Mei – Nicaragua

Zoals in het laatste deel van 1914 al gemeld gaf Nicaragua de volgende 25 jaar bijna alleen maar zegels uit met het regeringsgebouw in Managua en de kathedraal van Léon. In 1915 kwam het rijtje van 1914 uit met de opdruk OFICIAL om als dienstzegel te dienen. Anders dan later gebruikelijk werd er een compleet nieuwe oplage gemaakt met alle zegels in de kleur blauw.

Op 7 september was er ook de nog de 6 centavos met een opdruk ter waarde van 5 centavos de cordóba. De Cordóba was de in 1912 ingevoerde munteenheid van Nicaragua en deze wordt nog steeds gebruikt.

Augustus – Turkije

Ook in Turkije een opdruk om de kennelijk moeilijk verkoopbare 100 piaster met het Sultanahmet-brongebouw van 1914 aan de man te brengen. De nieuwe waarde was slechts 10 piaster.

15 oktober – België

In België kwam ondanks de oorlog er een nieuwe serie frankeerzegels in hogere waardes uit. Hierop voornamelijk bezienswaardigheden en de vier zegels met werelderfgoed laten alle iets zien uit de collectie Belfries in Belgium and France, waarin 56 plaatsen in België en Noord-Frankrijk opgenomen zijn met een belfort – een centrale klokkentoren, waarvan de klokken geluid worden bij brand of storm – of als zodanig gebruikte toren. Ook de eventueel bijbehorende gebouwen zijn opgenomen. De serie bestaat uit de volgende waardes:

  • 35 centimes: de lakenhal en belfort van Ieper
  • 40 centimes: de brug over de Maas en de citadel van Dinant
  • 50 centimes: bibliotheek van de universiteit van Leuven
  • 65 centimes: stadhuis en belfort van Dendermonde (deze verscheen eerst op 5 augustus 1920)
  • 1 franc: gezicht op Antwerpen vanaf de Schelde
  • 2 francs: allegorie op de bestrijding van de slavernij in Congo
  • 5 francs: presentatie van de vlag van het 7’de regiment in Veurne. Van deze zegel bestaan 2 versies, met de tekst 5 FRANKEN of met 5 FRANK. De eerste is aanzienlijk duurder en daarom bespreek ik de goedkope versie in het verhaal over 1919.
  • 10 francs: portretten van de eerste drie koningen: Leopold I, Leopold II en Albert I

505

Het 70 meter hoge belfort van Ieper maakt onderdeel uit van de beroemde middeleeuwse Lakenhalle, dat een van de grootste bouwwerken in gotische stijl is en tussen 1230 en 1304 gebouwd is. Het belfort met maar liefst 49 klokken verrees rond 1250 en gold als teken dat Ieper een van de rijkste Vlaamse steden was dankzij de lakenbereiding en -handel. De Lakenhalle is onderdeel van de route van de jaarlijks in mei gehouden Kattenstoet. Deze verwijst naar het eeuwenoude gebruik om tijdens de jaarmarkt drie levende katten uit het belfort te werpen. De traditie wordt in ere gehouden, gelukkig met speelgoedbeesten.

Op 22 november 1914 werd het gebouw door de Duitsers in brand geschoten. Na de oorlog begon de restauratie die tot 1967 zou duren. Tegenwoordig zijn er twee musea in de Lakenhalle gevestigd waarvan het Flanders Fields museum het indrukwekkendst is. Aardig om te weten is dat het gerechtsgebouw van Calcutta (het huidige Kolkata in India) uit 1872 dat gebouw is naar het voorbeeld van de Lakenhalle.

506

Op de 65 centimes, een waarde die pas in 1920 betekenis kreeg in het postverkeer, vinden we het stadhuis van Dendermonde met zijn belfort, dat ook integraal opgenomen is in het gebouw. Oorspronkelijk was ook dit een lakenhal, waarvan de bouw startte in 1337 en waarvan het belfort de hoektoren werd. Na uitbreiding in de 15’de eeuw is het stadhuis geworden.

Het belfort is met iets meer dan 40 meter een stuk kleiner dan dat van Ieper, maar er hangen wel ook 49 klokken in. Dat is nog maar van recent, want net als de Ieperse versie raakten stadhuis en belfort zwaar beschadigd in de Eerste Wereldoorlog. De wederopbouw was in 1926 weliswaar gereed, maar zo mooi als eerder is het nooit geworden. Tegenwoordig is het een ruimte voor exposities, vergaderingen en trouwerijen.

Beide zegels kun je als een soort eerbetoon aan de verwoeste gebouwen beschouwen omdat ze na het onheil uitgegeven zijn. Ze werden niet in België gedrukt maar bij Waterlow & Sons in Londen, waar ze ook ontworpen werden.

507

De hogere waardes komen uit de drukkerij van Derarrois in Parijs. Op de 1 franc kijken we naar Antwerpen vanaf de overkant van de Schelde en wel op de manier zoals Amsterdam vele malen is afgebeeld in vroeger eeuwen, dus met schepen op de voorgrond. Centraal in het stadsbeeld staat de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Antwerpen heeft geen belfort in de ware zin van het woord, maar de 14’de-eeuwse toren vervulde wel de zelfde functie als de traditionele aan een burgerlijk gebouw verbonden klokkentoren.

De bouw van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal startte in 1352 onder leiding van stadssteenhouwer Jan Appelmans en na diens dood in 1411 voortgezet door zijn zoon Pieter. Op de Handschoenmarkt, voor het portaal van de kathedraal staat een beeld ter ere van de bouwers. De kerk werd uiteindelijk voltooid in 1521 en als kathedraal gewijd in 1559.

Oorspronkelijk zouden er twee torens komen, maar uiteindelijk werden het een hoge (van bijna 125 meter) en een kleinere toren. In de hoge toren werd in 1655 een klokkenspel geplaatst van de beroemde gebroeders Hemony uit Zutphen.

Beeldsnijwerk aan het portaal van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (eigen foto 27-8-2010)

7 november – Bulgarije

511

In Bulgarije kwam een herdruk van de zegel van het Rila-klooster uit 1911 uit in andere kleuren, blauw en zwart in plaats van olijfgroen en roodbruin.

Het jaar 1896 bracht ook niet veel zegels op. Het zijn er slechts 9 in drie uitgiftes.

De eerste serie kwam op 6 april uit in Griekenland, want op die dag, volgens de Gregoriaanse kalender – Griekenland hanteerde nog de Juliaanse waar het 25 maart was – begonnen de allereerste moderne Olympische Spelen. Het evenement, dat tot 15 april zou duren, werd gevierd met een serie van 12 zegels, in waardes lopend van 1 lepton tot wel 10 drachmen, een enorm bedrag voor een postzegel in het toenmalige Griekenland. Leuk hebbedingetje dus voor de bezoekers van het evenement. De zegels werden ontworpen door een zekere Émile Gilleron (1850-1924) en gegraveerd door …. zie later in het verhaal.

De laagste waardes van 1 en 2 lepta laten twee klassieke vuistvechters zien. Het vuistvechten, noch het moderne boksen, maakte deel uit van de Spelen. Op de 5 en 10 lepta de Discobool van Myron, naar het verloren gegane beeld dat ca 450 voor Christus gegoten werd door Myron van Eleutherae. Het atletieknummer discuswerpen stond wel op het programma, Amerikaan Bob Garrett (1875-1961) troefde twee Grieken af en won daarnaast ook het kogelstoten. Op de 20 en 40 lepta vinden we een klassieke amphora, op de 25 en 60 een vierspan, aangevoerd door de Zegegodin.

De drachmewaarden tonen voor het eerst de Acropolis, met aan de voet ervan het Panatheense Stadion, waar de meeste sportevenementen plaatsvonden. Het wordt ook wel het Averoff-stadion genoemd naar de Griekse magnaat George Averoff (1815-1899), die een flink deel van de fondsen binnenbracht voor het evenement.

Op de 2 Drachme zien we het beeld van Hermes met de kleine Dionysos, gemaakt door de beeldhouwer Praxiteles. Het beeld was in 1877 bij een opgraving teruggevonden. De 5 drachme toont de zegegodin Nikè, gebeeldhouwd door Paionios.

Op de hoogste waarde van 10 drachme krijgen we een kijkje van dichtbij op de Acropolis. Deze zegel vertegenwoordigt een hoge cataloguswaarde, dus zal vermoedelijk wel niet in de collectie terecht komen, al kan het soms meezitten. De 1 drachme is wel bereikbaar en die zal ik denk ik nog wel eens op de kop kunnen tikken. Over de Acropolis ga ik het later hebben.

De tweede uitgifte betrof een lokale uit het Chinese Nanjing. Op de zegels die vanaf 20 september verschenen zien we diverse afbeeldingen uit de stad en op de nabijgelegen heilige berg Zhongshan (in het Nederlands Purperberg), waar de oude keizergraven uit de Ming-dynastie op liggen. In 2000 werden deze, samen met andere keizersgraven rondom Beijing en in Mantsjoerije, als werelderfgoed aangewezen. Op een vijftal zegels zien we de bewakers van het graf van keizer Hongwu (1328-1398), de eerste Ming-keizer. Het zijn twee stenen mannetjes op de 1/2 cent (in drie verschillende kleuren) en twee olifanten op de 2 cent (in twee verschillende kleuren).

Uitgifte van 15 oktober

De laatste uitgifte met werelderfgoed van het jaar kwam van onze zuiderburen. Op 15 oktober kwamen er twee zegels uit ter gelegenheid van de in 1897 te organiseren Wereldtentoonstelling in het Brusselse Jubelpark. Een maand later kwam de 10 centimes in een gewijzigde kleur uit en in een wat scherpere en meer herkenbare tekening. De 5 centimes werd door de toentertijd bekende kunstenaar Gérard Portielje (1856-1929) ontworpen, de 10 door de nog jonge kunstschilder Alfred Van Neste (1874-1969), al even weinig bekend meer.  Beide zegels werden in plaat gezet door de Franse graveur Louis-Eugène Mouchon (1843-1914), die al vanaf 1876 actief was, eerst met het type Sage, maar daarna breidde hij zijn werkzaamheden uit naar Luxemburg, België, Monaco, Griekenland (inderdaad, de hierboven genoemde zegels!), Portugal en ten slotte ook Nederland waar hij in 1899 betrokken was bij de Bontkraag-serie van koningin Wilhelmina.

Uitgifte van 15 november

Op de 5 centimes zien we Sint Michaël, de patroonheilige van Brussel, als overwinnaar op de duivel die in de gedaante van een draak voor hem op de grond ligt. De 10 centimes heeft een iets ander ontwerp. Nu is Michaël in gevecht met de duivel als duivel, maar het decor wordt gevormd door twee bekende gebouwen in Brussel. Rechts zien we het Justitiepaleis, dat in 1883 voltooid werd, het is te vinden aan het Poelaertplein dat zo genoemd is naar de hoofdarchitect van het gebouw.

Aan de linkerkant vinden we het stadhuis aan de Grote Markt en dat is daar, samen met het ertegenover gelegen Broodhuis, een van de blikvangers en ook de oudste bouwwerken aan dit stadsplein. Vrijwel alle huizen zijn in het begin van de 18’de eeuw gebouwd nadat de legers van de Franse koning Lodewijk XIV in 1695 een groot deel van de stad gebrandschat had.

Wat nu het stadhuis is werd rond 1450 gebouwd als bestuurszetel van het hertogdom Brabant, waar inmiddels de Bourgondische hertog Filips de Goede de scepter over zwaaide. De oudste zoon van Filips, de toekomstige Karel de Stoute, mocht in 1444 de eerste steen leggen en daarna kon stadsbouwmeester Willem de Voghel ermee aan de slag, terwijl Jan van Ruisbroeck verantwoordelijk werd voor de 96 meter hoge toren. Na de brand van 1695 werd de restauratie uitgevoerd onder Cornelis van Nerven (1660-1715) en toen werden er gelijk een paar vleugels aangebouwd. In 1795 ging het stadhuis over op de gemeente Brussel en nam het de rol van het Broodhuis als stadhuis over. Vanaf 1841 werd een omvangrijke restauratie uitgevoerd door Tieleman Suys (1783-1861) en Victor Jamaer (1825-1902). Suys had als hofarchitect van koning Willem I al diverse bouwprojecten in noordelijk Nederland voltooid zoals de Amsterdamse Mozes-en-Aäronkerk. Met deze restauratie werden de vele beelden van beroemde Belgen toegevoegd in de gevels.