1916 was een niet al te ingewikkeld jaar met slechts 24 nieuwe zegels, waarvan er 6 in de collectie zitten. Weer veel opdrukken, maar ook een enkel nieuw onderwerp.

Zwitserland

512

In Zwitserland begon het met het opdrukkencircus van het jaar: de portzegel van 3 rappen uit 1910 werd grondig overdrukt met een rode stralenkrans en daaroverheen een zwarte 5 zodat die 3 écht níet meer te zien is.

Februari – Bolivia

515

Bolivia kwam met een serie van 5 nieuwe langlopende frankeerzegels in kleinere waardes. Op de 1/2 centavo vinden we een nieuw onderwerp: een monoliet uit oude hoofdstad van het Tiwanaku-rijk, dat een belangrijke voorloper was van het Incarijk, dat in de 13’de eeuw ontstond. Tiwanaku bestond naar de nieuwste inzichten vanaf ongeveer 100 tot 1000, hoewel vroegere historici het aanzienlijk ouder ingeschat hebben. Van vóór onze jaartelling zijn er echter geen sporen aangetroffen, wat het zeer onwaarschijnlijk maakt dat Tiwanaku toen al bestond,of tenminste belangrijk was. Centraal in de hoofdstad, waar op het hoogtepunt mogelijk 70.000 mensen gewoond hebben, ligt de Kalasasaya, een vierkant tempelplein, waar de monolieten zoals op de postzegel te zien zijn. In de wanden vind je allerlei kopjes van soms voor Boliviaanse begrippen exotische figuren, waarmee de gids, die mij er in 1998 rondleidde, wilde zeggen dat de oude bewoners al lang wisten dat er meer was dan de lokale wereld om hen heen, iets waar tot op de dag van vandaag over gespeculeerd wordt.

Ook bijzonder is de Zonnepoort, waar rond 24 juni het traditionele nieuwjaarsfeest van de Aymara gevierd wordt. De Aymara zijn een oude etnische groep, die voor ongeveer 20% deel uitmaakt van de Boliviaanse bevolking. Op de Zonnepoort kom ik later terug.

516

De 1 centavo laat een bekende zien, maar nu voor echt, want tot 1917 zien we de Cerro Rico alleen nog als onderdeel van het wapenschild.

De overblijvende waardes zijn de

  • 2 centavos: het Titicacameer, een door de Inca’s heilig genoemd meer in het grensgebied van Bolivia en Peru.
  • 5 centavos: de Illimani, een uitgedoofde vulkaan van 6438 meter, die vanuit La Paz goed te zien is.
  • 10 centavos: het regeringsgebouw in La Paz, de politieke en administratieve hoofdstad van Bolivia. Het land kent twee hoofdsteden: Sucre is de wettelijke hoofdstad van het land. Dit is ongeveer vergelijkbaar met Nederland, al zal niemand Den Haag hoofdstad noemen…

15 februari – Tunesië

Ook Tunesië ontkwam er als Franse kolonie niet aan om toeslagopdrukken voor het Rode Kruis te drukken. Het betrof de 5 centimes met de Grote Moskee van Kairoun uit 1906. Opmerkelijk is dat de zegelwaarde onder twee dikke rode opdrukstrepen verdwenen is. De zegel heeft dus officieel geen frankeerwaarde, maar werd wel voor 5 centimes verkocht.

Op 7 augustus verschenen de waarden vanaf 15 centimes van dezelfde serie met soortgelijke opdrukken, maar hier betrof het wel een echte toeslagwaarde, in dit geval van 10 centimes. De franc-waardes met de Carthaagse galei ontkwamen er ook niet aan, maar met name de 2 en de 5 francs zijn voor de grotere portemonnee.

20 maart – Mexico

Het opdrukken van Mexicaanse zegels ging ook gewoon door: nu betrof het de tekst G.P. DE M. (Gobierno Provisional de Mexico) in een langwerpig rozet. De Granadistas-zegel van 1910 hoorde er ook bij, net als een al eerder overdrukt exemplaar uit 1914. Ook een tweetal als dienstzegels eerder overdrukte zegels werden nog eens onderhanden genomen. Prijzig spul…

April – Réunion

520

In 1915 had Réunion al twee toeslagzegels voor het Rode Kruis uitgegeven, maar kennelijk bevielen de opdrukken niet of was de voorraad gauw uitgeput. In ieder geval was dit de derde en laatste versie

20 augustus – Hedjaz

534

Voor Saoedi-Arabië gestalte kreeg in 1932 waren er twee voorgangers. Het eerste was het koninkrijk Hedjaz, dat bestond tussen 1916 en 1925. In de volgende periode was dit veroverd door het sultanaat Nedjd (dat nimmer postzegels uitgaf) en ging het verder als het koninkrijk Nedjd en Hedjaz onder leiding van koning Ibn Saoed (1875-1953). Na nog wat veroveringen kreeg het land zijn huidige vorm en werd omgedopt tot Saoed-Arabië.

Hedjaz gaf 111 postzegels uit vanaf het begin in 1916, meestal ornamenten in de stijl zoals hierboven te zien en ontleend aan moskeeën in de Arabische wereld. De getoonde zegel toont ornamenten van de toegang van de El-Salih-Talay-moskee in het historische centrum van Cairo. Een andere zegel laat een ornament zien van een koran uit een andere moskee, die van Sultan Barquq, ook in Cairo.

Op 23 december kwamen dezelfde zegels nog een keer uit, maar dan in doorsteek, zoals afgebeeld. De eerste zegels waren getand.

16 september – Turkije

527

Turkije was in de Eerste Wereldoorlog kampioen opdrukken. In 1916 werd een groot deel van de voorgaande uitgiften sinds 1892 overdrukt. Ook de Edirne-zegels (én de port-opdrukken) ontkwamen niet aan de opdruk van een liggende maansikkel met het Arabische jaartal 1332 en een ster. Overigens was het al 1334 volgens de lopende kalender.

1 september – Dominica

Zoals de Franse gebieden allemaal één of meerdere opdrukken voor het Rode Kruis hadden, kregen vele lopende zegels van de Britse koloniën een opdruk ‘WAR TAX’ om de oorlogsinspanningen van het moederrijk te financieren. De zegel van Dominica van 1916 heb ik niet maar een latere uitgifte uit 1918 wel.

1917 gaat weer in twee delen, maar daarover later deze maand meer.

Ook over 1912 kan ik heel kort zijn, slechts vier zegels, maar toch ook een nieuw onderwerp. Drie van de vier heb ik er.

Dit korte jaar begon op 25 april met de uitgifte van twee zegels in Italië. Deze kwamen er ter gelegenheid van de opening van de herbouwde campanile van de San Marco-basiliek in Venetië op die dag.

Venetië, ooit een vluchtplaats voor door invallende buurvolken verdreven Romeinen, kwam als stadstaat op in de 7’de eeuw en nam als snel in belang toe. In 810 verhuisde doge Agnello Participazio, de leider van Venetië, naar het eiland Rialto en liet daar een eerste dogepaleis bouwen. Niet veel later gaf zijn zoon Giustiniano, doge vanaf 825, opdracht voor een kerk naast dit paleis, gewijd aan St. Marcus en met de bedoeling om de stoffelijke resten van de in het jaar 65 gestorven evangelist onder te brengen. Deze waren door enkele kooplieden gestolen uit Alexandrië, waar de heilige tot dan toe was begraven.

Nadat de kerk een aantal malen was verbrand en weer opgebouwd werd in 1063 het begin gemaakt met de huidige kerk, die al in het jaar 1117 gewijd kon worden. Al in de eerste eeuw na de bouw werd de inrichting aangevuld met kunstwerken die simpelweg tijdens de kruistochten veroverd waren in onder andere Byzantium.

De eerste klokkentoren werd in de loop van de 10’de eeuw gebouwd als uitkijkpost die diende om zicht te hebben op eventuele invallers. Pas in de tweede helft van de 12’de eeuw werden er klokken in gehangen. Verdere her- en verbouwingen, vooral als gevolg van blikseminslagen en aardbevingen duurden tot in 1514, toen de campanile uiteindelijk zijn huidige aanzicht kreeg. In de eeuwen die volgden kreeg de toren nog te maken met vele blikseminslagen en de bijbehorende reparaties.

1902 was een rampjaar voor Venetië en met name de campanile. Al in 1874 was geconstateerd dat de fundering in slechte staat was, maar een structurele oplossing was volgens de bouwkundigen van die dagen nog niet echt nodig, dus het beleef bij kleinere reparaties. In juli 1902 was men bezig aan het herstellen van de het dak van de Loggetta del Sansovino aan de voet van de toren. Tijdens het vervangen van een verbindingsbalk op 12 juli merkten de werklieden al op dat de toren stond te trillen, maar men weet dat aan het geweld waarmee een nieuwe balk op zijn plaats geslagen werd. Toch werd besloten het bouwwerk nauwlettend in de gaten te houden. Op zondag 13 juli bleek de situatie ernstiger dan gedacht en werden zondagse bijeenkomsten op het San Marcoplein al verboden. In de ochtend van 14 juli ging het mis, er liet pleisterwerk van de toren los en om 9:30 werd bevolen dat iedereen het plein moest ontruimen. Dit was net op tijd, want om 9:53 stortte de gehele toren in, waarbij slechts één dodelijk slachtoffer viel te betreuren: de kat van een bewaker. De materiële schade bleef beperkt tot de campanile zelf en de loggetta. Nog dezelfde dag besloot de gemeenteraad dat beiden herbouwd moesten worden. Voor dit project hoestten de stad en de Italiaanse belastingbetaler 500.000 lire op. Koning Victor Emanuel III legde daar uit eigen zak nog 100.000 lire bij.

De herbouw gebeurde in de volgende 10 jaar en op de feestdag van St. Marcus, 25 april 1912 werden de campanile en de loggetta heropend. Volgens overlevering was dit ook exact 1000 jaar na de start van de bouw van de wachttoren.

De postzegels van 5 en 15 centesimi zoals hierboven weergegeven werden ontworpen door de Venetiaanse kunstenaar Augusto Sezanne (1856-1935), die ook verantwoordelijk was voor de rest van de merchandising rondom de heropening van de campanile, zoals hij ook deed voor de vele festiviteiten die in de stad plaats vonden. Posters van zijn hand brengen op veilingen flinke bedragen op.

We zien de toren over de koepels van de basiliek met op de top het beeld van de aartsengel Gabriël en verderop nog enkele beroemde gebouwen met het meest in het oog springend een van de ‘andere’ basilieken (er zijn er vier), die van Santa Maria della Salute, een barokke kerk uit de 17’de eeuw. De jaartallen 1902 en 1912 worden weergegeven en de tekst COME ERA, DOVE ERA (‘hoe het was en waar het was’), om aan te geven dat de campanile precies in dezelfde staat en op dezelfde plek teruggebracht was. Mooie zegels, al zeg ik het zelf.

Wat was er nog meer in 1912? In juni kwamen er drie aanvullende frankeerzegels uit in Bosnië-Hercegovina. Op de 72 heller zien we het stadje Višegrad met de laat-16’de eeuwse Mehmed Paša Sokolović-brug, die sinds 2007 op de werelderfgoedlijst staat.

Ten slotte in september weer een reeksje beroemdheden en het landswapen van Bolivia. De laatste zegel was gelijk aan de uitvoering van 1901, maar nu in de kleur zwart. Waarvan akte met een plaatje.

1909 was een slecht jaar dat met gemak overgeslagen kan worden. Toch een kort overzichtje van de 5 zegels die ik niet heb.

Bolivia vierde met een serie van vier zegels het eeuwfeest van start van de onafhankelijkheidsoorlog in 1809. De eerste zegel toont het wapen van het land, de andere drie betrokkenen bij die revolutie.

Na Brazilië had ook Ecuador zijn nationale tentoonstelling, die in 1909 in het centrum van Quito gehouden werd ter gelegenheid van het feit dat ook daar in 1809 de revolutie was uitgebroken. De serie van negen laat betrokkenen zien en de hoogste waarde van 5 sucre het tentoonstellingsgebouw.

Ook China gaf zijn eerste Werelderfgoedserie uit. Dit was om te vieren dat Puyi, de laatste keizer, een jaar op de troon zat. Het jochie was inmiddels 3, maar keizers worden niet geportreteerd, ook de kleintjes niet. Zodoende moeten we het met de Tempel van de Hemel doen, het belangrijkste heiligdom van Beijing. Ook geen straf trouwens.

1910 deed het met 16 zegels niet verschrikkelijk veel beter, maar er is toch één nieuw onderwerp, dat ik kan laten zien.

Mexico vierde in dit jaar het begin van de onafhankelijkheidsoorlog 100 jaar eerder met een serie van 11 zegels. Ook hier portretten van revolutionairen met daaronder de onvermijdelijke Miguel Hidalgo. De hoogte drie waardes zijn gewijd aan gebeurtenissen uit die tijd. Op de 5 peso zien we de aanval op de Granaditas (de graanschuur) van het historische mijnstadje Guanajuato dat sinds 1988 op de lijst staat. Ook had het land een serie dienstzegels, opdrukken OFICIAL op oudere zegels. Ook de zegel van 5 pesos van 1899 moest het ontgelden.

In Colombia kwam op 20 juli een serie uit ter gelegenheid van het eeuwfeest van de onafhankelijkheid. Deze bestond uit 8 frankeerzegels met portretten en historische voorstellingen, een zogenaamd reçuzegel voor ontvangstbevestiging met portret van de volksheld José Acevedo y Gómez en een zegels van 10 centavos voor aangetekende stukken met daarop de historische gebeurtenis van de executie van negen opstandelingenleiders door de Spanjaarden voor de poorten van Cartagena op 24 februari 1816, toen de opstand net neergeslagen was.

In Oostenrijk werd de 80ste verjaardag van keizer Franz Joseph gevierd door uitgiften in zowel het moederland als in Bosnië-Hercegovina. Men maakte geen tijd vuil aan een nieuw ontwerp, maar pakte het werk van Moser en Schirnböck erbij, verlengde de zegels aan de boven- en onderkant, zodat ruimte vrijkwam voor de jaartallen 1830 en 1910. Op de Bosnische zegels was de verlenging alleen aan de onderkant en daarin de jaartallen samen ‘1830-1910’.

Eiger, Mönch en Jungfrau op de Alpenrozenserie

Nieuw op de kaart is Zwitserland. Hier verscheen op 1 september een serie portzegels die bekend staat onder de naam ‘Alpenrozen’. Bijna niemand praat verder over het berglandschapje op de achtergrond, maar gelukkig is het wel bekend: het zijn de Eiger, Mönch en Jungfrau. Dit drietal hoort tot het Berner Oberland. Ze liggen, zoals de omschrijving al doet vermoeden, naast elkaar en worden daarom vaak in één adem genoemd. De Eiger is de kleinste met een top van 3970 meter. Voor klimmers is dit een uitdaging, de noordwand hoort tot de gevaarlijkste beklimmingen van de Alpen. De westwand is een stuk eenvoudiger en in 1858 voor het eerst beklommen.

In het midden ligt de Mönch, deze telt 4107 meter en werd een jaar eerder dan de Eiger voor het eerst bedwongen. De Mönch wordt door de Jungfraujoch (3454 meter) verbonden met de Jungfrau, de bekendste van de drie en ook de hoogste met 4158 meter. Deze werd al in 1811 voor het eerst beklommen, waarmee voor de eerste keer door mensen de 4000 meter werd overwonnen binnen Zwitserland. Samen met de Mönch hoort de Jungfrau tot de meest beklommen bergen van Zwitserland. Tot de Jungfraujoch gaat een kabelbaan, zodat het er alleen maar makkelijker op wordt.

In 2001 werden de drie bergen samen met een 15-tal andere pieken rondom de Aletsch-gletsjer en ander gletsjers verkozen tot werelderfgoed (nr. 1037). De serie van 9 die hierboven te zien is vormde de basis voor de portvrijdomzegels die Zwitserland vanaf 1911 ging uitgeven. Daarover de volgende keer.

 

 

 

 

1901 was maar een klein jaar, er werden slechts 4 zegels uitgegeven die mijn belangstelling gewekt hebben voor de collectie.

Labuan kwam met een portzegel, net zoals een eerdere uitgifte van Noord-Borneo met een verticale opdruk POSTAGE DUE. Later in het jaar ook weer een frankeerzegel van het moedergebied zelf maar nu met opdruk BRITISH PROTECTORATE als onderdeel van een serie van 12.

St. Christopher Bastion vanuit het noorden gezien, nu met een oorlogsmonument erop (eigen foto 2015)

Tot bijna slot, in maart, een serie in Bolivia met portretten van politici (Adolfo Ballivian, Camacho, Campero, José Ballivian en Santa Cruz), afgesloten door een hoogste waarde van 2 Bolivianos met het landswapen.

De hier afgebeelde zegel komt uit Malta. Dit eiland in de Middellandse Zee was in 1860 begonnen met het uitgeven van postzegels en gaf er voor 1899 slechts 10 uit, allemaal met portret van koningin Victoria. In 1899 twee zegels met een vissersboot van Gozo en een Maltezer galei, gevolgd door een tweetal allegorische voorstellingen, van de patroonheilige Melita en een prent van Gustave Doré betreffende de schipbreuk van St. Paulus voor de kust van Malta.

Fort Rikasoli gezien vanaf Fort St. Elmo (eigen foto 2015)

Op 1 januari 1901 kwam er 1 zegel uit in een oplage van 572.640 stuks en in de minieme waarde van een farthing, oftewel een kwart penny, bedoeld voor kranten. Tot 1947 werden er 4 stuks uitgegeven. In 1901 bovenstaande zegel met lijntanding en watermerk CA Crown enkelvoud, in 1905 in kamtanding en watermerk CA Crown meervoud, in 1936 met monogram GviR na het aantreden van George VI en in 1948 de laatste zegel met opdruk SELF-GOVERNMENT 1947. In ieder geval de laatste twee zegels hadden een geldigheidsduur tot 1976, toen al lang een nieuwe munteenheid was ontstaan.

We zien de zogenaamde Grand Harbour aan de rechterkant van de zegel en een deel van de stad Valletta aan de linkerzijde met achtereenvolgens het Barbara Bastion en verderop het St. Christopher Bastion waarop de Lower Barakka Gardens liggen. Aan de overkant van de Grand Harbour vinden we het Fort Rikasoli. Dit hoort niet tot het werelderfgoed, maar vormt wel een mooie afsluiter van de haven, net als het eind van het schiereiland waarop Valletta ligt, Fort St. Elmo.

Een mooie plek en op wat details na nauwelijks veranderd. In 1902 komen er drie nieuwe onderwerpen aan bod.

In 1899 nam het aantal uitgiften alweer toe tot 23, ik heb er slechts drie van, maar omdat er twee nieuwe onderwerpen bij zitten splits ik het jaar toch op.

Het jaar begon in Cuba met het standbeeld van Columbus in de hoofdstad Havana. Het bevindt zich in de binnentuin van het Palacio de los Capitanes Generales, een gebouw uit 1776 in het hartje van het oude centrum van de stad. Aanvankelijk stond er een kerk, maar de toenmalige gouverneur van Cuba, Felipe de Fondesviela y Ondeano, vond dat het centrum wat meer grandeur uit mocht stralen met een Plaza de Armas zoals in meer Latijns-Amerikaanse koloniale steden en een mooi nieuw regeringscentrum. Een regeringsgebouw waardig werden de stenen uit Málaga gehaald, het ijzerwerk uit Bilbao en marmer uit Genua.

Tot de overdracht in 1898 was het de residentie van de Spaanse gouverneurs en daarna tot 1902 van de Amerikaanse. Tot 1920 was het presidentieel paleis en daarna tot 1967 waren er overheidskantoren. Sinds 1968 is het stadsmuseum.

Het witmarmeren beeldje van Columbus op de binnenplaats werd er in 1862 neergezet en diende in 1899 als onderwerp van de eerste postzegel van het nieuwe Cuba, na het wegtrekken van de Spaanse overheersers. De Amerikaanse invloed van het ontwerp is duidelijk zichtbaar. In 1905 zou er een kleine wijziging in de tekening uitgebracht worden.

Noord-Borneo bracht een serie waardeopdrukken uit op de lopende plaatjeszegels. Er waren namelijk nog geen zegels van 4 cents, dus bedacht men dat iedere bekende zegel een opdruk in precies die waarde moest krijgen. Ook de 18 cents kon dat lot niet ontlopen.

De Dominicaanse Republiek deed voor het eerst mee. Na bijna 35 jaar wapenzegels uitgegeven te hebben werd er nu aandacht besteed aan de oprichting van een Columbus-mausoleum in de kathedraal van Santo Domingo. Er werden 9 zegels uitgegeven die gewijd waren aan de eerste ontdekkingsreizen in het Caribisch gebied. Op de 5 centavos vinden we het grafmonument in de kathedraal. Daarboven staat de Española die waakt over het gebeente van de grote ontdekkingsreiziger. Zij staat op de 10 centavos. Op de 1 peso zien we Columbus in het klooster van Salamanca, waar hij zijn plannen uiteenzet voor een publiek van geleerden, dat was al in 1486, en ze zagen niets in het plan. Ten slotte op de hoogste waarde van 2 pesos het complete grafmonument. Overigens werden vanaf de jaren 30 plannen gemaakt om Columbus een nieuw mausoleum te geven. Het ontwerp daarvan is op veel Latijns-Amerikaanse postzegels te zien, maar door politieke wanorde en een tekort aan financiën begon de bouw in 1986 pas, om net op tijd voor de 500’ste herdenkingsdag geopend te worden. Het grafmonument is erheen verplaatst, dus niet meer te zien in de kathedraal. Voor wat de zegels betreft, alleen de Peso-waarden zijn wat duurder, maar even goed kom ik de goedkope ook niet tegen.

In Bolivia kwam er op 18 april een serie van vijf uit met opdrukken E.F. 1899 in een kastje. E.F. moet gelezen worden als Emisión Fiscal. Het waren dus feitelijk belastingzegels of frankeerzegels die als zodanig gebruikt konden worden. Ik denk vergelijkbaar met de Postage & Revenue in de Britse gebieden. De zegels zijn niet perse duur, maar wel moeilijk te krijgen.

De druk van de vorige keer besproken zegels van Nieuw-Zeeland verplaatste van Waterlow in Londen naar de regeringsdrukkerij in Wellington. Er zijn wat verschillen te zien, maar de grootste verandering is de tanding: de nieuwe oplage heeft de grove tanding 11, de zegels van 1898 hebben meestal 14, maar varieert van 12 tot 16. De zegel van 4 pence droeg nu de afbeelding en kleur van de 1 penny van het vorige jaar.

In 1897 tel ik 16 postzegels die voor de collectie geschikt zijn, uit vijf landen (waarvan twee al lang opgeheven). Allemaal kwamen ze in de eerste helft van het jaar uit, op een na.

Allereerst waren er Noord-Borneo en Labuan. Hier kwam een gewijzigde versie van de eerste plaatjesserie uit, dit keer met toevoegingen van de landsnaam in Chinees en Jawi (wat een afgeleide vorm van het Arabisch is). Dit gaf een behoorlijke herschikking van het kader. Op alle zegels komt de tekst ‘Postage & Revenue’ voor, dus dat betekent dat ze zowel postaal als fiscaal gebruikt mochten worden, wat voor Britse gebieden gebruikelijk was. Behalve de 18 en de 24 cents dan. De laatste had helemaal geen inschrift Postage & Revenue en het zegel met Kinabalu als onderwerp het vreemde ‘Postal Revenue,’ zoals op mijn exemplaar te zien is. In beide gevallen werd dit gecorrigeerd met een nieuwe oplage en het juiste inschrift. Verder werd de hele serie weer overdrukt om als portzegel te dienen, deze zijn redelijk slecht te vinden en soms onbetaalbaar.

Op Labuan maakten ze er een nog groter potje van. Alle twee de Kinabalu-zegels (ook nu weer in andere kleuren) werden overdrukt met de naam van het eiland, maar de opdruk stond onderaan zodat de geschreven waarde-aanduiding ‘EIGHTEEN CENTS’ niet meer te lezen was. Er volgde dus nog een derde waarbij de letters ‘LABUAN’ naar boven verhuisden en over ‘STATE OF NORTH-BORNEO’ vielen.

Vijf van de acht eerste zegels van Soedan. Merk de vaak slordige opdrukken op.

Een nieuw land was het zojuist gepacificeerde Soedan. Tot het eind van de jaren 90 heerste hier de Mahdi Mohammed Ahmad ibn Abd Allah, die zoals het in moderne termen heet, van Soedan, dat tot dan toe onder Egypte viel, zijn eigen islamitische staat wilde maken. In 1885 had dit geleid tot de moord op de door de Britten voor Egypte aangestelde gouverneur-generaal Charles George Gordon. Geen wonder dat Victoria en Mohammed geen vrienden waren en de laatste werd in 1898 dan ook definitief verslagen. Het jaar ervoor was de tijd echter al rijp voor een postzegeluitgifte. Men koost ervoor de piramide-zegels van Egypte te voorzien van de opdruk SOUDAN in Engels en Arabisch. De waardes tot 1 piaster heb ik inmiddels de andere piasterwaardes zijn moeilijk tot erg lastig, maar wie weet.

Bolivia was de volgende. Hier verscheen, afwijkend van de traditie, in maart en april een serie portretten van beroemde Zuid-Amerikanen. De meeste ervan zijn alleen lokaal beroemd, maar Sucre, waarnaar de wettelijke hoofdstad van Bolivia genoemd is, en Bolivár, die het hele land zijn naam gaf, ontbreken niet. De hoogste waarde van 2 Bolivianos heeft echter het wapen van Bolivia in een kader van de landskleuren rood-geel-groen. Omgeven met op maar liefst drie plaatsen de 9 sterren. Voorlopig nog even onbereikbaar voor de portemonnee.

De laatste zegel die ik bespreek is die op 31 december uitkwam om te vieren dat in Lima een nieuw postkantoor werd geopend. Normaal niet zo’n interessant wapenfeit, ware het niet dat het gebouw op 50 voetstappen of daaromtrent afligt van het Plaza Mayor, het centrale, oudste en belangrijkste plein van de stad, daarmee ruimschoots binnen de grenzen van Werelderfgoedinschrijving nummer 500 vallend.

Het gebouw werd ontworpen en gebouwd in opdracht van president Remigio Morales, die van 1890 tot zijn dood in 1894 Peru leidde. In 1892 werd begonnen met de bouw en vijf jaar – en evenveel presidenten – later werd het opgeleverd in een merkwaardige roze steensoort, die ook van binnen in de galerijen en op de binnenplaats is toegepast. Als architecten worden genoemd Emilio Pazo en Máximo Doig. van beiden is geen informatie meer te vinden. Met name in de jaren 20 van de vorige eeuw werd het gebouw uitgebreid om het toenemend postbedrijf te kunnen bedienen. Tegenwoordig maakt het postkantoor nog maar een klein deel van het complex uit. Er is nu ook een postmuseum en een permanente expositie over de Peruaanse gastronomie. In de galerijen zijn winkeltjes gevestigd.

Labuan 1894. Het stempel werd gebruikt om restbestanden mee af te stempelen en hierdoor is de zegel maar weinig waard ten opzichte van een echt gestempelde

Na een aantal wat saaie jaren met steeds herhalende uitgiftes werd 1894 een beter jaar. Dat begon al in de eerste maanden met een uitgifte van Noord-Borneo. Sinds 1963 is dit de Maleise deelstaat Sabah, maar tot die tijd was het een Britse kolonie die sinds 1882 vanuit Jesselton, het huidige Kota Kinabalu, door de North Borneo Company bestuurd werd. In 1883 verschenen de eerste postzegels met het wapenschild van de compagnie. Deze serie werd uitgemolken tot 1894.

Maleisië heeft slechts vier inschrijvingen op de werelderfgoedlijst, waarvan er twee op het Maleise deel van Kalimantan (Borneo) liggen. Een daarvan werd afgebeeld in een serie van 9 zegels met 8 verschillende onderwerpen, een gegeven dat uniek was in die dagen, waarin hooguit een paar verschillende onderwerpen in een serie gingen, al had een land als de VS al aan de traditie getornd door in 1892 een grote serie voor de 400-jarige ontdekking van Amerika door Columbus uit te geven, met ook allemaal verschillende plaatjes, waarvan er overigens geen een in de verzameling past.

De eerste zegel uit de serie van Noord-Borneo, van 1 cent, toonde een Dajak-hoofdman, de 2 cents een Sambarhert, de 3 een sagopalm, de 5 een argusfazant, de 6 een Maleise prauw, de 8 en de 24 cents het wapenschild en de 12 cents een zeekrokodil. De 18 cents trekt echter mijn aandacht, want daarop staat Mount Kinabalu, alias Gunung Kinabalu, de op één na hoogste berg van Zuid-Oost-Azië en met bijna 4100 meter verreweg de hoogste van de Indonesisch/Maleise archipel. Het is dan ook een geliefd oord voor bergtoeristen en religieuze fanatiekelingen. De postzegel geeft er bijna een romantisch beeld van, de berg is te zien vanaf de kust, waarvoor inlanders in een prauw rondvaren. Een nevelsliert trekt voor de reusachtige formatie langs. Kunstenaar helaas niet bekend…

De Kinabalu ligt in een nationaal park, dat in 1964 is opgericht is en 754 km² groot en dat als zodanig in 2000 is opgenomen op de werelderfgoedlijst onder nummer 1012. De reden daarvan ligt in de hoge biodiversiteit van het park, meer dan 4500 planten- en diersoorten bevolken het. De berg is makkelijk en zonder gereedschap beklimbaar en heeft een vrijwel vlakke top. Alléén mag je hem niet beklimmen, een gids moet mee. In 1851 was het de hoogste regeringsklerk van Labuan, de Engelsman Hugh Low (1824-1905), later nog resident in Perak, die de eerste beklimming voltooide met een bewoner uit een nabijgelegen kampong. De hoogste subtop van Kinabalu heet sindsdien Low’s Peak.

Een beetje afzijdig van Sabah en al bijna voor de kust van oliestaat Brunei ligt Labuan. Al voordat de Britten voet aan de grond kregen in Noord-Borneo waren ze al geland op dit eiland en in 1848 werd het, op voorspraak van radja James Brooke van Sarawak, een kroonkolonie, waar in 1879 de eerste postzegels met het portret van koningin Victoria verschenen. In 1890 werd Labuan overgedragen aan de North Borneo Company, die het tot 1905 bestuurde, toen het eiland een deel van de Straits Settlements werd, een groep Britse handelsposten die grotendeels op het Maleise schiereiland gevestigd waren.

In mei 1894 kwamen de zegels van Noord-Borneo dus ook uit op Labuan, voorzien van een opdruk met de landsnaam en dat betrof dus ook de 18 cents. Opmerkelijk was dat de kaders een andere kleur hadden dan de oorspronkelijke zegels. Zo is de overdrukte zegel in olijfbruin met zwart middenstuk, terwijl de zegel van Noord-Borneo is uitgevoerd in groen en zwart. Overigens is een echt gestempelde zegel het 200-voudige waard van het exemplaar hierboven. Zegels met in de hoek een stempel bestaande uit dikke strepen zijn altijd goedkoop, maar niet altijd makkelijk te krijgen en dat geldt ook voor het originele zegel van Noord-Borneo

Nieuwe ontwerpen uit Bolivia

Een andere nieuwe uitgifte van voorjaar 1894 was de vorige keer al aangekondigde nieuwe serie landswapens in Bolivia. Men koos voor een ovaal ontwerp waarin de sterren, de vaandels en de condor nog steeds prominent aanwezig waren. De waardeschilden waren nu groter en verplaatst naar de boven- en onderzijde, zodat de tekst Correos de Bolivia en de in tekst gespelde waarde naar de zijkanten konden. Dit ten opzichte van de vage steendrukjes van het jaar ervoor aanmerkelijk frissere plaatje kwam uit een tweetal drukkerijen. Eén type uit de Britse drukkerij van Bradbury en Wilkinson, een toentertijd nieuwe speler op de postzegelmarkt, een ander type uit de weinig bekende Parijse drukkerij van Eudes & Chassepot. De laatste leverde de postzegels op dikker papier en in een iets afwijkende tanding. Verder is opvallend dat de gerenommeerde Engelse drukkerij veel minder zegels afleverde dan de onbekende Franse concurrent. De grootste oplage, van 2,7 miljoen (1,5 daarvan uit Frankrijk) was voor de 5 centavos. Op de foto zijn de 1, 50 en 100 centavos uit Engeland afkomstig, de andere uit Frankrijk.

De tweede helft van het jaar was voor nieuwe uitgiftes van Brazilië en San Marino.

Van het jaar 1893 kan ik maar één zegel laten zien. De rest kwam uit Bolivia.

Daar verscheen de laatste oplage van de ‘wapen-in-cirkel’-zegels, een laatste serie van 5 met waardes 1, 2, 5, 10 en 20 in de bekende kleuren, maar nu in steendruk vervaardigd bij Litografia Boliviana in La Paz. Te zien is dat de kwaliteit met grote stappen achteruit gaat. Ook het ontwerp was niet helemaal consistent uitgevoerd: de 5 centavos werd gedrukt van platen met 11 sterren. Een uitgifte om snel te vergeten dus en dat vonden de Bolivianen zelf ook kennelijk: voor 1894 stond een nieuw ontwerp gepland. De prijzen zijn niet heel hoog, maar ik heb er nog geen een in levende lijve gezien.

Dat geldt ook voor een tweede uitgifte waarin zegels van 1 en 2 centavos van de uitgiften 1887 en 1891 opgebruikt werden als fiscaal zegel. Je mocht ze nog wel op brieven plakken, vandaar dat ze in de catalogus staan. Ze zijn herkenbaar aan een handstempel-opdruk ‘TIMBRE’ die in groen, blauw of violet is uitgevoerd voor de 1 en in violet of varianten daarvan op de 2 centavos. Ook hier geldt dat de catalogus geen grote prijzen meldt, maar dat ze niet eenvoudig te vinden zijn en anders ruim boven de catalogusprijs. Overigens zijn ook andere waardes uit de series overdrukt, maar deze hebben geen postale functie.

Een heel nieuw onderwerp en een heel nieuw land kregen we nog wel voor de kiezen: Kaap de Goede Hoop gaf een nieuwe zegel uit in het eenheidstarief van 1 penny, iets wat later – en verplicht vanaf 1898 – werd nagevolgd in andere delen van het Britse wereldrijk als de Imperial Penny Post.

De dame met het anker op de postzegel was al bekend uit dit verhaal. De Hoop dus, en deze keer heeft ze positie gekozen in de Tafelbaai met op de achtergrond Kaapstad en de Tafelberg.

Kaapstad is geen werelderfgoed, de Tafelberg echter wel. Niet als zichzelf maar als onderdeel van de Cape Floral Region, dat bestaat uit een 13-tal nationale parken in de Kaapprovincie. De Tafelberg en Kaap de Goede Hoop zelf maken deel uit van het Table Mountain National Park, dat in 1998 werd opgericht, een jaar nadat ikzelf beide plaatsen heb bezocht. Het totale gebied beslaat 221 kmen werd in 2004 ingeschreven onder nummer 1007, in het begin nog bestaande uit 8 parken, maar in 2015 uitgebreid met 5 andere.

De Tafelberg is een bijzondere berg, want hoe komt een berg zo plat? Nu, dat komt zo: ooit, ruim een half miljard jaar geleden, was de Tafelberg een vallei en door erosie van de omliggende Cape Fold Belt Mountains, mogelijk zo’n 4 tot 5 kilometer hoog, werd de vallei een berg van iets meer dan een kilometer hoog. Dat de Tafelberg niet mee erodeerde kwam omdat deze gevestigd is op graniet en dat slijt niet zo snel zoals we wel weten.

De kop van de Tafelberg is uitzonderlijk rijk aan lage gewassen, waarvan het zogenaamde ‘fynbos’ het belangrijkste is, maar wel bedreigd. Fynbos gedijt het beste als er af en toe brand is en zo zorgt het dat de diversiteit zich na zo’n brand snel kan herstellen. Het hele nationale park bevat bijna 2300 verschillende soorten planten, meer dan op de hele Britse eilanden samen. Vele unieke orchideeën en protea’s maken er deel van uit.

Dieren vind je er ook. Een bekend beestje is het zogenaamde dassie, alhoewel de populatie de laatste 20 jaar sterk achteruit gegaan is (maar herstellende). Andere dieren die je kunt aantreffen zijn stekelvarkens, slangen, hagedissen en ‘spookkikkers’, een andere voor dit gebied unieke soort. Een dier, inmiddels uitgestorven, dat hier ook voorkwam, was de quagga, een paardensoort verwant aan de zebra, die echter een gewild jachtobject werd voor de Boeren. Het laatste exemplaar, een vrouwtje, overleed in Artis, in 1883… Ze kreeg in 1988 een postzegel.

1894 was een gevarieerd jaar, met zegels uit Noord-Borneo, Brazilië, Bolivia en San Marino.

 

Links over de Tafelberg:
Interesting Table Mountain Facts (4:50)
Platteklip Gorge Hiking Trail (11:27)
Cape Town, Table Mountain and the Cape Peninsula (10:22)
The History of Table Mountain (8:42)
Table Mountain National Park: a tribute to one of the world’s natural wonders (3:34)

San Marino 1890

Voor 1890 stonden twee uitgiften op het programma. Voor San Marino waren er op 16 april twee aanvullende waardes bij de serie van 1877, namelijk een 5 centesimi in oranje en een 25 centesimi in bruinkarmijn. Ze maakten de serie zes waardes groot, voordat in 1892 er een serie van 11 verscheen met nieuwe waardes en andere kleuren, en dit dan weer nadat enkele zegels van de lopende serie overdrukt waren met veelvoorkomende tarieven als 5 en 10 centesimi. De uitgiftes van 1877 en 1890 alsmede de opdrukken van 1892 zouden geldig blijven tot medio 1895.

Bolivia 1890

Bolivia ging vanaf 1 november inmiddels voor de derde keer op herhaling met de welbekende serie ‘Wapenschild in cirkel’, nu dan weer getand en ook het aantal sterren was weer teruggebracht naar 9. Naast de vier zegels van 1887 waren er waardes van 20, 50 en 100 centavos, ook in andere kleuren dan eerdere zegels met gelijke nominale waarde, alhoewel het verschil bij de 100 nogal klein is, oranje tegenover goudgeel. De 1 en 2 centavos verschenen in 1891. Deze serie van 7 waarden waren tot juni 1897 geldig, net als de laatste serie die met dit ontwerp zou verschijnen in 1893 in locale lithografie, waarmee Bolivia voorlopig afscheid nam van de American Bank Note Co.

Zoals te zien heb ik van deze serie maar drie zegels en dat terwijl de cataloguswaarde niet extreem hoog is. Een beter jaar qua vulling zal wat dat betreft 1892 worden, daarover de volgende keer.