Het tweede deel van 1913 is bijna geheel aan Zuidoost-Europa gewijd.

Ik begin op Samos, een eiland dat op slechts 1,2 kilometer van het Turkse vasteland ligt en als zodanig eeuwenlang als natuurlijk bezit van Turkije gold. Na de Griekse onafhankelijkheidsoorlog veranderde dat en in 1834 werd het prinsdom Samos uitgeroepen, met gekozen prinsen uit de Ottomaanse elite (de eerste was een Bulgaar). Postzegels kwamen er officieel nooit uit, wel een aantal die in de catalogus als ‘niet uitgegeven’ vermeld worden.

In 1912, direct na de opheffing van het prinsdom en de ontruiming van het Turkse garnizoen, veranderde dat: er kwamen drie zegels met de kaart van het eiland uit, direct gevolgd door een Hermeskop, allebei uitgegeven door de voorlopige regering die de aansluiting met Griekenland moest voorbereiden.

In januari 1913 kwam er een serie van 5 uit ter viering van de bevrijding van de Turken in 1824 en in 1912. Hierop staan een paar monumenten uit Pythagoreio, de plaats die naar de wiskundige Pythagoras genoemd is en die werelderfgoed zijn. In 1915 verschenen ze nog overdrukt als allerlaatste uitgifte van het eiland. In alle gevallen moeilijk om aan te komen, maar wie weet.

Op 1 maart kwam de Italiaanse serie van 1911, waarvan ik de 5 centesimi besprak, uit met opdruk van een nieuwe waarde. Dit was in dit geval nog slechts 2 centesimi. Het was de laatste zegel van die toen ook in Italië al minieme waarde. In 1930 kwam er nog eentje uit, speciaal voor blindenpost. De ongebruikte zegel die ik hiernaast toon is weliswaar in de rechter onderhoek beschadigd, maar laat beter dan het gestempelde origineel de fraaiheid van de gravure zien.

Op 29 april (16 april volgens de lokaal nog gebruikte Juliaanse kalender) kwam in Griekenland een serie uit geweid aan het ‘Nieuwe Griekenland’. Dat was tien dagen na het sluiten van een wapenstilstand met de Turken, die bekrachtigd zou worden met de Vrede van Londen op 30 mei. De serie bestond uit twee ontwerpen, de ene een stralend Grieks kruis (ook wel Contantijnskruis) boven de Acropolis met teksten die verwijzen naar de overwinning (NIKA) en de campagne van 1912 (ΕΚΤΣΡΑΤΕΙΑ 1912), de andere een vliegende adelaar (?), die een spartelende slang gevangen houdt met zijn snavel boven de Olympus. Het gaat mij uiteraard om de eerste, waarvan er 9 zijn. (de Olympus in Noord-Griekenland is, anders dan Olympia op de Peloponnesos, geen werelderfgoed).

Hoewel de ontwerpen goed aangepakt zijn is er wel op van alles bezuinigd: de zegels zijn niet getand maar doorstoken en komen op verschillende papiersoorten voor. De kleine waardes zijn vrij makkelijk te krijgen, vanaf 3 Drachmen wordt het moeilijk, de 10 en 25 zijn typische veilingdingen.

De laatste drie zegels komen uit het Ottomaanse Rijk zelf. Dit had in 1913 grote gebieden verloren aan Bulgarije en Griekenland en daar hoorde ook het gebied rond Adrianopel (het huidige Edirne) bij. Edirne gold als laatste bolwerk aan de westzijde van  Constantinopel en ging in de loop der eeuwen regelmatig in andere handen over. In de moderne tijd ging het doorgaans om de Russen, na de onafhankelijkheid van Bulgarije om laatstgenoemde land. Tijdens de Eerste Balkanoorlog veroverden de Bulgaren het weer eens, maar na de Tweede Balkanoorlog, die bedoeld was om de Bulgaarse landhonger in de tomen, kwam het weer terug aan het Ottomaanse Rijk en deze keer was dat definitief. Op 23 oktober kwam er een serietje uit om dit te vieren.

De zegels tonen alle drie het voornaamste monument van de stad: de Moskee van Sultan Selim I, alias de Selimiye, gebouwd in 1575 en een van de topstukken van de architect Koca Mimar Sinan Ağa, kortweg Sinan (1489-1588). Deze was ook verantwoordelijk voor de Süleymaniye-moskee in Istanbul, die 20 jaar eerder voltooid werd, maar Sinan vond zijn werk in Adrianopel een stuk beter dan in Constantinopel. Dat kwam omdat de lichtinval en daarmee de ‘moskeebeleving’ naar eigen zeggen veel beter was. De koepel van de Selimye is ook met ruim 31 meter erg groot te noemen. Bovendien werd de ruimte zo ingericht dat de mihrab, de uitgang die precies in de richting van Mekka ligt, van alle kanten zichtbaar is, zodat de gebeden altijd op de juiste wijze plaats konden vinden.

De Selimye doorstond in 1913 met glans de belegering door de Bulgaren. Na de herovering later in het jaar door de Turken bleek er slechts lichte schade te zijn. Atatürk, vanaf 1922 de leider van de Turkse republiek, besloot dat deze schade nooit gerepareerd mocht worden om toekomstige generaties aan de gevolgen van de Balkanoorlogen en de Eerste Wereldoorlog te herinneren. In 2011 werd de moskee op verzoek van de Turkse regering op de Werelderfgoedlijst gezet met nummer 1366.

Het is een roerig jaar, dat 1913. Een jaar later zou de Grote Oorlog uitbreken, we kennen deze nu als de Eerste Wereldoorlog. Eigenlijk was dit niet de eerste oorlog van deze soort want vanaf de 17’de eeuw waren er al oorlogen uitgevochten die een flink deel van de toen bekende wereld in beslag namen. Neem bijvoorbeeld de Spaanse Successieoorlog, die van 1702 tot 1714 duurde. Heel West-Europa, maar ook de Amerikaanse koloniën waren daarbij betrokken.

Een opmaat voor de Eerste Wereldoorlog waren de Balkanoorlogen, waarbij gevochten werd over de restanten van het Ottomaanse Rijk op de Balkan en wat er daarna bij Griekenland, Bulgarije, Servië en Montenegro zou moeten horen. De oorlog begon in oktober 1912 en negen maanden later waren de Turken aan Europese zijde teruggedreven tot de grenzen zoals ze nu nog ongeveer zijn. De overwinnende partijen leken tevreden te zijn met de uitkomst en uit de puinhopen kon zelfs een nieuw land ontstaan: Albanië, terwijl een groep eilanden in de Egeïsche Zee deels onder Grieks, deels onder Italiaans bestuur kwam.

Na de Vrede van Londen bleven echter met name Griekenland en Servië met een slecht gevoel achter met betrekking tot Macedonië, waar beide landen historisch gezien aanspraak op meenden te moeten maken. Alleen was het gebied niet bij hen terecht gekomen, maar bij Bulgarije, wat het grootste van de Balkanlanden was geworden. Reden om de Bulgaren daar met militaire middelen op te wijzen. Na opnieuw zes weken strijd leverde Bulgarije mokkend een groot deel van Macedonië in, zodat de verhoudingen enigszins eerlijker verdeeld leken.

We naderen de 400 zegels in 1913, wanneer er 24 bijgeteld kunnen worden. Aan een deel daarvan kun je zien dat ze in een oorlogssituatie zijn uitgegeven. Dit gaat, voor zover het Werelderfgoed betreft, om een Griekse serie en om een serie van de kortstondige onafhankelijke staat Samos. Maar ook is er het een en ander dat in vreedzamer omstandigheden werd uitgegeven. Daaraan besteed ik het eerste deel.

In Haïti kwam de serie van 1906 nog eens uit, maar dan in andere kleuren. De 4 centimes was nu in olijfgroen in plaats van rood.

De tweede uitgifte was de laatste vooroorlogse serie van Rusland. Deze werd uitgegeven ter viering van de 300ste verjaardag van de Romanov-dynastie en telde 17 zegels. Die met waardes onder de 1 roebel toonden de tronies van de meest vooraanstaande tsaren en tsarina’s die sinds 1613 aan de macht waren geweest, een aantal kortstondige ‘tussentsaren’ kwam hierbij niet aan bod. De serie werd overdrukt uitgegeven voor de Russische postkantoren in het zieltogende Ottomaanse Rijk.

Op de 1 roebel vinden we het Kremlin in Moskou. Het wordt bijna voluit in beeld gebracht vanaf het zuidoosten en vanuit dat oogpunt zijn vooral de religieuze gebouwen goed te zien, merendeels ontstaan in de periode 1475-1525, de tijd dat het grootvorstendom Moskou op zijn hoogtepunt zou komen onder Ivan III en Vassili III. Een kremlin (letterlijk: versterkte stad) was er al vanaf de 11’de eeuw.

Het begint links met het Grote Kremlin Paleis, een relatief jong gebouw binnen het ensemble. Het werd als Moskouse residentie voor de tsaar gebouwd tussen 1838 en 1849 onder leiding van Konstantin Thon (1794-1881), in zijn tijd de voornaamste Russische architect, die met name kerken bouwde. Tegenwoordig is het de residentie van de president.

Zoals gezegd vooral veel religieuze gebouwen van rond 1500. Direct naast het paleis de kleine Maria Verkondiging-kathedraal, een privékapel van de tsaren uit 1489. Ernaast staat de iets grotere kathedraal van de Aartsengel Michael, die in 1508 voltooid werd op de plattegrond van een kerk uit 1333. In deze kathedraal werden vóór Peter de Grote bijna alle tsaren en grootvorsten begraven.

In dezelfde tijd kwam de klokkentoren van Ivan de Grote gereed. Deze torent met zijn 81 meter overal bovenuit, hoewel de oorspronkelijke hoogte slechts 60 meter was. De naam heeft hij van de tijdens de bouw overleden grootvorst Ivan III (1440-1505), maar hier was al eerder een kerk gewijd aan Johannes (Russisch: Ivan) Klimakos, een in de orthodoxe kerk vereerde heilige.

Voor het overige zien we nog de torentjes van de Maria-Ontslapeniskathedraal uit 1479 en de kerk van de Twaalf Apostelen. In de eerste werden alle tsaren gekroond en worden de patriarchen en metropolieten van de Russisch-orthodoxe kerk begraven. De andere kerk kwam halverwege de 17’de eeuw tot stand, samen met een paleis dat dient als residentie van diezelfde patriarchen.

Het geheel wordt afgesloten met de ommuring en een aantal van de verdedigingstorens, die al of niet fraaie namen hebben. In de Sovjettijd werd vooral de vierkante Spasskaya (‘verlosser’)-toren afgebeeld, maar hier gaat het om de hoektoren, de Beklemishevskaya, genoemd naar een verder onbekend gebleven bojaar. Hij staat ook wel bekend als de Moskou-rivier-toren en stamt uit 1489 met een torenspits van 1680.

De 2 roebel is gewijd aan het Winterpaleis in Sint-Petersburg. We zien het van de kant van de Neva, waar ook – in 2002 in ieder geval – de ingang was van het Hermitagemuseum. De leeuw op de sokkel heeft plaats moeten maken voor het moderne verkeer op de Dvortsovaya Naberezhnaya, wat Google Maps vertaalt naar ‘Palace Embankment’. Dit paleis werd gebouwd in opdracht van tsarina Elisabeth I, dochter van Peter de Grote. Zij was de heerseres van Rusland van 1741 tot haar dood in 1761 en staat geportretteerd op de 50 kopeken van de serie. Ze zou de voltooiing van het door de Italiaan in Russische dienst Bartolomeo Rastrelli (1700-1773) ontworpen paleis met 1500 kamers niet meer meemaken, want dat gebeurde in 1762. Toen was de kleinzoon van Peter de Grote als Peter III op de tsarentroon gekomen, maar die werd volkomen gedomineerd door zijn echtgenote Catharina: na Peters mysterieuze en waarschijnlijk door Catharina veroorzaakte overlijden bleef deze de rest van de eeuw de touwtjes stevig in handen houden. Enfin, het was niet de eerste smet op de Russische dynastie en het zou zeker ook niet de laatste zijn. Het Winterpaleis zou in de geschiedenis van de Romanovs een prominente maar vaak ook duistere rol blijven vervullen.

Het Winterpaleis zoals we het kennen was niet de eerste versie maar de vierde. In 1703 had Peter de Grote de stad gesticht, om toegang te hebben op de Oostzee, maar ook als provocatie naar Zweden, welk land hij graag verving als belangrijke macht in het gebied. Hierom werd tussen 1700 en 1721 de Grote Noordse Oorlog uitgevochten, in dezelfde tijd als de Spaanse Successieoorlog dus. De Zweden waren de eerste jaren oppermachtig, maar in 1709 keerde het tij en kregen de Russen de overhand: ze lokten door de beruchte tactiek van de verschroeide aarde de Zweedse koning Karel XII zover zuidelijk dat toen het te laat was deze zijn toevlucht in het Ottomaanse Rijk moest zoeken.

Peter begon in zijn nieuwe stad eenvoudig in een houten huisje van het model zoals waar hij eerder woonde in Zaandam. Het is net als de Zaanse evenknie nog te bezichtigen. Van hieruit kon hij de bouw van het Petrus-en-Paulusfort overzien. Pas in 1711 was zijn eerste echte Winterpaleis klaar. De tsaar was niet gauw tevreden, versie 2 kwam na een grondige verbouwing van versie 1 klaar in 1721. Hier stierf Peter in 1725, maar zijn echtgenote Catharina I nam het stokje over en al in 1727 resulteerde dit in versie 3.

Het had niet veel gescheeld of in 1837 moest er ook een versie 5 komen, omdat door een brand het totale interieur vernietigd werd. De kunstcollectie, grotendeels door Catharina de Grote bijeengebracht, kon gelukkig behouden worden en zou in 1852 voor het publiek geopend worden in de naastgelegen Hermitage.

De laatste tsaar die het Winterpaleis als residentie gebruikte was Alexander II, vermoord in 1881. Zijn opvolgers Alexander III en Nicolaas II gebruikten het alleen nog als werkpaleis en voor speciale gelegenheden. Dit bleef zo tot het einde in 1917. Na de Oktoberrevolutie bestemden de nieuwe leiders het complex als uitbreiding van de kunstcollectie van de Hermitage. Dat ging niet zonder slag of stoot, want het paleis moest eerst met de nodige schade veroverd worden op de voorlopige regering van Alexander Kerenski, die plaatsgenomen had in een vleugel van het gebouw.

In het andere deel van 1913 ga ik in op uitgiften van Griekenland en het Ottomaanse Rijk.

Ook over 1912 kan ik heel kort zijn, slechts vier zegels, maar toch ook een nieuw onderwerp. Drie van de vier heb ik er.

Dit korte jaar begon op 25 april met de uitgifte van twee zegels in Italië. Deze kwamen er ter gelegenheid van de opening van de herbouwde campanile van de San Marco-basiliek in Venetië op die dag.

Venetië, ooit een vluchtplaats voor door invallende buurvolken verdreven Romeinen, kwam als stadstaat op in de 7’de eeuw en nam als snel in belang toe. In 810 verhuisde doge Agnello Participazio, de leider van Venetië, naar het eiland Rialto en liet daar een eerste dogepaleis bouwen. Niet veel later gaf zijn zoon Giustiniano, doge vanaf 825, opdracht voor een kerk naast dit paleis, gewijd aan St. Marcus en met de bedoeling om de stoffelijke resten van de in het jaar 65 gestorven evangelist onder te brengen. Deze waren door enkele kooplieden gestolen uit Alexandrië, waar de heilige tot dan toe was begraven.

Nadat de kerk een aantal malen was verbrand en weer opgebouwd werd in 1063 het begin gemaakt met de huidige kerk, die al in het jaar 1117 gewijd kon worden. Al in de eerste eeuw na de bouw werd de inrichting aangevuld met kunstwerken die simpelweg tijdens de kruistochten veroverd waren in onder andere Byzantium.

De eerste klokkentoren werd in de loop van de 10’de eeuw gebouwd als uitkijkpost die diende om zicht te hebben op eventuele invallers. Pas in de tweede helft van de 12’de eeuw werden er klokken in gehangen. Verdere her- en verbouwingen, vooral als gevolg van blikseminslagen en aardbevingen duurden tot in 1514, toen de campanile uiteindelijk zijn huidige aanzicht kreeg. In de eeuwen die volgden kreeg de toren nog te maken met vele blikseminslagen en de bijbehorende reparaties.

1902 was een rampjaar voor Venetië en met name de campanile. Al in 1874 was geconstateerd dat de fundering in slechte staat was, maar een structurele oplossing was volgens de bouwkundigen van die dagen nog niet echt nodig, dus het beleef bij kleinere reparaties. In juli 1902 was men bezig aan het herstellen van de het dak van de Loggetta del Sansovino aan de voet van de toren. Tijdens het vervangen van een verbindingsbalk op 12 juli merkten de werklieden al op dat de toren stond te trillen, maar men weet dat aan het geweld waarmee een nieuwe balk op zijn plaats geslagen werd. Toch werd besloten het bouwwerk nauwlettend in de gaten te houden. Op zondag 13 juli bleek de situatie ernstiger dan gedacht en werden zondagse bijeenkomsten op het San Marcoplein al verboden. In de ochtend van 14 juli ging het mis, er liet pleisterwerk van de toren los en om 9:30 werd bevolen dat iedereen het plein moest ontruimen. Dit was net op tijd, want om 9:53 stortte de gehele toren in, waarbij slechts één dodelijk slachtoffer viel te betreuren: de kat van een bewaker. De materiële schade bleef beperkt tot de campanile zelf en de loggetta. Nog dezelfde dag besloot de gemeenteraad dat beiden herbouwd moesten worden. Voor dit project hoestten de stad en de Italiaanse belastingbetaler 500.000 lire op. Koning Victor Emanuel III legde daar uit eigen zak nog 100.000 lire bij.

De herbouw gebeurde in de volgende 10 jaar en op de feestdag van St. Marcus, 25 april 1912 werden de campanile en de loggetta heropend. Volgens overlevering was dit ook exact 1000 jaar na de start van de bouw van de wachttoren.

De postzegels van 5 en 15 centesimi zoals hierboven weergegeven werden ontworpen door de Venetiaanse kunstenaar Augusto Sezanne (1856-1935), die ook verantwoordelijk was voor de rest van de merchandising rondom de heropening van de campanile, zoals hij ook deed voor de vele festiviteiten die in de stad plaats vonden. Posters van zijn hand brengen op veilingen flinke bedragen op.

We zien de toren over de koepels van de basiliek met op de top het beeld van de aartsengel Gabriël en verderop nog enkele beroemde gebouwen met het meest in het oog springend een van de ‘andere’ basilieken (er zijn er vier), die van Santa Maria della Salute, een barokke kerk uit de 17’de eeuw. De jaartallen 1902 en 1912 worden weergegeven en de tekst COME ERA, DOVE ERA (‘hoe het was en waar het was’), om aan te geven dat de campanile precies in dezelfde staat en op dezelfde plek teruggebracht was. Mooie zegels, al zeg ik het zelf.

Wat was er nog meer in 1912? In juni kwamen er drie aanvullende frankeerzegels uit in Bosnië-Hercegovina. Op de 72 heller zien we het stadje Višegrad met de laat-16’de eeuwse Mehmed Paša Sokolović-brug, die sinds 2007 op de werelderfgoedlijst staat.

Ten slotte in september weer een reeksje beroemdheden en het landswapen van Bolivia. De laatste zegel was gelijk aan de uitvoering van 1901, maar nu in de kleur zwart. Waarvan akte met een plaatje.

1911 telde slechts 10 zegels. Dat is niet zoveel, maar er waren wel twee nieuwe landen met dus twee nieuwe onderwerpen. Ga mee naar Italië en Bulgarije.

Maar eerste even kort naar Tasmanië. In 1911 kwamen definitief de laatste zegels hier uit. Het waren nog een drietal waarden van de serie van 1898, waar ook de 4 pence met de Russell Falls bij was. Deze keer in boekdruk.

Zoals vorige keer gemeld kwam Zwitserland met een serie portvrijdomzegels, bedoeld voor instanties die wettelijk geen port hoefden te betalen, in dit geval organisaties voor het ‘algemeen nut’. De serie was dezelfde als de portzegels van 1910, dus met de alpenrozen en in een iets afwijkende kleur. De zegels hadden wel een frankeerwaarde, maar in het waardekadertje is die vergezeld van twee letters P. Welke organisatie het betrof is te zien aan een controlenummer van drie cijfers bovenaan de zegel. Zegels zonder controlenummer zijn aanzienlijk duurder. Het nummer van deze serie heeft altijd kleine cijfers, latere uitgiften hebben grotere cijfers.

De Mexicaanse onafhankelijkheidsserie van 1910 werd in 1911 als dienstzegels heruitgegeven met opdruk OFICIAL, waaronder ook de Granaditas van 5 pesos. Deze zullen we voorlopig niet in de verzameling aantreffen wegens de prijs en de verkrijgbaarheid.

Bulgarije gaf op 14 februari een serie van 12 frankeerzegels uit met verschillende onderwerpen. Naast portretten van tsaar Ferdinand waren dat ook landschappen. Op de zegel van 30 stotinki zie je de binnenhof van het Rila-klooster, gelegen in het Rilagebergte zo’n 120 kilometer ten zuiden van Sofia. Het Rilaklooster is gesticht in de eerste helft van de 10’de eeuw door de  volgelingen van de kluizenaar Ivan van Rila (876-946), die in de orthodoxe kerk zijn feestdag heeft op 19 oktober. Rond zijn 25’ste verjaardag verliet hij zijn bestaan als herder om zijn leven aan God te wijden. Eenmaal monnik geworden, trok hij naar het Rila-gebergte waar hij de rest van zijn leven biddend in een grot sleet en wonderen verrichtte voor de lokale bevolking. Hiermee verkreeg hij een schare volgelingen die hun kampen in de buurt van de kluizenaarsgrot stichtten. Uit deze nederzettinkjes ontstond wat later een eerste klooster.

Het huidige klooster begon zijn bestaan in de 14’de eeuw, delen ervan zoals de Hreljatoren, genoemd naar de toenmalige bouwheer, en een kapel daarnaast, werden gebouwd tussen 1334 en 1340. Het complex breidde zich gaandeweg uit en in 1469 konden de resten van Ivan van Rila, die in Sofia rustten, overgebracht worden. In 1833 viel het klooster ten prooi aan brand, maar werd in de volgende 30 jaar herbouwd. In 1983 kwam het als nummer 216 op de Werelderfgoedlijst. Het fungeert nog steeds als klooster, maar er is ook een museum en het is nu een van de toeristische trekpleisters van Bulgarije.

Italië vierde zijn 50’ste verjaardag op 1 mei met een serie van vier toeslagzegels om de festiviteiten te ondersteunen. Op de zegels allemaal symbolische afbeeldingen, maar om de 5 centesimi gaat het hier. Te zien is hier een ruiter met paard. Het lijkt me meer iemand die het paard probeert te temmen, want hoe moet je opstijgen met een zwaard in je linkerhand. En waar laat je dat in al je blootheid. Enfin, daar gaat het verder niet om, wel om het gebouw op de achtergrond. Dit is het Senatorenpaleis in Rome, wat nu dienstdoet als stadhuis. Het staat aan het imposante Piazza del Campidoglio, het hart van een van de zeven heuvels waarop Rome gebouwd is. Direct achter het stadhuis ligt het Forum Romanum, dus we zijn hier in het werkelijk oude Rome.

Een senaatsgebouw was er al voor onze huidige tijdrekening, maar zoals dat wel vaker ging in de Middeleeuwen verviel dit gaandeweg. Een deel van het gebouw werd gebruikt als Tabularium, eigenlijk een eerste vorm van een stadsarchief, waar de belangrijkste documenten werden bewaard. Dit deel werd in de 12’de eeuw door de aanzienlijke familie Corsi van het stof ontdaan en omgebouwd tot hun eigen stadspaleis. Lag de hoofdingang ooit aan de kant van het Forum, nu kwam deze aan de andere kant.

In de tweede helft van de 16’de eeuw volgde een aanzienlijke verbouwing, die het paleis zijn huidige aanzicht gaf. De ontwerper van al dit moois was Michelangelo, onder wiens toezicht de dubbele trap ontstond en de inrichting van het plein, waaraan in deze tijd ook het Palazzo Conservatori en het Palazzo Nuovo (beide vormen nu het Capitolijns Museum) verrezen.

Nadat Rome definitief tot Italië was gaan horen na de verovering van het restant van de Kerkstaat in 1870 werd het Senatorenpaleis ingericht als stadhuis en dat is het tot de dag van vandaag.

Het andere bouwwerk, links van het paard, is de Mole Antonelliana, een opvallend gebouw in Turijn uit 1863, ooit bedoeld als synagoge, maar nu de behuizing van een filmmuseum. Turijn was vóór 1871 de hoofdstad van het in 1861 verenigde Italië en als waardering daarvoor is de Mole ook te zien op het euromuntje van 2 cent. In Turijn zijn alleen de drie koninklijke paleizen werelderfgoed. Daarover later.

 

 

 

1909 was een slecht jaar dat met gemak overgeslagen kan worden. Toch een kort overzichtje van de 5 zegels die ik niet heb.

Bolivia vierde met een serie van vier zegels het eeuwfeest van start van de onafhankelijkheidsoorlog in 1809. De eerste zegel toont het wapen van het land, de andere drie betrokkenen bij die revolutie.

Na Brazilië had ook Ecuador zijn nationale tentoonstelling, die in 1909 in het centrum van Quito gehouden werd ter gelegenheid van het feit dat ook daar in 1809 de revolutie was uitgebroken. De serie van negen laat betrokkenen zien en de hoogste waarde van 5 sucre het tentoonstellingsgebouw.

Ook China gaf zijn eerste Werelderfgoedserie uit. Dit was om te vieren dat Puyi, de laatste keizer, een jaar op de troon zat. Het jochie was inmiddels 3, maar keizers worden niet geportreteerd, ook de kleintjes niet. Zodoende moeten we het met de Tempel van de Hemel doen, het belangrijkste heiligdom van Beijing. Ook geen straf trouwens.

1910 deed het met 16 zegels niet verschrikkelijk veel beter, maar er is toch één nieuw onderwerp, dat ik kan laten zien.

Mexico vierde in dit jaar het begin van de onafhankelijkheidsoorlog 100 jaar eerder met een serie van 11 zegels. Ook hier portretten van revolutionairen met daaronder de onvermijdelijke Miguel Hidalgo. De hoogte drie waardes zijn gewijd aan gebeurtenissen uit die tijd. Op de 5 peso zien we de aanval op de Granaditas (de graanschuur) van het historische mijnstadje Guanajuato dat sinds 1988 op de lijst staat. Ook had het land een serie dienstzegels, opdrukken OFICIAL op oudere zegels. Ook de zegel van 5 pesos van 1899 moest het ontgelden.

In Colombia kwam op 20 juli een serie uit ter gelegenheid van het eeuwfeest van de onafhankelijkheid. Deze bestond uit 8 frankeerzegels met portretten en historische voorstellingen, een zogenaamd reçuzegel voor ontvangstbevestiging met portret van de volksheld José Acevedo y Gómez en een zegels van 10 centavos voor aangetekende stukken met daarop de historische gebeurtenis van de executie van negen opstandelingenleiders door de Spanjaarden voor de poorten van Cartagena op 24 februari 1816, toen de opstand net neergeslagen was.

In Oostenrijk werd de 80ste verjaardag van keizer Franz Joseph gevierd door uitgiften in zowel het moederland als in Bosnië-Hercegovina. Men maakte geen tijd vuil aan een nieuw ontwerp, maar pakte het werk van Moser en Schirnböck erbij, verlengde de zegels aan de boven- en onderkant, zodat ruimte vrijkwam voor de jaartallen 1830 en 1910. Op de Bosnische zegels was de verlenging alleen aan de onderkant en daarin de jaartallen samen ‘1830-1910’.

Eiger, Mönch en Jungfrau op de Alpenrozenserie

Nieuw op de kaart is Zwitserland. Hier verscheen op 1 september een serie portzegels die bekend staat onder de naam ‘Alpenrozen’. Bijna niemand praat verder over het berglandschapje op de achtergrond, maar gelukkig is het wel bekend: het zijn de Eiger, Mönch en Jungfrau. Dit drietal hoort tot het Berner Oberland. Ze liggen, zoals de omschrijving al doet vermoeden, naast elkaar en worden daarom vaak in één adem genoemd. De Eiger is de kleinste met een top van 3970 meter. Voor klimmers is dit een uitdaging, de noordwand hoort tot de gevaarlijkste beklimmingen van de Alpen. De westwand is een stuk eenvoudiger en in 1858 voor het eerst beklommen.

In het midden ligt de Mönch, deze telt 4107 meter en werd een jaar eerder dan de Eiger voor het eerst bedwongen. De Mönch wordt door de Jungfraujoch (3454 meter) verbonden met de Jungfrau, de bekendste van de drie en ook de hoogste met 4158 meter. Deze werd al in 1811 voor het eerst beklommen, waarmee voor de eerste keer door mensen de 4000 meter werd overwonnen binnen Zwitserland. Samen met de Mönch hoort de Jungfrau tot de meest beklommen bergen van Zwitserland. Tot de Jungfraujoch gaat een kabelbaan, zodat het er alleen maar makkelijker op wordt.

In 2001 werden de drie bergen samen met een 15-tal andere pieken rondom de Aletsch-gletsjer en ander gletsjers verkozen tot werelderfgoed (nr. 1037). De serie van 9 die hierboven te zien is vormde de basis voor de portvrijdomzegels die Zwitserland vanaf 1911 ging uitgeven. Daarover de volgende keer.

 

 

 

 

Dominica gaf in 1908 de derde versie van zijn serie Gezicht op Roseau uit. Deze keer in andere kleuren, die in de catalogus worden omschreven als Nyasakleuren. Wat hiermee bedoeld wordt is niet helemaal duidelijk, zeker gezien de afstand tussen het West-Indische eiland en de toenmalige Britse kolonie in zuidelijk Afrika, die we nu kennen als Malawi. Nyasaland gaf pas eerst in 1908 postzegels uit, wel in dezelfde kleurstelling.

Maar goed, een geluk bij een ongeluk: de verkrijgbaarheid is iets hoger en zowaar: ik heb er een! Deze zegel is meestal wel voor hooguit een paar dubbeltjes te vinden, maar toch.

Net zoals St. Lucia en Réunion is Dominica op de werelderfgoedlijst gezet vanwege zijn pitons. Dat gebeurde in 1997 onder nummer 814 en daarmee was dit eiland de eerste (St. Lucia volgde in 2004, Réunion in 2010). Officieel heet het park Morne Trois Pitons en het werd geopend in 1975. Prominent op de zegel is Watt Mountain (alias Morne Watt) te zien, met 1224 meter de derde hoogste berg van Dominica. De hoogste, Morne Diablotin, ligt buiten het park op het noorden van het eiland, terwijl de Morne Trois Pitons, waar het park naar vernoemd is, niet zichtbaar is, tenzij dat de verhoging is aan de linkerkant van het zegelbeeld. Nabij Morne Watt vind je twee bijzondere aandachttrekkers: het zogenaamde Boiling Lake, waar het water constant tegen het kookpunt is en dodelijke vulkanische gassen af en toe opstijgen. Het werd voor het eerst gezien door buitenstaanders in 1875, toen een zekere Edmund Watt (ja die…) onderzoek deed in het gebied. Vlakbij Boiling Lake ligt de Valley of Desolation, prachtig, maar zonder gedegen voorbereiding kan een bezoek dodelijk uitpakken.

Zanzibar was in 1908 vrij nieuw in de postzegelwereld, in 1895 kwamen de eerste zegels uit, zegels van India en Brits Oost-Afrika met opdruk, in 1896 gevolgd door het portret van de regerende sultan. In 1908 was dat Ali bin Hamoud (1884-1918). De hogere waardes tonen het sultanspaleis in Stone Town, maar deze rupeewaardes, 7 stuks maar liefst, werden slechts in kleine oplages uitgegeven, grotendeels voor fiscale doeleinden gebruikt en zijn voor de gewone portemonnee onbetaalbaar.

Op 14 juli gaf Brazilië twee zegels uit voor verschillende doeleinden. De eerste, hier rechts te zien, vierde het eeuwfeest van het openstellen van de Braziliaanse havens voor niet-Portugese schepen. De opening van de havens hield ook nauw verband met het verhuizen van het Portugese hof naar Rio vanwege de oorlog op het Iberisch schiereiland, wat in november 1807 plaatsvond. Napoleon zou op 1 december van dat jaar Lissabon bezetten, dus ze waren maar net op tijd weg en zouden er deels tot 1821 blijven, toen Brazilië als keizerrijk onder Pedro I verder zou gaan en Portugal Maria II als koningin kreeg.

Dat een en ander groots gevierd werd blijkt wel uit de enorme hoeveelheid informatie die op de zegel te zien is en voornamelijk allegorisch van aard is. Naast landsnaam, waarde-inschrift en jaartallen zien we de portretten van koning Carlos I en president Afonso Pena. Wat de eerste betreft: de koning was niet op de viering aanwezig en zelfs op het moment van uitgifte van de zegel geen koning meer, aangezien hij op 1 februari 1908 in een republikeinse poging tot een coup werd vermoord. Ook Pena zou het niet lang meer maken, hij overleed op 14 juni 1909, 61 jaar oud, in het harnas.

Links en rechts staan de wapenschilden van Portugal en Brazilië. Verder zien we verpersoonlijkingen van Portugal en Brazilië in de vorm van een geharnaste conquistador en een vrouwenfiguur gehuld in een doek met sterren en iets wat lijkt op de moderne vlag met de hemelglobe waarin het Zuiderkruis een prominente plaats inneemt. Op de achtergrond voor die tijd moderne schepen, feestelijk versierd met vlaggen. En achter het laatste schip rechts, ja hoor, het is even zoeken: de Pão de Açucar.

Deze staat duidelijker in beeld op de andere zegel, uitgegeven voor de nationale tentoonstelling van Rio de Janeiro, die op 11 augustus 1908 stond te beginnen, overigens om de gebeurtenissen van een eeuw eerder nog eens te benadrukken en ook werd het eeuwfeest van de Botanische Tuinen van Rio, waar een deel van het programma werd uitgevoerd, gevierd. Het begon allemaal een maand te laat, duurde uiteindelijk tot 15 november en trok ongeveer een miljoen betalende bezoekers. Naast de – nu liggende – vrouwenfiguur zien we symbolen van industrie en welvaart.

De oudste stad van Canada is Quebec en dat vierde zijn 300-jarig bestaan in 1908. Op 16 juli verscheen een serie van 8 zegels van 1/2 tot 20 cents. De hoogste waardes zijn vrij duur. Op de zegels vooral koninklijke en kroonprinselijke portretten als mede die van Jacques Cartier, de eerste Europeaan die Canada bezocht en Samuel Champlain, die de stad stichtte. Op de 5 cents zijn residentie in Quebec en op de 10 een stadsgezicht van ongeveer 1700.

Net als in bijna alle andere Franse koloniën kwam ook Indochina met een serie lokale bezienswaardigheden. Hier werden vrouwen uit de delen van Indochina (Laos, Cambodja, Vietnam en delen van zuidelijk China) geportretteerd. Anders ging het met de portzegels. Hier maakte koloniaal ontwerper Puyplat gebruik van het bekendste erfgoed dat de kolonie rijk was: Angkor Wat in Cambodja (668, 1992). Prominent in beeld een drakenbeeld uit dit tempelcomplex. Deze drakenbeelden waren, samen met vele andere dierenbeelden, bedoeld om de westelijke toegangsbrug over de brede hoofdgracht te bewaken.

Angkor Wat, het beste te vertalen als stadstempel werd in de eerste helft van de 12’de eeuw gebouwd als een aan Vishnu gewijde hindoeïstische tempel. Dit was tijdens de regering van de Khmer-koning Suryavarman II. Na een eerste verwoesting door de Champa, de traditionele vijanden van de Khmer, werd de tempel herbouwd door Jayavarman VII. Deze was boeddhist en zo ging Angkor over van religie.

Om het complex werd een brede gracht gegraven en dat is waardoor de tempels eigenlijk door de eeuwen heen nooit ‘weg’ is geweest, zoals andere die in de loop van de tijd opgenomen werden in het oerwoud om pas bij moderne expedities weer gevonden te worden. Zodoende is Angkor Wat vele generaties in de herinnering gebleven. Reizigers uit vele landen kwamen er al vanaf de 16’de eeuw en tegenwoordig is het de grootste toeristische hotspot van de regio.

In 1908 waren er nog eens twee zegels meer dan in 1907, maar uiteindelijk heb ik er slechts zeven met wél vier verschillende nieuwe onderwerpen, dus ga er maar eens goed voor zitten! Ik doe deze weer in tweeën

Het eerste deel is gewijd aan Oostenrijk, een nieuwkomer op de lijst die tot dan toe wapenschilden, Mercuriuskopjes (voor de krantenzegels) en – vooral – keizer Franz Joseph I had afgebeeld. Maar 1908 was een bijzonder jaar, want de keizer zat 60 jaar op de troon en was hard op weg om koningin Victoria met haar 64 jaar regering te passeren. Franz Joseph zou inderdaad tot zijn dood in 1916 de 68 vol maken.

In dezelfde art-nouveau-achtige stijl als de Bosnische frankeerzegels van 2 jaar eerder kwam een serie van 18 zegels uit, ontworpen door Koloman Moser (1868-1918), een van de grootste moderne kunstenaars van zijn tijd en in 1897 mede-oprichter van de Wiener Secession waar ook Gustav Klimt deel van uitmaakte. Moser verliet in 1905 de Wiener Secession, maakte nog korte tijd deel uit van de Wiener Werkstätte, maar werkte in 1908 als zelfstandig kunstenaar. Zijn partner bij deze serie was de schilder en graveur Ferdinand Schirnböck (1859-1930). Deze was jarenlang in Argentinië actief geweest en had daar ook meegewerkt aan twee frankeerseries. Na zijn terugkeer in Oostenrijk was hij verantwoordelijk voor de eerder genoemde en besproken Bosnische zegels en naderhand graveerde hij voor tal van landen, zoals Zweden, Montenegro en Luxemburg tot Thailand en Turkije aan toe. De laatste zegels, die drie jaar na zijn dood verschenen, kwamen uit het Vaticaan.

Verhouding middenpartij Schönbrunn ten opzichte van Gloriette op Google Earth

Op zes van de zegels zien we portretten van de voorgangers van Franz Joseph, tussen 1711 (Karl VI) en 1848 (Ferdinand I). De andere tonen portretten van de keizer zelf in 1848, 1878 en 1908 en een viertal statieportretten. Twee van de zegels zijn gewijd aan paleizen in en buiten Wenen.

Op de 2 kronen is dat het slot Schönbrunn, in 1996 als nummer 786 ingeschreven op de werelderfgoedlijst. Dit paleis werd gebouwd en voltooid in dezelfde periode als Versailles en ons eigen Paleis het Loo, in een tijd dat heersers als Lodewijk XIV, Leopold I en dus ook onze stadhouder Willem III graag wilden laten zien wat ze in huis hadden qua macht en rijkdom. In Oostenrijk was er een bijkomende reden: een ouder paleis, dat tussen 1638 en 1643 gebouwd was op dezelfde plek werd tijdens het beleg door de Ottomanen in 1683 verwoest en daarom moest er iets nieuws komen. In 1696 startte de bouw van het nieuwe paleis, waarvan de opdracht in 1686 al was gegeven aan bouwmeester Johann Bernhard Fischer von Erlach (1656-1723). Deze kwam aanvankelijk met een bouwplan dat Versailles in de schaduw moest stellen, maar dat was financieel niet haalbaar. In 1701 kwam een veel kleiner paleis klaar, dat in gebruik werd genomen door toekomstig keizer Joseph I (1678-1711). Na diens dood was het pas eerst zijn nicht Maria Theresia (1717-1780) die Schönbrunn tot haar officiële buitenverblijf maakte en het fors liet uitbreiden. Ook liet zij tussen 1775 en 1780 de Gloriette bouwen, een paviljoen voor de keizerlijke feesten en partijen, waar Franz Joseph graag zijn ontbijt gebruikte. Na de val van het Habsburgse keizerrijk heeft het paleis diverse functies gehad, onder andere zat de Britse bezettingsmacht er na de Tweede Wereldoorlog, maar tegenwoordig is het grootste deel ingericht als museum en een kleiner deel wordt gebruikt voor bewoning. Op de postzegel is een vooraanzicht te zien met boven het paleis de Gloriette, dat vanwege de afstand tot het paleis, zo’n 750 meter, niet erg in verhouding getekend is. Bovendien kun je vanaf grondniveau de Gloriette niet eens zien. Artistieke vrijheid dus.

Is Schönbrunn met zijn 1441 kamers en zalen al best wel groot, het officiële regeringspaleis van de keizer (en tegenwoordig de Oostenrijkse president) is de Hofburg en dat is het één na grootste in zijn soort in Europa, slechts voorbijgestreefd door de moderne barakken waar vanuit buurland Hongarije wordt bestuurd. De Hofburg in het centrum van Wenen (nr 1033, 2001) is niet zozeer een paleis, maar een complex aan gebouwen, waarvan de oorsprong al in de 13’de eeuw ligt. Ook de beroemde Spaanse Rijschool hoort bijvoorbeeld bij het ensemble.

Op de postzegel staan we op het grote binnenplein. In der Burg geheten. Rechts de zogenaamde Reichskanzleitrakt, tussen 1722 en 1726 gebouwd door Joseph Emanuel Johann Fischer von Erlach (1693-1742), zoon van de bouwer van Schönbrunn. Dit barokke gebouw verving een kleinere voorganger dat rechts op het schilderij van de Dordtse kunstenaar Samuel van Hoogstraten (1627-1678) te zien is (Van Hoogstraten was enkele jaren in Wenen werkzaam).

Gezicht op de Hofburg te Wenen, door Samuel van Hoogstraten, 1652 (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Frontaal op het schilderij en links op de postzegel zien we de Amalienburg, een van de oudste nog bestaande gebouwen van de Hofburg en gebouwd in de 16’de eeuw. Het kreeg pas zijn naam in 1711 toen de weduwe van keizer Joseph I, Amalia Wilhelmina van Brunswijk-Lüneburg (1673-1742), hier kwam wonen. Bijzonder aan het gebouw is dat er twee uurwerken boven elkaar op zitten, beneden een zonnewijzer en daarboven een mechanische klok.

Ten slotte is op de zegel nog het standbeeld voor keizer Franz I (1768-1835) te zien. Hij was de laatste keizer van het Heilige Roomse Rijk, dat in 1806 werd opgeheven. Franz was daarna ‘gewoon’ keizer van Oostenrijk. Het beeld werd in 1846 hier geplaatst en gemaakt door de Italiaan Pompeio Marchesi (1789-1858).

De serie zou twee jaar later, bij de 80’ste verjaardag van de keizer, in zijn geheel herhaald worden, maar dan in een groter formaat om het jaartal 1910 toe te laten.

Recent zijn de volgende zegels in de collectie toegevoegd (tot en met 1907)

Egypte 1872

Kaap de Goede Hoop 1902

Tunesië 1906

Tunesië 1906

Het jaar 1907 werd het drukste tot dan toe, maar liefst 33 zegels konden bijgeschreven worden en daarvan heb ik de helft, terwijl de andere helft dan weer niet tot de mogelijkheden behoort, vrees ik. Het totaal zou de 300 overschrijden. Even ter vergelijking: bij de inventarisatie ben ik in 1954 en heb er zo’n 6300 geteld, dus in 1907 zaten we tegen de 5 % van 1954.

Dienstzegels van Egypte, tweede uitgifte

In ieder geval geen probleem is zijn de dienstzegels van Egypte die dit jaar verschenen, die heb ik dan weer allemaal. Allemaal netjes overdrukt met O.H.H.S., oftewel On His Highness’ Service, waarmee de khedive werd bedoeld, in deze jaren Abbas II (1874-1944). Abbas regeerde van 1892 tot 1914, toen hij door de Britse regering afgezet werd en vervangen door een kandidaat die de geallieerden in de Eerste Wereldoorlog wél zou steunen. Ze vonden Hoessein Kamel, oom van de afgezette Abbas, en die kreeg als eerste de eretitel sultan.

Dominica kwam met een heruitgave van de serie ‘Gezicht op Roseau’ van 1903, wederom 9 stuks, aangevuld met een hoogste waarde gewijd aan koning Edward VII. Ze hadden het nieuwe watermerk ‘Kroon CA meervoud’. Evengoed zijn ze slecht te vinden en ik heb er dan ook nog geen één van. In 1908 komt er zelfs alweer een derde uitgave.

Ook een serie die niet vaak aangeboden wordt zijn de eerste dienstzegels van Nieuw-Zeeland. De bekende landschapjes werden overdrukt met een verticale opdruk OFFICIAL. De 1/2 penny en de 2 pence hebben helemaal geen moeilijke waarde, dus vreemd is het wel. de 2 en de 5 shillings liggen inderdaad niet binnen mijn bereik voorlopig.

Standbeeld van Simon Bolivar in Lima

Beter gaat het met de nieuwe serie frankeerzegels in Peru. Het gaat hier voornamelijk om portretten en standbeelden van Zuid-Amerikaanse beroemdheden, een lama en enkele gebouwen in Lima, die niet binnen de grenzen van het werelderfgoed vallen. Twee zegels horen er wel bij. De eerste is de 5 centavos met het standbeeld van Simon Bolivar, die ook hier enkele jaren president was. Dit ruiterbeeld staat op het officieuze Plaza Bolivar, want het parkje ligt tussen vier andere straten. Bolivar was hier van 1824 tot 1827 de dictator, die zowel de politieke als de militaire leiding had. In dit stuk besprak ik al zijn andere levensfeiten.

De andere zegel van belang uit de serie, van 50 centavos, laat het postkantoor zien, dat in 1907 10 jaar bestond en wat ik in 1897 al besprak. Deze zegel heb ik nog niet.

Eilandkaart van Réunion

Réunion startte in 1907 een nieuwe serie waarop de plaatselijke ‘pitons’ een plaatsje hebben. Het eiland, ook toen al nauw verbonden met het Franse moederland en nu een overzees departement met Franse postzegels, gaf al in 1851 de eerste provisorische postzegels uit en tot 1907 bestond het uitgiftebeleid uit hete gebruikelijke nieuws van Franse koloniën: een variant van de Franse Paix et Commerce en vele opdrukken. In de eerste jaren van de 20’ste eeuw veranderde dat beleid en verschenen in de vele overzeese gebieden nieuwe eigen series met eenvoudige ontwerpen. In Réunion was dat een landkaart met daarop duidelijk het reliëf aangegeven waarmee het in 2010 op de Werelderfgoedlijst als nummer 1317 werd ingeschreven. Dit betrof de waardes van 1 centime tot en met 15 centimes. In al hun eenvoud een aandachttrekker voor toeristen en het zal allicht geholpen hebben wat kapitaalkrachtiger en avontuurlijker Fransen naar het eiland te lokken.

Gezicht op St. Pierre

De tussenwaardes toonden de haven van Saint-Dénis, de hoofdplaats van het eiland, maar de hoogste waardes van 1, 2 en 5 francs tonen een blik op het aan de zuidkant van het eiland gelegen Saint-Pierre zien met op de achtergrond de vulkaan Dolomie, beter bekend als de Piton de Fournaise, de meest ruige van het eiland. Op het kaartje van de zegels hierboven kun je precies zien waar Saint-Pierre en de Fournaise liggen!

De eerste expressezegel van San Marino

De rest van de zegels van het jaar komen uit San Marino. Op 25 maart kwam er de eerste expressezegel uit. Dit soort zegels was wereldwijd sowieso een nieuwigheid *) en het is daarom verrassend dat het kleine republiekje er al zo vroeg in de geschiedenis mee kwam. Opmerkelijk aan de rechterkant de Italia met de ‘muurkroon’ (Italia Turrita), die we van vele Italiaanse naoorlogse zegels kennen en nog opmerkelijker de bijl in een pijlenbundel, in een tijd dat Mussolini nog een simpel schrijvertje van socialistische brochures was en bijna 15 jaar voordat hij de fasces tot beeldmerk van zijn eigen, al lang niet meer socialistische beweging had gemaakt. Uit alles blijkt dat de zegel vooral voor het verkeer naar Italië bedoeld was.

Uitgifte mei 1907

Ten slotte nog twee andere zegels, die op 1 mei het licht zagen in de waardes van 1 centesimo en 15 centesimi met centraal het wapenschild omringd door hulst- en eikenloof. Van dit serietje zijn twee versies. De eerste versie kwam uit Italië van het Officina Calcografica Italiana, die verantwoordelijk was voor de Italiaanse postzegelproductie in de eerste 10 jaar van de eeuw. Een tweede versie kwam van het Romeinse Tipografia Petiti, met name in de jaren 1919 tot 1923 actief

 

*) De Verenigde Staten gaven in 1888 de eerste uit, de eerste Europese expressezegel verscheen in Italië in 1903

8 september 2014 was een dag die de filatelistische wereld nog lang zal heugen. Conservatieve verzamelaars uit meestal confessionele hoek konden het niet waarderen, de progressieve kant vond het wel mooi: het Finse velletje gewijd aan het werk van de kunstenaar Tom of Finland (1920-1991), die gespecialiseerd was in homo-erotische kunst, stoere mannen met leer en petten en zo. Was dat nou de eerste keer dat zoiets op een postzegel kwam? Vrouwelijk naakt was al lang bekend. In 1930 zette Spanje pontificaal de Naakte Maya van Francisco Goya op een postzegel en ook een land als Roemenië wist er rond 1970 wel raad mee. Mannelijk naakt was er in symbolische zin al wel in de 19’de eeuw, zie bijvoorbeeld mijn stukje over Paix et Commerce. Maar een stel naakt worstelende mannen, daarmee had Griekenland de primeur.

De serie van 14 zegels, uitgegeven op 25 maart (oude stijl) was gewijd aan de Olympische Spelen van 1906 in Athene. In 1900 en 1904 hadden Parijs en St. Louis Olympische Spelen gehouden, gekoppeld aan een Wereldtentoonstelling. De Grieken wilden gewoon weer terug naar de sport en organiseerden in 1906 een kortdurend sportevenement van slechts 12 dagen en het was de bedoeling dat naast de grote Spelen in ieder tussenjaar er kleine Spelen kwamen, maar in 1910 kreeg Griekenland de organisatie niet rond, mede door de oorlogsdreiging op de Balkan, waarna het plan verder geschrapt werd. Bovendien maakte Londen in 1908 er ook een puur sportfestijn van, zonder de toeters en bellen van een Wereldtentoonstelling.

Op alle zegels zien we afbeeldingen uit de klassieke Griekse mythologie. De worstelaars zijn dan ook niet zomaar worstelaars, maar mythologische figuren. De Michelcatalogus noemt ze Herakles en Antaios, maar dat lijkt me sterk. Antaios was immers een reus, die nimmer verslagen kon worden en de enige die het wel lukte was Herakles, die ontdekte dat Antaios alleen maar sterk was als hij in verbinding met Moeder Aarde stond. Door hem op te tillen verloor hij het contact en was dus hulpeloos. Dit zien we niet op deze zegel gebeuren.

De mannen vechten aan de voet van de Akropolis van Athene, reden waarom hij in de collectie thuis hoort. De Akropolis had al in 1300 v.Chr. een nederzetting, maar de beroemde bouwwerken zoals het Parthenon en het Erechteion werden opgericht in de 5’de eeuw v.Chr. Ze werden in 1987 als nummer 404 ingeschreven op de lijst.

Op 28 juli was het de beurt aan Haïti. Hier kwam een serie van 13 waarden uit voor gebruik op post naar het buitenland. De onderwerpen waren een aantal highlights van Port-au-Prince, een portret van regerend president Nord-Alexis (1820-1910) en het staatswapen. Op de 4 Centimes de Piastre komen we het enige werelderfgoed van Haïti tegen, namelijk slot Sans-Souci, in 1982 als nummer 180 ingeschreven.

Sans-Souci is nog niet heel oud. Het werd tussen 1810 en 1813, kort na de onafhankelijkheid van Haïti, gebouwd in opdracht van Henri Christophe. Hij was het tweede staatshoofd van het land en de enige die zich koning noemde als Henri I, voordat in 1820 een republikeinse staatsvorm gekozen werd, die in 1849 voor 10 jaar onderbroken werd door een keizerrijk. Sans-Souci was een van de vele bouwwerken die in zijn tijd verrezen, maar in dit geval moest het wel paleizen als Versailles, Schönbrunn en de naamgenoot in Potsdam naar de kroon steken. Het verrees op de plaats van een plantage waar Christophe eerder de scepter zwaaide. In 1820 pleegde hij er zelfmoord, waarna de republiek werd uitgeroepen. In 1842 werd het eens zo roemruchte paleis getroffen door een zware aardbeving en is sinds die tijd een ruïne.

Voor het laatste nieuwe onderwerp gaan we naar Bosnië-Hercegovina, dat sinds 1879 bezet was door Oostenrijk-Hongarije en in 1908 zelfs geannexeerd werd. Tot 1906 verschenen er postzegels met wapenschilden om aan te geven wie er de baas was, maar op 1 november kwam daar verandering in met een serie van 16 verschillende plaatjes van landschappen, stadsgezichten, postale vervoermiddelen als een pakezel, een postkoets en zelfs een postauto (als ik het wel heb de eerste auto ooit op een postzegel!), terwijl de hoogste waarde van 5 kronen gereserveerd was voor keizer Franz-Josef II.

Op de 2 en de 20 heller zien we twee verschillende afbeeldingen van Mostar. Op de 2 heller kijken we op de stad vanaf de zuidzijde en over de rivier de Neretva en zien daarmee het grootste deel van de oude moslimstad, op de 20 staan we een stuk dichter bij de brug.

De Stari Most in kwestie werd in 1566 voltooid en verving een ouder houten exemplaar. Vers op het netvlies van velen staan de beelden uit de herfst van 1993 toen de brug verwoest werd door…, ja door wie eigenlijk? De moslims (Bosniakken) gaven de Kroaten de schuld en andersom. De waarheid ligt ergens in het midden en dan iets aan de Kroatische kant volgens de laatste berichten. In 2001 startte de herbouw, in 2004 werd de brug feestelijk heropend en in 2005 volgde inschrijving op de Werelderfgoedlijst als nummer 946. Mostar is nu weer het vredige toeristenstadje van weleer al heerst er nog steeds een psychologische scheiding tussen de katholieke Kroaten en de islamitische Bosniërs, die elk in hun eigen deel van de stad wonen. Het jaarlijkse brugspringen, een heldhaftige toer die je vanaf 20 meter hoog in de koude Neretva brengt is in ieder geval weer in ere hersteld en is nog altijd het grootste evenement in Mostar.