Ook over 1912 kan ik heel kort zijn, slechts vier zegels, maar toch ook een nieuw onderwerp. Drie van de vier heb ik er.

Dit korte jaar begon op 25 april met de uitgifte van twee zegels in Italië. Deze kwamen er ter gelegenheid van de opening van de herbouwde campanile van de San Marco-basiliek in Venetië op die dag.

Venetië, ooit een vluchtplaats voor door invallende buurvolken verdreven Romeinen, kwam als stadstaat op in de 7’de eeuw en nam als snel in belang toe. In 810 verhuisde doge Agnello Participazio, de leider van Venetië, naar het eiland Rialto en liet daar een eerste dogepaleis bouwen. Niet veel later gaf zijn zoon Giustiniano, doge vanaf 825, opdracht voor een kerk naast dit paleis, gewijd aan St. Marcus en met de bedoeling om de stoffelijke resten van de in het jaar 65 gestorven evangelist onder te brengen. Deze waren door enkele kooplieden gestolen uit Alexandrië, waar de heilige tot dan toe was begraven.

Nadat de kerk een aantal malen was verbrand en weer opgebouwd werd in 1063 het begin gemaakt met de huidige kerk, die al in het jaar 1117 gewijd kon worden. Al in de eerste eeuw na de bouw werd de inrichting aangevuld met kunstwerken die simpelweg tijdens de kruistochten veroverd waren in onder andere Byzantium.

De eerste klokkentoren werd in de loop van de 10’de eeuw gebouwd als uitkijkpost die diende om zicht te hebben op eventuele invallers. Pas in de tweede helft van de 12’de eeuw werden er klokken in gehangen. Verdere her- en verbouwingen, vooral als gevolg van blikseminslagen en aardbevingen duurden tot in 1514, toen de campanile uiteindelijk zijn huidige aanzicht kreeg. In de eeuwen die volgden kreeg de toren nog te maken met vele blikseminslagen en de bijbehorende reparaties.

1902 was een rampjaar voor Venetië en met name de campanile. Al in 1874 was geconstateerd dat de fundering in slechte staat was, maar een structurele oplossing was volgens de bouwkundigen van die dagen nog niet echt nodig, dus het beleef bij kleinere reparaties. In juli 1902 was men bezig aan het herstellen van de het dak van de Loggetta del Sansovino aan de voet van de toren. Tijdens het vervangen van een verbindingsbalk op 12 juli merkten de werklieden al op dat de toren stond te trillen, maar men weet dat aan het geweld waarmee een nieuwe balk op zijn plaats geslagen werd. Toch werd besloten het bouwwerk nauwlettend in de gaten te houden. Op zondag 13 juli bleek de situatie ernstiger dan gedacht en werden zondagse bijeenkomsten op het San Marcoplein al verboden. In de ochtend van 14 juli ging het mis, er liet pleisterwerk van de toren los en om 9:30 werd bevolen dat iedereen het plein moest ontruimen. Dit was net op tijd, want om 9:53 stortte de gehele toren in, waarbij slechts één dodelijk slachtoffer viel te betreuren: de kat van een bewaker. De materiële schade bleef beperkt tot de campanile zelf en de loggetta. Nog dezelfde dag besloot de gemeenteraad dat beiden herbouwd moesten worden. Voor dit project hoestten de stad en de Italiaanse belastingbetaler 500.000 lire op. Koning Victor Emanuel III legde daar uit eigen zak nog 100.000 lire bij.

De herbouw gebeurde in de volgende 10 jaar en op de feestdag van St. Marcus, 25 april 1912 werden de campanile en de loggetta heropend. Volgens overlevering was dit ook exact 1000 jaar na de start van de bouw van de wachttoren.

De postzegels van 5 en 15 centesimi zoals hierboven weergegeven werden ontworpen door de Venetiaanse kunstenaar Augusto Sezanne (1856-1935), die ook verantwoordelijk was voor de rest van de merchandising rondom de heropening van de campanile, zoals hij ook deed voor de vele festiviteiten die in de stad plaats vonden. Posters van zijn hand brengen op veilingen flinke bedragen op.

We zien de toren over de koepels van de basiliek met op de top het beeld van de aartsengel Gabriël en verderop nog enkele beroemde gebouwen met het meest in het oog springend een van de ‘andere’ basilieken (er zijn er vier), die van Santa Maria della Salute, een barokke kerk uit de 17’de eeuw. De jaartallen 1902 en 1912 worden weergegeven en de tekst COME ERA, DOVE ERA (‘hoe het was en waar het was’), om aan te geven dat de campanile precies in dezelfde staat en op dezelfde plek teruggebracht was. Mooie zegels, al zeg ik het zelf.

Wat was er nog meer in 1912? In juni kwamen er drie aanvullende frankeerzegels uit in Bosnië-Hercegovina. Op de 72 heller zien we het stadje Višegrad met de laat-16’de eeuwse Mehmed Paša Sokolović-brug, die sinds 2007 op de werelderfgoedlijst staat.

Ten slotte in september weer een reeksje beroemdheden en het landswapen van Bolivia. De laatste zegel was gelijk aan de uitvoering van 1901, maar nu in de kleur zwart. Waarvan akte met een plaatje.

8 september 2014 was een dag die de filatelistische wereld nog lang zal heugen. Conservatieve verzamelaars uit meestal confessionele hoek konden het niet waarderen, de progressieve kant vond het wel mooi: het Finse velletje gewijd aan het werk van de kunstenaar Tom of Finland (1920-1991), die gespecialiseerd was in homo-erotische kunst, stoere mannen met leer en petten en zo. Was dat nou de eerste keer dat zoiets op een postzegel kwam? Vrouwelijk naakt was al lang bekend. In 1930 zette Spanje pontificaal de Naakte Maya van Francisco Goya op een postzegel en ook een land als Roemenië wist er rond 1970 wel raad mee. Mannelijk naakt was er in symbolische zin al wel in de 19’de eeuw, zie bijvoorbeeld mijn stukje over Paix et Commerce. Maar een stel naakt worstelende mannen, daarmee had Griekenland de primeur.

De serie van 14 zegels, uitgegeven op 25 maart (oude stijl) was gewijd aan de Olympische Spelen van 1906 in Athene. In 1900 en 1904 hadden Parijs en St. Louis Olympische Spelen gehouden, gekoppeld aan een Wereldtentoonstelling. De Grieken wilden gewoon weer terug naar de sport en organiseerden in 1906 een kortdurend sportevenement van slechts 12 dagen en het was de bedoeling dat naast de grote Spelen in ieder tussenjaar er kleine Spelen kwamen, maar in 1910 kreeg Griekenland de organisatie niet rond, mede door de oorlogsdreiging op de Balkan, waarna het plan verder geschrapt werd. Bovendien maakte Londen in 1908 er ook een puur sportfestijn van, zonder de toeters en bellen van een Wereldtentoonstelling.

Op alle zegels zien we afbeeldingen uit de klassieke Griekse mythologie. De worstelaars zijn dan ook niet zomaar worstelaars, maar mythologische figuren. De Michelcatalogus noemt ze Herakles en Antaios, maar dat lijkt me sterk. Antaios was immers een reus, die nimmer verslagen kon worden en de enige die het wel lukte was Herakles, die ontdekte dat Antaios alleen maar sterk was als hij in verbinding met Moeder Aarde stond. Door hem op te tillen verloor hij het contact en was dus hulpeloos. Dit zien we niet op deze zegel gebeuren.

De mannen vechten aan de voet van de Akropolis van Athene, reden waarom hij in de collectie thuis hoort. De Akropolis had al in 1300 v.Chr. een nederzetting, maar de beroemde bouwwerken zoals het Parthenon en het Erechteion werden opgericht in de 5’de eeuw v.Chr. Ze werden in 1987 als nummer 404 ingeschreven op de lijst.

Op 28 juli was het de beurt aan Haïti. Hier kwam een serie van 13 waarden uit voor gebruik op post naar het buitenland. De onderwerpen waren een aantal highlights van Port-au-Prince, een portret van regerend president Nord-Alexis (1820-1910) en het staatswapen. Op de 4 Centimes de Piastre komen we het enige werelderfgoed van Haïti tegen, namelijk slot Sans-Souci, in 1982 als nummer 180 ingeschreven.

Sans-Souci is nog niet heel oud. Het werd tussen 1810 en 1813, kort na de onafhankelijkheid van Haïti, gebouwd in opdracht van Henri Christophe. Hij was het tweede staatshoofd van het land en de enige die zich koning noemde als Henri I, voordat in 1820 een republikeinse staatsvorm gekozen werd, die in 1849 voor 10 jaar onderbroken werd door een keizerrijk. Sans-Souci was een van de vele bouwwerken die in zijn tijd verrezen, maar in dit geval moest het wel paleizen als Versailles, Schönbrunn en de naamgenoot in Potsdam naar de kroon steken. Het verrees op de plaats van een plantage waar Christophe eerder de scepter zwaaide. In 1820 pleegde hij er zelfmoord, waarna de republiek werd uitgeroepen. In 1842 werd het eens zo roemruchte paleis getroffen door een zware aardbeving en is sinds die tijd een ruïne.

Voor het laatste nieuwe onderwerp gaan we naar Bosnië-Hercegovina, dat sinds 1879 bezet was door Oostenrijk-Hongarije en in 1908 zelfs geannexeerd werd. Tot 1906 verschenen er postzegels met wapenschilden om aan te geven wie er de baas was, maar op 1 november kwam daar verandering in met een serie van 16 verschillende plaatjes van landschappen, stadsgezichten, postale vervoermiddelen als een pakezel, een postkoets en zelfs een postauto (als ik het wel heb de eerste auto ooit op een postzegel!), terwijl de hoogste waarde van 5 kronen gereserveerd was voor keizer Franz-Josef II.

Op de 2 en de 20 heller zien we twee verschillende afbeeldingen van Mostar. Op de 2 heller kijken we op de stad vanaf de zuidzijde en over de rivier de Neretva en zien daarmee het grootste deel van de oude moslimstad, op de 20 staan we een stuk dichter bij de brug.

De Stari Most in kwestie werd in 1566 voltooid en verving een ouder houten exemplaar. Vers op het netvlies van velen staan de beelden uit de herfst van 1993 toen de brug verwoest werd door…, ja door wie eigenlijk? De moslims (Bosniakken) gaven de Kroaten de schuld en andersom. De waarheid ligt ergens in het midden en dan iets aan de Kroatische kant volgens de laatste berichten. In 2001 startte de herbouw, in 2004 werd de brug feestelijk heropend en in 2005 volgde inschrijving op de Werelderfgoedlijst als nummer 946. Mostar is nu weer het vredige toeristenstadje van weleer al heerst er nog steeds een psychologische scheiding tussen de katholieke Kroaten en de islamitische Bosniërs, die elk in hun eigen deel van de stad wonen. Het jaarlijkse brugspringen, een heldhaftige toer die je vanaf 20 meter hoog in de koude Neretva brengt is in ieder geval weer in ere hersteld en is nog altijd het grootste evenement in Mostar.