verwikkeld was. Wel een aardig ontwerpje, met een stoomschip in de Tafelbaai.

In de Dominicaanse Republiek verschenen een tweetal Columbuszegels uit de serie 1899 opnieuw, maar dan in zeer kleine waardes van 1/4 en 1/2 centavo. Het betreft de zegel met de graftombe in de kathedraal en die met de bijeenkomst in Salamanca.

Griekenland hield opruiming met een serie waardeopdrukken. De meeste kwamen op de bekende Hermeskopjes, maar ook de Olympische serie van 1896 werd geraakt. De 1 Drachme kreeg een waarde van 5 Lepta mee en de 10 Drachme werd uitverkocht voor 2 Drachme. Net als de originele zegels moeilijk te vinden en duur.

Brazilië bracht een nieuwe zegel van 50 Reis in de kleur groen uit. Net als de originele zegels staan de zegelbeelden zeer dicht bij elkaar, zoals goed op de foto te zien is. Je ziet dus altijd wel een stukje van het volgende zegel.

Ook in Soedan verscheen een dienstzegel. De eerste zegels hebben een doorsteek van de letters SG. In 1900 was dat in een van de Piramidezegels die in 1897 met opdruk verschenen waren. Vanaf 1902 werden opdrukken OSGS toegepast, maar uitsluitend op de zegels met de kameelruiter.

Nieuw-Zeeland bracht enkele van de ‘First Pictorials’ uit in gewijzigde kleuren. Daaronder waren de 1/2 penny met Mt. Cook, nu in groen en de 2 pence met Pembroke Peak in lila. De zegels hadden een grove tanding, net als de uitgifte 1899 en een watermerk NZ ster met dubbele lijnen (dit werd in 1901 vervangen door enkele lijnen. Ik meende de twee zegels al te hebben, maar inmiddels ben ik er weer naar op zoek, want ik had de verkeerde. Geen plaatjes dus voorlopig…

De rest van het nieuws kwam uit de Tweede Boerenoorlog. Op 23 maart kwamen de eerste bezettingszegels uit Mafeking, het huidige Mahikeng aan de grens met Botswana. De belegering van Mafeking door de Boeren was in oktober 1899 begonnen en duurde zo’n zeven maanden, voordat de Britten onder commando van een zekere kolonel Robert Baden-Powell (jazeker, degene die in 1907 de scouting oprichtte), het stadje ontzette. Dit was een keerpunt in de oorlog, waarin tot dan toe de Boeren het voor het zeggen hadden. De zegels, de eerder besproken 1/2 en 1 penny van de Tafelberg met daarvoor de Hoop, werden, naast andere zegels van Kaap de Goede Hoop en ook van Brits Betshuanaland (nu Botswana), overdrukt met de tekst MAFEKING BESIEGED en een nieuwe waarde van respectievelijk 1 penny en 3 pence. Prijzig en slecht te vinden. Overigens kwamen er in Mafeking in april twee provisorische zegels uit met ieder een ‘first’, een 1 penny met een koerier op een rijwiel en de 3 met het portret van Baden-Powell. Dit waren dus de eerste fiets en de eerste levende militair ooit op een postzegel. Baden Powell zou na zijn dood, als zijnde oprichter van de scouting, nog honderden keren geportretteerd worden

Een andere bezettingsuitgave op dezelfde twee zegels verscheen in augustus. Deze kwamen uit Schweizer Reneke, een klein plaatsje in het toenmalige Transvaal, 50 kilometer van het vorige keer besproken Vryburg. Het was in 1888 gesticht door een zekere Schweizer en een zekere Reyneke wat de naam verklaart. Vanaf 19 augustus begon de Boerse belegering en de inwoners wisten het hoe dan ook tot in januari 1901 vol te houden. Het is maar een klein verhaal, want de Britten waren nog vol van de ontzetting van Mafeking, en ook de vorderingen in Kimberley en Ladysmith werden op de voet gevolgd. Maar toch postzegels met een eenvoudige verticale handstempel BESIEGED op de twee zegels van de Kaap en een viertal van Transvaal zelf. Nog onbetaalbaarder dan die van Mafeking.

Dat geldt niet voor wederom dezelfde zegels, maar nu met opdruk ORANGE RIVER COLONY. Deze verschenen vanaf augustus in de inmiddels gepacificeerde Oranjevrijstaat. Naast deze twee was er ook een 2 1/2 pence, uit de andere bekende Kaapse serie ‘Zittende Hoop’.

 

Brazilië 1894 met de Pão de Açúcar en het Zuiderkruis

De tweede helft van 1894 liet Brazilië weer wat van zich horen. Het was inmiddels alweer tien jaar eerder dat de de Pão de Açúcar op een zegel stond die ik helaas niet heb. Maar nu kwam er een veel bereikbaarder ontwerpje uit. Tijd dus om ook wat meer over Het bijzondere landschap van Rio de Janeiro te vertellen.

Brazilië werd aan het eind van de 15’de eeuw ontdekt door waarschijnlijk Portugese zeelieden, die daar verder niets mee deden. De Portugese koning dacht er echter anders over en in 1500 stuurde hij de edelman Pedro Alvares de Cabral erop uit om het gebied voor Portugal in te nemen en zodoende staat Cabral als ontdekker in de geschiedenisboekjes. Al gauw werden wat handelsposten opgezet en binnen 20 jaar was Portugees de algemene voertaal op de Braziliaanse kusten. Ook andere kolonisten vestigden zich er en dat was de reden voor de stichting van Rio de Janeiro: de daar aanwezige Fransen moesten het land uit, want zij schonden volgens de Portugezen het Verdrag van Tordesillas dat de rest van de wereld afbakende in een Spaanse en een Portugese invloedssfeer.

De Fransen moeten al onder de indruk zijn geweest door het spectaculaire landschap ter plaatse, de Portugezen waren het niet minder. Estácio de Sá was ten slotte degene die tussen de steile pieken een stad stichtte die hij vernoemde naar wat hij vermoedde een rivier was, maar uiteindelijk een baai (tegenwoordig de Guanabara-baai) bleek te zijn: Rio de Janeiro. Zo’n 100 jaar later werd Rio hoofdstad van het zuidelijk deel van de Portugese koloniën in Zuid-Amerika. Die status veranderde in 1808 toen de Portugese koning Joao VI naar Brazilië vluchtte om aan de vloek van Napoleon te ontkomen. Toen was Rio zelfs enige tijd hoofdstad van het Portugese Rijk. Nadat Brazilië een zelfstandig keizerrijk onder Pedro I en Pedro II was geworden bleef Rio de hoofdstad, totdat in 1958 in het oerwoud de stad Brasilia verscheen om die taak over te nemen.

Zoals gezegd ligt Rio de Janeiro tussen hoge granieten bergpieken. De bekendste daarvan zijn de Corcovado (letterlijk vertaald ‘de Gebochelde’), waar bovenop sinds 1931 Cristo Redentor staat, en de Pão de Açúcar (het Suikerbrood), die een schiereiland vormt tussen de Guanabara-baai en de Atlantische Oceaan. Het is deze laatste die aan het einde van de 19’de eeuw opkwam als beeldmerk van Rio de Janeiro als belangrijkste stad van Brazilië en waarschijnlijk heel Zuid-Amerika als je de bewoners zou moeten geloven. Samen met de andere pieken, de baai en het strand van Copacabana vormt dit de inschrijving ‘Rio de Janeiro, Carioca Landscapes between the Mountain and the Sea’, waarbij Carioca staat voor alles wat met Rio te maken heeft, zoals en met name de bewoners en hun bijzonderheden.

De postzegels kwamen vanaf 20 september uit en heten in de volksmond Madrugada (de Dageraad). Ze komen wat onbeholpen over wat mat name te zien is aan de tanding (soms wel 7) en het feit dat in het vel de zegelbeelden maar een millimeter, hooguit twee, uit elkaar liggen. Later, in 1900 en 1904 zijn er betere gemaakt. Het Suikerbrood staat op zegels van 10, 20 en 50 Reis, beschenen door een ander Braziliaans symbool: het Zuiderkruis. De 10 komt in twee varianten voor: met aan beide zijden van het waardeschild REIS of met links DEZ en rechts REIS. De 50 komt ook in twee smaken, de ene in twee drukgangen, dus in twee verschillende kleuren blauw en vaak met licht verschoven middenstuk, de andere in één drukgang, dus een kleur blauw. Hogere waardes van de serie hebben als afbeelding een vrijheidskop en de hoogste (1000 en 2000 Reis) Mercurius.

Het nieuwe Palazzo Pubblico werd op 30 september gevierd.

San Marino had iets te vieren, het beeldbepalende nieuwe regeringsgebouw (Palazzo Pubblico) was af en kon feestelijk geopend worden. Tien jaar eerder was de bouw van het door de Romeinse architect Francesco Azzuri (1831-1901) ontworpen bouwwerk begonnen op de plaats waar sinds de 14’de eeuw al een vergaderzaal stond voor de Sammarinese familiehoofden.

Een drietal herdenkingszegels hoorde bij de feestelijkheden. Daarmee hebben we de eerste bijzondere uitgifte in de collectie. En ook nog eens grotere zegels dan we tot nu toe gezien hebben. Ze werden in tweekleurendruk gemaakt en ze tonen alle het regeringsgebouw. Op de 25 centesimi in lichtblauw en bruin, zie je het recht van het zuiden, wat tamelijk knap is, gegeven het feit dat de stad San Marino op een heuvelrug ligt en er aan de zuidzijde op die hoogte geen enkele bebouwing is vanwaaruit de kunstenaar kon werken. De omlijsting van het gebouw is een klaverbladfiguur. Een andere compositie zie je op de 50 centesimi in oranje en bruin, laat het gebouw in een driehoek zien, maar wel vanuit dezelfde richting. De derde zegel, van 1 lire in groen en bruin, toont het interieur van het gebouw. Op alle zegels wordt de datum van de feestelijkheden, 30 september 1894 vermeld, dit was tevens de laatste dag van de halfjaarperiode van de kapitein-regenten, die ieder jaar op 1 april en 1 september ververst worden. De portretten van Francisco Marcucci en Pietro Tonnini staan op alle drie de zegels en dat is volgens mij de enige keer dat de (grotendeels ceremoniële) staatshoofden op een postzegel verschenen. Saillant detail is, dat Tonnini juist op 22 september overleden was.

De laatste nieuwe zegels met de wapentekening. De 1 lire ontbreekt, want prijzig.

Aan het eind van het jaar volgden nog vijf waardes van de wapenserie in andere kleuren waarmee deze serie definitief afgesloten werd.

1895 was een mager jaar. Er kwam slechts 1 zegel uit en dat was in Noord-Borneo: een door middel van een opdruk POSTAGE DUE tot portzegel getransformeerde Kinabaluzegel. Acht van de negen zegels van de serie werden overigens overdrukt, de een horizontaal, de ander verticaal. Bij de 18 cents zijn er als enige beide varianten van de opdruk bekend.

 

Een mooi overzicht van Rio begeleid door Sergio Mendes: Mas que nada