Er zijn inmiddels, sinds 5 juli 2019, 1121 Werelderfgoederen. Vorige week werd de lijst in Bakoe uitgebreid met 29 nieuwe plaatsen en ‘collecties’ waarvan de opvallendste Babylon en een grote groep Franse eilanden in het zuiden van de Indische Oceaan zijn. Babylon stond al zo ongeveer 35 jaar op de lijst van genomineerden en is dan eindelijk verkozen. Het eiland Kerguelen en de Crozet-eilanden vormen het hoofdbestanddeel van het nieuwe stukje Frankrijk op de lijst, maar ook het eiland Amsterdam hoort erbij. Deze sub-antarctische eilanden liggen qua zuiderbreedte ongeveer op dezelfde hoogte als dat Parijs aan de noordkant van de evenaar ligt. Er zijn heel wat zegels aan gewijd, door Frankrijk en zeker de Franse gebieden in Antarctica (al liggen ze daar nog vrij ver vandaan).

Maar goed, ander onderwerp. Zoals oplettende lezertjes al konden opmerken ben ik doende een postzegelverzameling van zegels met daarop Werelderfgoed aan te leggen. Er zijn ettelijke duizenden zegels uitgegeven waarop in ieder geval iets staat. Een voorlopige lijst telt alleen al 6000 zegels en die is nog lang niet compleet. Tot en met 1929, het jaar waarin ik nu ben met de inventarisatie, tel ik er alleen al meer dan 2100, dat betekent dat ongeveer iedere 28’ste postzegel wel iets met werelderfgoed toont. Trekken we dat door naar de ongeveer 750.000 postzegels die wereldwijd uitgegeven zijn, dan zijn ca. 26.500 daarvan voor mij verzamelwaardig. Poeh hé!

Nu was het tot aan de Tweede Wereldoorlog nog erg gebruikelijk om als je iets te laten zien had, dat er dan vaak meerdere postzegels aan gewijd werden. Een land als San Marino placht bijvoorbeeld zo’n beetje iedere uitgebrachte zegel van Monte Titano of stadsgezichten van de hoofdstad te voorzien. Ook een welbekende is het Hradčany, burchtheuvel, kerkelijk en regeringscentrum van Praag, waarvoor niemand minder dan Jugendstilkunstenaar Alfons Mucha in de eerste jaren van de republiek een ontwerp aanleverde dat door en door uitgemolken werd. Ook de Donau met het parlementsgebouw in Boedapest is sterk vertegenwoordigd, vooral omdat die zegels in allerlei door Hongarije al of niet terecht veroverde gebieden overdrukt werden.

Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal verschillende onderwerpen sterk toe en dus verwacht ik dat die 1 op de 28 wel ‘verdund’ gaan worden.

Ruim anderhalf jaar geleden schreef ik over de Piramides en de Sfinx van Gizeh. De eerste zegels daarvan verschenen op 1 augustus 1867. Volgende keer neem ik de zegels nog eens onder de loep.

De St. Edward’s Crown uit 1661

Bijna 4 jaar geleden, in augustus 2015, ben ik begonnen met een reeks die hier in deze vorm gaat eindigen. De eerste keer ging het over koningin Victoria, toen een pril monarchje, dat net 3 jaar op de Britse troon zat. 40 Jaar later zat ze er nog steeds en dat zou de volgende 21 jaar ook zo blijven.

In de loop van de 40 jaar tussen 1840 en 1880 kwam ik maar weinig regalia tegen. Alleen in Denemarken en Hongarije. Ook het Britse Rijk zelf was en is er niet scheutig mee, maar er was één uitzondering: de kroonkolonie Victoria in Australië. Zoals verwacht mag worden was het overgrote deel van deze naar het staatshoofd genoemde kolonie getooid met plaatjes van de koningin, maar in 1879 werd er een uitzondering gemaakt, al was het dan op postaal gebruikte fiscaalzegels: hierop zien we op enkele waarden een kroon, en wel de Saint Edward’s Crown, sinds eeuwen het voornaamste troonattribuut van het Engelse koningshuis.

Mi 19 (Stamp Mall)

Het is op zich wel opmerkelijk dat juist de kolonie Victoria hiervoor koos. Hat was immers de koningin zelve die er in 1837 vanaf gezien had om met de 2,2 kg zware kroon gekroond te worden. Ook Edward VII zou dat niet doen. Te zwaar, vonden ze. Ook andere koningen kozen niet altijd voor deze grote kroon. Eigenlijk zijn er maar 6 geweest die hem wel gebruikten sinds de eerste keer in 1661, namelijk de eerste 3 (Karel II, Jacobus II en ‘onze’ Willem III) en de laatste 3 (George V, George VI en Elisabeth II).

Mi 36. nogal prijzig, maar in dit geval fiscaal gebruikt.

De Saint-Edward’s crown die je persoonlijk bij een bezoek aan de Tower of London kunt bewonderen is een massief gouden (22 karaats) kroon met twee elkaar kruisende beugels. Naast al het goud zijn er 444 edelstenen en halfedelstenen in verwerkt, merendeels aquamarijnen, maar ook topazen, toermalijnen, robijnen, amethisten, saffieren en wat losse steentjes.

Zoals gezegd, de kroon stamt uit 1661 en is de opvolger van de originele kroon van Edward de Belijder, de naamgever en laatste koning uit het huis van Wessex voordat Willem de Veroveraar in 1066 het land veroverde en zijn eigen dynastie stichtte. Met het vervallen van Wessex kreeg de Normandische hertog ook de kroon mee. Bijna 600 jaar duurde dat, want na het afzetten en onthoofden van Karel I in 1649 onder het bewind van Oliver Cromwell verviel ook de kroon en men besloot deze te vernietigen, althans om te smelten voor noodzakelijker geachte dingen. Toen in 1660 Karel II het koninkrijk herstelde had hij dus geen kroon en werd het huidige exemplaar gemaakt onder leiding van de Koninklijke Goudsmid Robert Vyner.

Naast OP postzegels is de kroon duizenden malen verschenen IN postzegels, want tot ver in de 20’ste eeuw gebruikten het Verenigd Koninkrijk en al zijn gebieden watermerken waarvan de kroon centraal stond.

Een van de drie hoge waardes (die nooit postaal gebruikt zijn) met de sterren die later de vlag van Australië gingen sieren.

Dit was dus de laatste Zegelgek ‘oude stijl’, waarmee ik een periode van 40 jaar heb afgesloten. Natuurlijk blijf ik schrijven, maar ik ga vanaf nu in op Werelderfgoed op postzegels, waar ik inmiddels al een bescheiden verzamelingetje heb.

De quetzal op Mi 15 uit 1879 (stampboards.com)

In Nederland kent men de poelifinario en de kroet, in Guatemala de quetzal. Zo is het altijd al geweest en zo zal het altijd blijven, tenminste als laatstgenoemde niet uitsterft, maar dat schijnt nog niet aan de orde te zijn.

De quetzal, in het Latijn Pharomachrus mocinno, is een kleurrijke vogel die voornamelijk in Guatemala en Honduras voorkomt en minder in het zuiden van Mexico, Nicaragua en Costa Rica. Met name het eerstgenoemde land heeft er zijn hele staatshuishouding aan opgehangen, want niet alleen het huidige wapen en de huidige vlag laten het beestje zien, ook betaalt men er in Quetzals. Dan moet het wel een bijzondere vogel zijn, zou je denken en inderdaad, de Maya’s en Azteken kenden hem een goddelijke status toe en dat in verband met de ‘slangengod’ Quetzalcoatl, god van de wijsheid en de wind, waar hij zijn naam aan te danken heeft. Nu wordt de godheid in geel, rood, groen en blauw uitgebeeld, de vrouwtjesquetzal heeft ook stukjes zwart, terwijl het mannetje de kleuren van de Italiaanse vlag heeft en geel bij beide niet in het verenkleed terug te vinden is.

Quetzal (facebook/Aztecs)

Guatemala had, sinds de introductie van de postzegels in 1871 alleen nog het toenmalige wapenschild en wat vrijheidskopjes uitgegeven. In 1879 startte men met een nieuwe traditie. Er verschenen zegel van een kwart en een hele real en na het afschaffen van de oude Spaanse munteenheid in 1881 zegels van 1, 2, 5, 10 en 20 centavos. Toen het nieuwe staatswapen werd ingevoerd kwam daar uiteraard ook de quetzal op voor als wapendrager.

In 1928 werd de Quetzal ook de nationale munteenheid. Inmiddels was de vogel niet meer weg te denken van de frankeerzegels en in 1954 werden zelfs de ontwerpen van 1879 weer van stal gehaald en nog eens herhaald in 1984 en 1987.

In de laatste Zegelgek ‘oude stijl’ ga ik terug naar het begin en het belangrijkste element van de kroning van de Britse monarch.

Umberto in 1882 (Studio Vianelli, Venetië)

Oude koningen gaan dood, maar Victor Emanuel II, de eerste koning van het verenigde Italië was helemaal niet zo oud, hij werd slechts 57. Hij werd opgevolgd door de oudste van zijn twee overlevende zonen: Umberto. Zijn andere zoon heb ik hier al eens besproken. Dat was namelijk Amadeus.

Umberto werd geboren op 14 maart 1844, de dag dat zijn vader 24 werd, in het Palazzo Moncalieri nabij Turijn, sinds 1997, samen met andere residenties van de hertogen van Savoye, toegevoegd aan de UNESCO-werelderfgoedlijst. Als oudste zoon van toen nog kroonprins van het koninkrijk Sardinië kreeg hij de opvoeding en het onderwijs dat paste bij een toekomstig troonopvolger. In 1849 werd hij, bij het aftreden van zijn doodzieke grootvader Charles Albert, de kroonprins. Op zijn 14’de verjaardag begon zijn militaire carrière en al een jaar later was hij betrokken bij de Italiaanse onafhankelijkheidsoorlog die in 1861 leidde tot de eenwording van de collectie van koninkrijkjes en (groot)hertogdommen die er voor die tijd waren. Toen het zover was begon Umberto aan een reis door Europa en bezocht onder andere Londen en Lissabon, waar hij getuige was bij het huwelijk van zijn zus Maria Pia met koning Luis I

Mi 38 uit 1879

Umberto stond bekend als een rokkenjager, maar wilde hij als koning serieus genomen worden dan zou hij met een vrouw van koninklijken bloede moeten trouwen. De voorkeur ging om politieke redenen uit naar de Habsburgse prinses Matilde, maar deze kwam door een tragisch ongeval om het leven: ze probeerde een sigaret te verstoppen voor haar vader die haar het roken verboden had, maar haar jurk vatte vlam. Toen de huwbare prinsessen boven de Alpen op waren viel de keus op Umberto’s volle nicht, de 7 jaar jongere Margherita van Savoye, naar wie later de meest basale pizza vernoemd werd. Op 22 april 1868 vond de bruiloft plaats en daarop vestigde het paar zich in Napels, waar na anderhalf jaar een zoon geboren werd: Victor Emanuel III, de controversiële opvolger van zijn vader.

In 1878 overleed Victor Emanuel II na een kort ziekbed en Umberto, 34 jaar oud, nam de troon over. Umberto nam zich voor niet te gaan regeren ‘bij de gratie Gods’, maar een waar constitutioneel monarch te zijn. Dit maakte hem inderdaad geliefd bij het volk, maar een kleine groep republikeinse anarchisten vonden het lang niet ver genoeg gaan en al direct in 1878 waren er twee tijdig verijdelde aanslagen op de nieuwe koning.

Mi 66. een overdrukte pakketzegel uit 1891

Net als de meeste van zijn ambtsgenoten in Europa streefde ook Umberto een koloniaal rijk na. In 1882 werd de Eritrese havenstad Assab veroverd en drie jaar begon een campagne om heel Eritrea te veroveren en later ook Somalië. Dit moedigde de anarchisten aan om de oppositie tegen de koning verder op te voeren, maar voor het volk kon hij niet meer stuk, zeker toen hij persoonlijk kwam helpen bij natuur- en andere rampen. Zo was hij er bij een uitbraak van de Etna in 1879, bij overstromingen in het land van Venetië in 1882 en bij een cholera-epidemie in Napels in 1884.

Mi 70 uit 1895

Gebeurtenissen in 1898 zouden uiteindelijk leiden tot een geslaagde aanslag op zijn leven. In Milaan waren in het voorjaar van 1898 rellen uitgebroken tegen het verhogen van de graanprijzen en op 7 mei besloot generaal Bava-Beccaris het vuur te openen op de menigte. De opstand werd neergeslagen, Umberto was er blij mee en decoreerde Bava. Hiermee tekende hij in feite zijn doodvonnis, maar pas twee jaar later, toen Italië zich net als een aantal andere koloniale mogendheden ging bemoeien met de Bokseropstand in China, barstte de bom: op 29 juli 1900 bezocht Umberto Monza om een sportwedstrijd te bezoeken. Een naar Amerika geëmigreerde anarchist, Gaetano Bresci, wist dit ook en hij arriveerde tijdig genoeg terug in zijn vaderland om met een meegesmokkeld pistool de koning te benaderen. De laatste was kansloos. Bresci werd direct opgepakt en tot levenslange gevangenis veroordeeld, maar een jaar later werd hij dood aangetroffen in zijn cel. Was het zelfmoord of wreekten zijn bewakers zich op hem? In ieder geval vereerden andere anarchisten Bresci als een held en de Poolse Amerikaan Leon Czolgosz liet zich door hem inspireren toen hij op 6 september 1901 in Buffalo het vuur opende op de Amerikaanse president William McKinley.

In de periode van 1878 tot 1900 verschenen er in Italië 45 frankeerzegels, waarvan 32 met het portret van Umberto I, altijd herkenbaar aan de enorme snor die hij cultiveerde. Daarnaast verscheen hij op een serie van 6 pakketzegels in 1884 en op 12 zegels van het nieuw verworven Eritrea, opdrukken op Italiaanse zegels. Daar bleef het bij.

Alle zegels met Umberto’s portret werden ontworpen door schilder en graveur Lodovico Bigola (1822-1905) en Enrico Repettati, die ook verantwoordelijk was voor de eerste zegels van San Marino.

Volgende keer kijken we naar een vogel met een merkwaardige naam.

Benito Juárez tijdens zijn presidentschap

De meest vereerde oud-president van Mexico is zonder twijfel Benito Juárez. In sommige opzichten is hij controversieel, maar verder staat hij op een tamelijk eenzame tweede plaats achter Hidalgo. Ook op postzegels.

Benito Juárez Garcia werd geboren op 21 maart 1806 in het dorpje San Pablo Gueletao in de Sierra Madre de Oaxaca in het zuiden van Mexico. Zijn ouders waren eenvoudige boeren van Zapoteekse afkomst en stierven toen Benito slechts drie jaar was, waarna hij door zijn grootouder van vaders zijde werd opgevoed en na hun overlijden door een oom. Op 12-jarige leeftijd trok hij naar Oazaca in de hoop daar een vak te leren, maar boze tongen beweren dat hij een schaap verloren had en op de vlucht was voor de straf die hij verwachtte…

Juarez (Mexico Mi 108)

In Oaxaca kwam hij in contact met een Franciscaner monnik die hem aannam als leerling-boekbinder. Benito ging ook naar school en later naar een seminarie, niet zozeer om priester te worden, maar vooral om andere vakken te leren die hem in de toekomst te pas zouden komen. In 1827 studeerde hij met prima cijfers af en besloot een juridische carrière na te streven, een studie die hij in 1834 afsloot. In die tijd richtte hij zich ook op bestuurstaken binnen de school en kwam zo in aanraking met de politiek. De volgende jaren steeg Juárez’ politieke ster en in 1847 was hij federaal afgevaardigde en vestigde zich in Mexico-stad, maar moest gauw terugkeren naar Oaxaca waar hij gekozen was als gouverneur.

Juárez was een liberaal politicus. Toen hij het aan de stok kreeg met dictator Antonio López de Santa Ana, zette laatstgenoemde hem in 1852 het land uit, waarna hij enige tijd in een sigarenfabriek in New Orleans werkte. Nadat de rol van Santa Ana uitgespeeld was keerde Juárez terug en werd minister van justitie. In die tijd werden liberale hervormingen doorgevoerd en in 1857 kwam er zelfs een liberale grondwet, wat leidde tot een burgeroorlog met de conservatieven. In deze onrustige tijd werd Juárez voor de eerste keer president van Mexico. Onder zijn leiding werden de conservatieven verslagen en in 1861 werd zijn presidentschap bevestigd. De burgeroorlog had de schatkist echter geplunderd en daarom nam Juárez de radicale stap voorlopig even niets af te lossen op Europese leningen. Hiermee riep hij de woede van de Fransen over zich af en in het voorjaar van 1862 stuurde Napoleon III een legertje naar Mexico. Met hulp van de conservatieven werden de liberalen van Juárez verslagen. Het presidentschap werd afgeschaft en Mexico werd (weer) keizerrijk, met de Habsburgse prins Maximiliaan aan het roer. Benito moest vluchten en trachtte hulp te zoeken in de Verenigde Staten om de Oostenrijkse indringer het land uit te zetten.

Mexico Mi 566: monument voor Benito Juárez in het Alamedapark in Mexico Stad (de la Barra, 1909/10)

Het was eerst 1865 toen de Amerikanen de gevraagde hulp gaven, voor die tijd woedde de burgeroorlog er immers nog. Aan het eind van 1866 trokken de Franse troepen zich inderdaad terug en Maximiliaan werd vogelvrij verklaard. Nadat zijn laatste medestanders verslagen waren werd de keizer ter dood gebracht voor het vuurpeloton. Benito Juárez was wederom president.

Heel lang kon hij er niet van genieten. op 18 juli 1872 overleed hij plotseling aan een hartaanval in het presidentieel paleis in Mexico-stad. Hij was 66 jaar oud.

Cuba Mi 4840 bij de 200ste geboortedag van Juárez

In de loop van de tijd zijn zowel zijn geboortedorp, het district (Ixtlán), de staat en zijn gelijknamige hoofdstad (Oaxaca) en het omliggende gebergte voorzien van de toevoeging ‘de Juárez’, om hem te eren. Daarnaast was in 1883 zijn roem ook in Italië al bekend, toen de socialistische smid van het dorpje Predappio besloot zijn nieuwgeboren zoon Benito te noemen. Dat deze een totaal andere richting in zou slaan dan zijn naamgever en zijn ouders was toen nog lang niet te voorzien….

Ondanks dat Benito Juárez als een soort van Vader des Vaderlands wordt gezien (zijn geboortedag wordt als nationale feestdag gevierd), zijn er niet heel veel postzegels met zijn portret. Het begon in 1879 met een serie van 8, waarvan tot 1882 een aantal verschillende uitvoeringen verschenen. Daarna was het meer bij geboorte- of sterfdagen dat hij nog een zegel krijgt. Ook het Cuba van Castro zette Juárez enkele malen op de postzegel.

De nieuwe baas van Italië komt volgende keer aan bod.

Oscar II in zijn laatste jaren

Het laatste nieuws uit Noorwegen dateert alweer van 1856, toen het postzegels uitgaf met het portret van koning Oscar I. 1859 overleed die en hij werd opgevolgd door Karl XV die na een regeringsperiode van 13 jaar op slechts 46-jarige leeftijd overleed. Zijn jongere broer Oscar nam het stokje over in Zweden en Noorwegen, maar het duurde tot 1878 voor er een postzegel met zijn portret verscheen en dan alleen maar in hogere waardes. Het was immers geen doorgewinterd gebruik om het staatshoofd af te beelden op postzegels in Scandinavië. Noorwegen was na de dood van Oscar I weer teruggevallen op de wapenschildjes en kwam in 1872 met de ikonische posthoornserie. Pas in 1950 verscheen de eerste serie koningsportretten met Haakon VII in lagere waardes dan 1 Kroon. In Zweden was die omslag weliswaar al in 1885, maar daar was Oscar II sowieso de eerste koning die op een postzegel verscheen.

Oscar Fredrik Bernadotte werd op 21 januari 1829 geboren op het kasteel van Stockholm, een van oorsprong 13’de eeuws slot, dat na een brand in 1697 vrijwel vanaf de grond werd opgebouwd in een moderne barokstijl. Hij had twee oudere broers, de reeds genoemde Karl XV en de in 1852 aan tyfus gestorven Gustav. Al vanaf 1854 was het duidelijk dat Oscar hoog in de lijn van troonopvolging stond, omdat Karl’s tweede kind Karl Oscar slechts 15 maanden leefde en zijn eerste kind een meisje was, waar het ook in Scandinavië nog de heersende gedachte was dat geen vrouw ooit op de troon zou komen. *)

Noorwegen Mi 32 uit 1878

Oscar werd op het koninklijk paleis opgevoed en opgeleid. Op 16-jarige leeftijd was zijn leertijd voorbij en kwam hij bij de marine. Enige oorlog zag hij nooit, maar hij schopte het wel tot generaal-majoor en was een begaafd theoreticus, die enkele boeken over gangbare krijgskunst schreef. Daarnaast verwerkte hij zijn ervaringen in de marine in gedichten, wat volstrekt uniek was.

In 1857 trouwde hij met prinses Sofia van Nassau-Weilburg, ver verwant aan het Nederlandse koningshuis, daarmee volgde hij min of meer het spoor van zijn broer die met Louise van Oranje Nassau getrouwd was. Met Sofia kreeg hij 4 zonen die stuk voor stuk hoge leeftijden bereikten. De troonopvolging was dus wat er ook zou gebeuren voorlopig geregeld.

Na het overlijden van Karl XV werd Oscar op 12 mei 1873 gekroond tot koning van Zweden en Noorwegen. Al gauw begon hij korte metten te maken met het zijns inziens te liberale beleid van zijn broer en voorganger, maar heel lang kon hij zijn conservatisme niet volhouden. Overal in Europa ontwikkelden zich immers parlementaire democratieën en uitbreiding van het kiesrecht en ook Zweden moest eraan geloven. Overigens duurde het, net als in Nederland, tot de vroege jaren 20 voor iedere volwassen persoon mocht stemmen en gekozen worden.

Het grootste hete hangijzer van Oscars regering was de relatie met Noorwegen. Volgens het unieverdrag van 1814 was hij koning van Zweden én koning van Noorwegen, om duidelijk te maken dat het twee verschillende landen waren met eigen parlementen, ieder een eigen grondwet en wat dies meer zij. Ook was er een soort van overkoepelende ‘uniegrondwet’, maar de Noren negeerden die in principe en vierden alleen 17 mei als grondwetsdag. Een ander probleem was de vlag. Noorwegen had in 1814 een eigen vlag gekregen, de huidige rode met ‘blauw-in-wit’ kruis. Zweden stond er echter op dat een deel ingeruimd werd voor de Zweedse kleuren blauw en geel. Als compromis kwam er een mengelmoesje van gezamenlijke kleuren in de linkerbovenhoek van de Noorse vlag, zodat deze al gauw de bijnaam van ‘haringsalade’ had.

Zweden Mi 46 uit 1896

Een ander en veel groter probleem was de positie van de unie op het wereldtoneel. Zweden was volgens de uniegrondwet alleen verantwoordelijk voor de buitenlandse politiek, maar Noorwegen, dat in de eerste jaren van de unie te kampen had met grote armoede en schulden, was sterk gaan opbloeien en in de tweede helft van de 19’de eeuw groeide de economie aanzienlijk sneller dan die van Zweden, wat de Noren tot de sterkste handelspartner van de twee landen maakte. Noorwegen eiste dan ook eigen verantwoordelijkheid in buitenlandse aangelegenheden en in 1891 leidde dit bijna tot een serieuze oorlog. Echter bleek het Noorse leger geen partij voor het Zweedse, dus werd aangestuurd op een politieke oplossing, maar om de nieuwe eisen kracht bij te zetten bestelde Noorwegen wel alvast een aantal gloednieuwe oorlogsschepen in Duitsland, zodat een eventuele militaire dreiging gepareerd kon worden.

In de eerste jaren van de 20’ste eeuw bleek het onmogelijk om de patstelling te doorbreken, mede doordat zowel in Zweden als in Noorwegen de politieke meningen verdeeld waren over hoe het verder moest met de unie. Daarnaast hield Oscar II alles tegen. Hij had officieel tweemaal het vetorecht en in het begin van 1905 had hij beide opgebruikt. Dat was de aanleiding van een onafhankelijkheidsverklaring die op 7 juni in de Storting werd voorgelezen. Oscar reageerde als door een wesp gestoken, maar kon weinig meer doen dan te eisen dat er op zijn minst een referendum gehouden zou worden over een eventuele afscheiding. De Riksdag stelde een reeks eisen op waar het referendum aan moest voldoen en op 13 augustus gingen de Noren naar de stembus, waar op bijna 370.000 geldige stemmen slechts 184 nee’s geteld werden. Nu moesten de Zweden wel onderhandelen en uiteindelijk werd op 26 oktober het scheidingsverdrag getekend, maar niet nadat er nog eens serieus met oorlog gedreigd was. Er restte alleen nog een tweede referendum over wie koning zou worden, een van de vier zonen van Oscar II of de Deense prins Karl. Karl won en werd ingehuldigd als Haakon VII.

In een terugblik op de ontwikkelingen schreef Oscar II dat de scheiding met Noorwegen hem een ‘diepe wond in zijn hart’ gegeven had. Of het daaraan lag of aan zijn inmiddels gevorderde leeftijd met bijkomende kwalen is niet helemaal meer te achterhalen, maar op 8 december 1907 stierf hij, 78 jaar oud. Hij werd opgevolgd door Gustav V.

De groeiende impopulariteit van Oscar II heeft gemaakt dat hij op 3 Noorse postzegels is afgebeeld, hogere waardes van 1, 1,50 en 2 Kronen, overigens in 1978 wel in herdruk uitgebracht vanwege het eeuwfeest van de uitgifte. Zweden kwam tussen 1885 en 1911 tot 13 zegels.

Ook in 1879 krijgen we het weer druk in Midden-Amerika, om te beginnen in Mexico.

 

 

*) Prinses Louise zou later trouwen met de toekomstige koning Frederik VIII van Denemarken.

Morazán tijdens zijn presidentschap

Bijna ieder Zuid-Amerikaans land heeft zijn eigen held, Centraal-Amerika heeft er ook een: Francisco Morazán. Morazán had een ideaal om de kleine Centraal-Amerikaanse landen te verenigen en zo een tegenwicht te bieden aan de grote buren. Alleen: niet iedereen was het er mee eens. De naam van Morazán leeft het meest voort in Honduras en El Salvador, waar in  Guatemala en Nicaragua het eerbetoon al minder is. In Costa Rica halen ze op zijn best hun schouders over hem op.

Geboortehuis van Morazán in Tegucigalpa

José Francisco Morazán Quesada werd op 16 oktober 1792 geboren in het stadje Tegucigalpa, sinds 1937 de hoofdstad van Honduras, toen onderdeel van het Kapiteinschap-Generaal van Guatemala. Zijn ouders waren invloedrijke Creolen, en hadden dus het bloed van de Spaanse kolonisatoren en de Afrikaanse slaven. Morazáns grootvader van vaderskant was overigens een Italiaan: Giovanni Batista Morazzani. Dankzij zijn opvoeding kwam Francisco in contact met gestudeerde vrienden van zijn ouders, die hem juridische kennis bijbrachten. Ook werd hij vertrouwd met de werken van Voltaire en Montesquieu. Dit bepaalde zijn liberale koers in zijn jaren als politicus.

In de jaren vanaf 1821 kregen de Centraal-Amerikaanse landen hun definitieve onafhankelijkheid. In Mexico, waar Augustin Iturbide tot keizer was verkozen, liet men al gauw het oog vallen op Guatemala, waar Honduras een deel van uitmaakte. In 1822 had een meerderheid besloten tot aansluiting bij het grote buurland, maar toen Iturbide afgezet werd kwamen de landen met de schrik vrij, wat vooral in Honduras gevierd werd. In 1823 sloten Guatemala, Honduras, El Salvador, Nicaragua en Costa Rica een verbond en vormden de Verenigde Provincies van Centraal Amerika, in 1824 verder geformaliseerd als de Federale Republiek van Centraal-Amerika. Binnen dat raamwerk hadden de vijf deelstaten hun eigen president en Morazán werd in 1827 voor de eerste keer in Honduras gekozen. In 1830 werd hij president van de centrale regering, een zwaar bevochten positie die hij bereikte na het onderdrukken van conservatieve opstanden in El Salvador en Guatemala om mee te beginnen. Hij bleef met een kleine onderbreking tot 1839 aan, waarna het verbond uiteindelijk uit elkaar viel, na 15 jaar van haat en nijd tussen conservatieve en liberale facties.

Standbeeld in San Salvador

De nieuwe president wist met wisselend succes enkele liberale hervormingen door te drukken, zoals vrijheid van meningsuiting en drukpers, maar conservatieve krachten zaten hem steeds dwars. Toen in 1837 cholera uitbrak in Guatemala zagen de conservatieven onder leiding van de kerk hun kans schoon om een volksopstand tegen de liberale regering te ontketenen. Het vuur sloeg over naar Honduras en Nicaragua en op 1 februari 1839 moest Morazán aftreden en was de Federatie ten einde. Zijn aanhangers in El Salvador kozen hem vervolgens tot staatshoofd. Een conservatief leger uit Guatemala trachtte de Salvadorianen nog aan hun kant te krijgen, maar Morazán versloeg ze en deed in 1840 nog een vergeefse poging om de federatie te herstellen door op te trekken naar Antigua, de toenmalige hoofdstad van Guatemala. Dat had hij beter niet kunnen doen want Morazán vond er zijn Waterloo.

In 1840 ging hij in ballingschap, eerst in Panama, daarna in Peru, om in 1842 weer terug te keren, nu als zelfverklaard leider van het verzet tegen de Britse claim op de Miskitokust, een strook land aan de noordkust van Nicaragua en Honduras, waar de Miskito-indianen hun reservaat hadden. Eenmaal ter plaatse besloot hij zijn pijlen echter te richten op een andermaal vergeefse poging de Centraal-Amerikaanse federatie te herstellen. Dit keer was Costa Rica het doel: hier had president Braulio Carrillo namelijk besloten dat zijn land nooit meer iets met samenwerking in enige vorm met zijn buurlanden te maken wilde hebben (een politiek die tot op de dag van vandaag stand houdt). Aanvankelijk had Morazán succes en hij wist de leiding in San José over te nemen, maar angst voor oorlog met de voormalige bondgenoten maakten dat hij geen welkome gast was.

Morazán op een zegel uit 1878

Na vier maanden in het zadel gezeten te hebben kwam een samenzwering tegen zijn regime tot stand. Morazán probeerde nog te ontsnappen, maar het was al te laat. Op 15 september 1842 stierf de gewezen president voor het vuurpeloton. Hij werd in San Salvador begraven.

Postzegels met het portret van Morazán zijn er in diverse Latijns-Amerikaanse landen, met name in zijn geboorteland Honduras en in El Salvador. Zelfs in de grote presidentenserie van Costa Rica uit 1945 zit een zegel met zijn portret en ook Nicaragua beeldde hem (in 2009) af. Guatemala nam die stap als enige betrokken land (nog) niet. In Chili, de Dominicaanse Republiek en Cuba verschenen series waarin Morazán een plekje had.

Volgende keer bezoeken we Scandinavië weer eens.

Guatemala Mi 14

Guatemala stond sinds 1871 op het postzegeltoneel. De eerste zegels die er verschenen toonden het toenmalige wapenschild van het land dat tevens een afscheid ervan was. Nog in dat jaar werd bij wet een nieuw blazoen ingevoerd, datgene wat het nu nog is. In 1872 probeerde men het nieuwe schild uit, maar het leende zich kennelijk nog niet zo voor de postzegel, want werd spoedig afgedankt, om pas in 1886 terug te keren.

In de tussentijd moest er natuurlijk wel af een toe een postzegel komen. In 1875 waren het een viertal vrijheidskoppen en drie jaar later weer iets nieuws: vier postzegels met daarop een Indiaanse vrouw. In sommige bronnen wordt ze ook wel een prinses genoemd, al zijn de trekken van de vrouw op de postzegel eerder die van een 50-jarige dan van een 20-jarige, wat niet veel associaties met een prinses oproept.

Veel is er niet over de achtergrond van deze zegels bekend, maar het lijkt wel duidelijk dat men in Guatemala terug wilde grijpen op het verleden, de periode voor en tijdens de intocht van de Spaanse kolonisatoren. Je moet dan bedenken dat de Spanjaarden, voor ze uiteindelijk het gebied pas ver in de 17’de eeuw onder de duim hadden, te maken hadden met enkele tientallen inheemse stammen, die in het gebied woonden, en ook nu nog beschouwt bijna 40 procent van de bijna 17 miljoen inwoners zichzelf als afstammeling van de oorspronkelijke bewoners, meer dan in ieder Latijns-Amerikaans land behalve Bolivia en Peru.

In 1878 waren de indianen net zo geïntegreerd in de maatschappij als dat je na drie eeuwen kolonisatie en vervolgens onafhankelijkheidsstrijd mag verwachten, de meeste presidenten en andere hoogwaardigheidsbekleders hadden vaak op zijn minst enige procenten indiaans bloed in de aderen, want vermenging van Spaanse en Indiaanse genen was aan de orde van de dag. Een Indiaanse vrouw met veren in haar kapsel zag je in ieder geval niet meer rondlopen en moet wel teruggrijpen naar een tijd voordat de grote verandering in 1524 inzette, toen Cortés en Alvarado er voet aan land zetten. En moet, in de nieuw ontstane wereld na de onafhankelijkheid ook een soort van afrekening geweest zijn met het koloniale verleden.

Guatemala was het enige land dat deze stap aandurfde, maar lang duurde dit experiment ook niet. In 1879 stapte het land over naar het nationale symbool, de Pharomachrus mocinno, beter bekend als de quetzal. Daarop kom ik binnenkort terug.

Maar eerst een bewonderde maar ook verguisde staatsman in Midden-Amerika. Hiervoor ga ik de volgende keer naar Honduras.

 

 

De drie Torens van San Marino (eigen foto’s 7-8-2007)

Een van de kleinste landjes ter wereld is San Marino en volgens de aan legende grenzende geruchten ook de oudste nog functionerende republiek ter wereld, die in 2001 zijn 1700’ste verjaardag vierde. Toen was het immers de heilige Marinus die zich, vluchtend voor de legers van keizer Diocletianus, terugtrok op de Monte Titano, een 749 meter hoge steenpuist in de verder hooguit heuvelachtig uitlopers van de Apennijnen. In 2007 bezocht ik het, een jaar voordat de berg met de hoofdstad, eveneens San Marino geheten, en zijn drie verdedigingstorens met inschrijvingsnummer 1245 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO kwam.

Zoals de Cerro Rico bij Potosí in Bolivia als nationaal symbool op het wapenschild van dat land terecht is gekomen, zijn de drie torens (Le Tre Torri) het symbool van San Marino. Niet alleen op het wapen komen ze voor, maar ook op de vlag en op het overgrote merendeel van de oudere postzegels die er sinds 1877 worden uitgegeven. Ook hebben de drie kastelen ieder hun eigen euromunt: ze komen voor op de 1, de 5 en de 50 cent.

Zegel van de vierde serie ‘Wapen van San Marino’ uit 1984

De torens hebben alle namen. De eerste, die vrij dicht bij de stad San Marino staat, heet La Rocca of ook wel Guaita en is de oudste en grootste van de drie en al in de 10’de eeuw gebouwd, maar in de 15’de eeuw herbouwd en sindsdien een aantal malen vergroot. Het kasteel heeft een klokkentoren die tot op de dag van vandaag de Sammarinezen waarschuwt voor gevaar. Tot 1970 diende La Rocca als staatsgevangenis, nu is het een museum over de geschiedenis van San Marino.

De middelste toren heet ook wel La Cesta of Fratta en is de hoogst gelegen van de drie en bijna op de top van de berg. Hier was in de Romeinse tijd al een uitkijkpost, maar de huidige toren stamt waarschijnlijk uit de vroege 13’de eeuw en werd in 1253 voor het eerst genoemd in een document. In 1956 werd La Cesta ingericht als museum voor oud wapentuig.

Na alle herdrukken van de eerste zegels verscheen in 1903 een nieuwe serie.

De laatste toren is La Montale, de jongste van de drie en uit het begin van de 14’de eeuw. Ooit was dit met de andere kastelen verbonden door een dikke verdedigingsmuur met weergangen en zo, maar nu is daar niet veel meer van over. Deze toren is niet toegankelijk voor publiek, maar zeker imposant.

De eerste postzegels kwamen dus in 1877 naar ontwerp van een Enrico Repettati, hoofdontwerper en graveur van de Officina Carte Valori in Turijn, dat ook verantwoordelijk was voor alle Italiaanse en Sammarinese zegels. Tot die tijd werden Italiaanse postzegels gebruikt en vóór de stichting van het koninkrijk in 1861 waren het zegels van de Kerkstaat. Een postkantoor bestond al in 1826 in het Palazzo Pubblico, vervangen in 1833 door een eigen gebouw er naast. De post werd er verzameld en toen vooruitbetaling noodzakelijk werd werden de kosten eerst in dat kantoortje voldaan en vervolgens de post naar Rimini gebracht. In deze 20 kilometer verderop gelegen Italiaanse badplaats werden de postzegels erop geplakt.

Een cover door Otto Bickel verzonden van San Marino naar Cincinnati (Worthpoint.com). NB Leonie Berger was zijn echtgenote

In het begin werden de postzegels maar weinig gebruikt en uitsluitend binnen Italië, maar in 1891 arriveerde de Duitse postzegelhandelaar Otto Bickel (1862-1946) in San Marino en hij ging het landje filatelistisch organiseren. Hij stichtte een tijdschrift, dat hij de wereld rond zond met de Sammarinese postzegels. Het was zo erg dat op zeker moment de zegels van 5 centesimi op waren en nieuwe nog niet geleverd konden worden, maar Bickel vond een lokale drukker en zo verschenen de eerste opdrukken. Na het vertrek van Bickel in 1894 had hij wel wat voor elkaar gekregen, hij had de postzegels van het buiten Italië bij velen weinig bekende dwergstaatje op de kaart gezet en dat leidde tot een langdurige erfenis: San Marino gaf nooit heel veel uit, maar was in de jaren 60 en 70 wel de eerste met thema’s als prehistorische dieren en Disneyfiguren die later door allerlei vage agentschapjes uitgemolken werden ten behoeve van Afrikaanse landen en Caribische eilanden. Vanwege zijn rol werd Bickel in 1997 afgebeeld op een postzegel bij het 120-jarig bestaan van de Sammarinese postzegels.

Volgende keer zien we een echte indiaan op een postzegel.

López y Planes en Vélez Sársfield

In mei 1877 was de start van een serie van 7 postzegels met nieuwe waardes, waarvan de laatste in september 1880 verscheen. Naast Rivadavia, Belgrano, San Martin en Alvear op zegels van 8, 16, 24 en 25 centavos kwamen er twee nieuwelingen bij.

2 centavos – Vicente López y Planes 

Voor Vicente López y Planes was het in 1877 precies 50 jaar geleden dat hij gedurende 6 weken president van de Verenigde Provincies van Rio de la Plata was, als opvolger van Rivadavia.

López werd geboren op 3 mei 1785 in Buenos Aires en was getraind als jurist, meestal een beroep waarmee je toentertijd makkelijk de politiek in kon gaan. Daarnaast was hij een verdienstelijk schrijver en daarmee is hij waarschijnlijk het meest bekend in Argentinië: hij was namelijk de bedenker van de tekst van het volkslied, dat op muziek gezet werd door Blas Parera, een immigrant uit Spanje. Op 11 mei 1813 werd ‘Oíd, mortales’ als officieel volkslied aangenomen en nu, ruim 200 jaar later, is het dat nog steeds. Dichten deed hij overigens al eerder: toen de Britten uit Buenos Aires waren verdreven publiceerde hij El triunfo argentino, een lofdicht op de overwinning in meer dan 1100 regels.

Na de Meirevolutie was hij de eerste revolutionaire burgemeester van Buenos Aires en zijdelings bij een aantal van de coalities  betrokken. In 1826 werd hij minister in het kabinet van Bernardino Rivadavia en een jaar later ook diens opvolger, toen Rivadavia ontslag nam vanwege de slecht verlopen vredesonderhandelingen met Brazilië na de onderlinge oorlog over het gebied wat nu Uruguay is.

Zoals gezegd bleef López maar zes weken aan en gaf toen het stokje over aan gouverneur Manuel Dorrego van Buenos Aires. Tot 1854 zouden de gouverneurs van Buenos Aires de feitelijke macht in de Argentijnse confederatie uitoefenen, López was daar in 1852 ten slotte nog enkele maanden één van, voordat in september van dat jaar de provincie Buenos Aires zich afscheidde van de rest van Argentinië, een situatie die tot 1861 zou duren. Dat zou Vicente López echter niet meer meemaken: hij overleed op 10 oktober 1856 in zijn geboortestad.

20 centavos – Dalmacio Vélez Sársfield

Anders dan deze en vorige keren besproken Argentijnen speelde Dalmacio Vélez Sársfield veel later een rol in de Argentijnse geschiedenis.

Hij werd op 18 februari 1800 geboren in het plaatsje Amboy in de provincie Cordoba. Zoals gebruikelijk in Spaanstalige landen had hij de achternamen van zijn beide ouders en zijn moeder was van Ierse komaf, wat in dit geval het Engels klinkende matroniem verklaart.

Vélez was een goed student die naast zijn moedertaal vier talen vloeiend sprak (waaronder Latijn) en een uitstekend wiskundige was. De juridische wereld trok hem echter het meest aan en daarmee kwam de politiek in beeld. Hij werd al op 25-jarige leeftijd verkozen in de Kamer van Afgevaardigden en steunde openlijk de centralistische politiek van Bernardino Rivadavia, die in 1826 tot eerste president werd verkozen. Daarna werd hij juridisch adviseur van de gouverneur van Buenos Aires – en de facto president van de confederatie – Juan Manuel de Rosas, maar toen de relatie tussen de twee verslechterde zocht Vélez zijn heil in Uruguay en later in Europa, waar hij medestanders voor een centralistische regering onder leiding van de provincie Buenos Aires vond. Ook maakte hij kennis met generaal Bartolomé Mitre, die in 1861 de eerste president van de Argentijnse republiek werd, nadat Buenos Aires met de rest van het land herenigd was.

In 1854 had Vélez voor de toen onafhankelijke staat Buenos Aires een grondwet geschreven en deze gebruikte hij vanaf 1864 als basis voor een Burgerlijk Wetboek, dat na vier jaar noeste arbeid gepresenteerd kon worden aan de regering en aangenomen werd. Van 1 januari 1871 tot de recente vervanging in 2015 was dit het wetboek dat leidend was in de Argentijnse gerechtshoven.

Na het voltooien van deze arbeid trok Vélez Sársfield zich terug uit de politiek. Op 30 juni 1875 overleed hij in Buenos Aires. Hij werd geëerd in de naam van een wijk en een treinstation, welke laatste op zijn beurt weer zijn naam doorgaf in de sportclub Vélez Sársfield, een van de bekendere voetbalclubs in de hoofdstad en een van de 15 die in de Argentijnse hoogste divisie meespelen.

De serie

De serie, ingezet in 1868, zou gebruikt worden tot 1888, toen oude bekenden en nieuwe gezichten in nieuwe kaders verschenen.

 

Volgende keer ik terug naar Europa en een van de kleinste staten van de wereld: San Marino.