Het jaar 1879 was het eerste waarin er twee uitgiftes waren, maar het betrof er wel twee van hetzelfde land: Egypte.

Het zouden de laatste zegels zijn onder her bewind van Isma’il Pasha. Onder zijn bewind, begonnen in 1863 als wali (gouverneur) onder het Ottomaanse Rijk, en gepromoveerd tot khedive (onderkoning) kwamen de eerste postzegels tot stand, naast vele andere nieuwe instellingen en hervormingen. Isma’il ging er prat op het land het modernste van Afrika te maken en zelfs moderner dan diverse landen in Europa. Daarnaast voerde hij een heilloze en kostbare oorlog tegen Ethiopië en alles bij elkaar had hij zoveel leningen uitstaan in Europa, met name in Engeland en Frankrijk, dat de staatsschuld huizenhoog opliep. Dat leidde ertoe dat hij de Egyptische aandelen in de Suezkanaal Compagnie aan de Britten moest verkopen, wat kwaad bloed zette bij zijn eigen onderdanen. Op 26 juni 1879 zette kolonel Ahmed ‘Urabi Isma’il af en verving hem door zijn zoon Tewfik Pasha. Niet dat het tij daarmee gekeerd kon worden, want Tewfik had geen enkele ambitie om het naderende Frans-Britse onheil te weerstaan en de facto leider ‘Urabi deed nog wel alles om Egypte te verdedigen, maar kon in september 1882 niet voorkomen dat de Britten het land bezetten. Pas in 1936 werden de laatste troepen teruggetrokken en in 1954 verdween de Britse invloed geheel na de afzetting van koning Faroek.

Terug naar 1879 en toen Isma’il nog in het zadel zat: op 1 januari werden zegels van 2 1/2 paras van de serie 1872 opgeruimd door ze vet te overdrukken met waardes van 5 en 10. Niet de allerfraaiste opdrukken eerlijk gezegd. De grote cijfers, zeker van de 10 paras, nemen een flink deel van het zegelbeeld in beslag. De verkrijgbaarheid van de zegels is ondanks de iets hogere prijzen goed en ze zitten ook al een tijdje in de collectie, de 5 paras zelfs ongebruikt, maar er is vrijwel geen verschil

Op 1 april bracht de Egyptische regering een nieuwe serie naar de postkantoren, zes maal dezelfde opstelling van sfinx en piramide, sterk verfijnd ten opzichte van 1872, maar nu in zes verschillende kaders,. De druk werd verzorgd door De la Rue. De waardes waren vertrouwd: 5, 10 en 20 paras, 1, 2 en 5 piaster. Het plaatje bleef tot 1914 en de invoering van een nieuwe serie in zwang. In de tussentijd kwamen er vooral nieuwe waardes uit, mede door het in 1888 vervangen van de para door de millième. Ook kwamen er opdrukken: een waarde-opdruk, alsmede dienstzegels en eigen zegels voor Soedan in 1897, als tijdelijk lapmiddel voor de eindeloze serie kameelruiters die een jaar later begon.

Nieuw verder in deze reeks is het gebruik van het Frans naast de Arabische tekst, die de Italiaanse landsnaam van de voorgaande zegels verving. Vanaf dit moment tot aan de introductie van de nieuwe frankeerserie in 1914 bleef dit zo: toen werd definitief overgeschakeld op het Engels als tweede taal en dat was 105 jaar later nog steeds het geval.

Van deze serie heb ik er tot nu toe vier, de zegels van 10 paras en 5 piaster zijn wat moeilijker. De eerste waarde had waarschijnlijk nog voorraad van de opdrukken, werd bovendien zowel in 1882 en nog eens in 1884 door een zegel in andere kleur vervangen. Deze laat ik de volgende keren zien. Ook de 5 piaster kreeg in 1884 een beter voor smalle beurzen verkrijgbare zegel in een andere kleur.

Volgende keer een kort stukje over enkele aanvullingen.

 

Het jaar 1878 was voor een nieuwe serie van 4 zegels van Bolivia, welke op 1 november van dat jaar uitkwamen. Veel van de elementen van de eerste wapenseries kwamen weer terug. Het aantal sterren is hier nog steeds 11, maar veranderingen zijn op komst: in het voorjaar van 1879 zou de zogenaamde Salpeteroorlog uitbreken tussen Chili enerzijds en Bolivia en Peru anderzijds. De aanleiding was de gebroken belofte van Bolivia om geen hogere belasting te heffen bij Chilenen en Chileense bedrijven in de Atacamawoestijn dan in 1874 afgesproken. Peru werd in de oorlog getrokken door een in 1873 geheim verdrag van wederzijdse bijstand met Bolivia.

De Chilenen hadden de zaken goed voor elkaar en al kort na het begin van het gewapende conflict werden de Bolivianen uit de oorlog gestoten, vooral omdat de Chilenen met hun enorme kustlijn gespecialiseerd waren in maritieme zaken en de Bolivianen beter geoefend waren in de bergen. Peru hield het wat langer vol, wat ook niet anders kon omdat de Chilenen voor de hoofdstad Lima lagen en die dus verdedigd moest worden. In 1884 werd de vrede getekend. Zowel Bolivia als Peru verloren een mineraalrijke provincie aan de Chilenen, waarbij Bolivia zelfs geheel van de oceaan afgesloten werd. Alleen mocht tegen betaling nog van het havenstadje Arica gebruik gemaakt worden en mochten de Bolivianen een spoorweg ernaartoe over Chileens grondgebied aanleggen.

Maar goed, het was nog geen oorlog en Bolivia kon nog een paar fraaie zegels in de waardes van 5 centavos in blauw, 10 in oranje, 20 in groen en 50 in karmijnrood maken, alle in iets van elkaar verschillende kaders, afhankelijk van wat de belettering en becijfering toelieten. De 50 bijvoorbeeld heeft parelranden, die de andere drie niet hebben.

Dit keer een nieuw element op de zegels: het wetboek met daarop de tekst LA LEY. Kennelijk een aandenken aan de toenmalige president Hilarión Daza, die door een militaire staatsgreep in 1876 aan de macht was gekomen en wel even de orde zou herstellen. Al eind 1879 werd hij afgezet wegens de Boliviaanse mislukking in de oorlog en ging in ballingschap in Frankrijk. Eenmaal teruggekomen in 1894, met het plan zich voor het parlement te verantwoorden voor wat er gebeurd was, werd hij bij aankomst op het station van Uyuni doodgeschoten.

Wat blijft zijn de zeer goed gegraveerde plaatjes, die uit de doos van de American Bank Note Company komen, tot in de jaren 90 van de 19’de eeuw bleef dit bedrijf de hofleverancier van de Boliviaanse zegels.

1877 was het jaar van San Marino, waar de eerste serie van vijf zegels werd uitgegeven. Dat gebeurde op 1 augustus. De eerste diende voor het versturen van kranten en drukwerkjes en heeft daarom de lage waarde van 2 centesimi. Het ontwerp daarvoor was dan ook eenvoudig, een cijfer 2 binnen een gordel met tekst. Natuurlijk de landsnaam REP. DI S. MARINO, de waarde, wat voor een ding het was, een BOLLO POSTALE (letterlijk postzegel, anders dan de gebruikelijke term Francobollo, die Frankeerzegel betekent) en ten slotte de mededeling dat San Marino een vrijheidslievende enclave binnen Italië was dankzij de term LIBERTAS. Dit toen jonge land had de zelfstandigheid al in 1862 bevestigd, waar het voordien onder bescherming van de Kerkstaat stond. Na de eenwording van Italië bestond de Kerkstaat van 1861 tot 1870 alleen nog als een kleine rompstaat rondom Rome, alvorens het geheel opgeslokt werd. In 1929 kreeg het Vaticaan pas weer 44 hectare toegewezen waar de paus sindsdien staatshoofd is.

De gordel met bovengenoemde tekst was het enige dat de zegel van 2 centesimi gemeen had met de andere vier waardes. Deze tonen het wapen van San Marino en dat besprak ik hier al eerder. Deze zegels kregen de waardes van 10, 20, 30 en 40 centesimi mee, deze waren vergelijkbaar met het omliggende Italië, dat in 1862 de lire onderverdeeld in 100 centesimi had ingevoerd. Voor een naar verhouding prettige prijs kon ik ze op de kop tikken, de twee hoogste waardes zijn namelijk wat duurder.

Van de 20 centesimi werden de meeste zegels gedrukt, namelijk 220.000 stuks in vellen van 100, de kleinste oplage was voor de 30 centesimi, die op 33.000 bleef steken.

Er zouden tot 1894 in totaal 26 zegels van deze serie verschijnen, de oorspronkelijke waardes in andere kleuren en diverse nieuwe waardes tot 5 lire aan toe. Drie zegels van de eerste serie werden met nieuwe waardes overdrukt. Een jubileumserie van 5 verscheen in 1977 in diepdruk, waar de oorspronkelijke in boekdruk werden gemaakt, Dit was in grote delen van de postzegelwereld anno 1877 gebruikelijk.

Volgende keer gaan we verder in 1878 met Bolivia weer in de hoofdrol. Ook daar mag ik sinds kort een volledige serie van begroeten.

Met stempel van het Egyptisch postkantoor in Constantinopel

In 1872 was Egypte weer aan de beurt. Na de duidelijk uitgevoerde zegels van 1867 was er deze keer sprake van een lokaal geproduceerde versie, die minder goed was dan de eerste, in Italië aangemaakte zegels. Het ontwerp was goed, maar druk en tanding zijn een stuk slechter dan de eerste serie.

Wat de Egyptenaren zo gauw al dreef om een nieuw ontwerp te maken is niet duidelijk. De sfinx, die bij de eerste serie het gezicht op de piramide voor een groot deel ontneemt is een stuk tegen de klok in weggedraaid om zo meer van de achterliggende piramide te tonen. Misschien was dat wel de achterliggende gedachte: het beeld iets realistischer te maken. Verder werd er aandacht besteed aan een Italiaanse landsnaam: Poste Khedivie Egiziane. De waardeaanduiding is nu op alle zegels voluit geschreven, als PIASTRA of meervoud PIASTRE. Nieuw zijn de maantjes en sterren in de vier hoeken om het ovaal met de sfinx en de piramide.

Bijzondere fout in het stempel: het cliché toont de letters GEN (van Gennaio, januari) in spiegelbeeld!


Er zijn oplagen gedrukt in lithografie uit Alexandrië en in boekdruk uit Cairo. Uit de drukkerij van Penasson in Alexandrië kwamen de waardes van 20 Para en 1 Piaster, daarnaast werden deze en vijf andere waardes ook gedrukt bij Bulaq in Cairo. De totale serie bestaat dus uit 7 waardes: 5, 10 en 20 Para, 1, 2, 2 1/2 en 5 Piaster. In het algemeen zijn de zegels tot en met 2 Piaster goed te verkrijgen en ik heb er daar dus 4 van. De hoogste waardes zijn ook betaalbaar, maar moeilijker te vinden.

In het volgende deel spring ik naar 1877.

Je zou het niet zeggen als je de hiernaast afgebeelde eerste pagina van de collectie ziet. 39 zegels zitten er op en dat is helemaal niet slecht. Maar de moeilijkste jaren zitten op regel 2. Dat zijn moeilijk verkrijgbare uitgiftes van Bolivia en één Amerikaanse zegel. Omdat ik met eigen afbeeldingen werk dus geen plaatjes (meer)

1868

1868 kende maar 1 uitgifte en deze kwam uit Bolivia. Hierover schreef ik al eens in dit stukje.

Het wapen van Bolivia laat, als één van twee landen ter wereld een stukje werelderfgoed zien, namelijk de Cerro Rico nabij Potosí, in 1987 ingeschreven onder nummer 420. Stad en berg worden hierbij genoemd, want dankzij de door de Spaanse kolonisator in de berg gevonden zilverader werd de stad zeer rijk en munten voor heel Spaans Zuid-Amerika werden er geslagen. Ten koste van dwangarbeid, dat dan weer wel

Als je nou dacht dat de mijnbouw ondertussen wel eens gestopt zou zijn, dan heb je het mis. Het leek in de jaren 90, toen ik Potosí bezocht, nog slechts een toeristische folklore om de mijn in te gaan en het oude ambacht van zilverwinning te bekijken, maar ondertussen… In 2014 besloot UNESCO de site zelfs in de gevarenzone te zetten. Bij verdergaande ontginning ontstaat een serieus risico voor instabiliteit en instorten van de mijn en mogelijk de hele berg. Dat kan natuurlijk de bedoeling niet zijn. Enfin, in 2017 is er gekeken hoe het ervoor stond en is een plan gemaakt dat in 5 tot 7 jaar ertoe moet leiden dat Potosí weer van de lijst gehaald wordt.

De eerste serie met het wapenschild van Bolivia verscheen in 1868: de Cerro Rico in een ovaal, begeleid door vier vaandels en een vrijheidsmuts en eronder 9 sterren voor de 9 provincies van de republiek. De verkrijgbare waardes waren 5, 10, 50, 100 en 500 centavos en afgezien van de hoogste waarde, waarvan er 5000 gedrukt zijn en die in de catalogus naar de 1000 € gaat, zijn ze qua prijs best bereikbaar en met een beetje mazzel zelfs onder de 10 euro. Alleen vind ze maar eens…

1869

In 1869 verscheen er maar één zegel met werelderfgoedwaarde, dat was in de Verenigde Staten. Hierover schreef ik deze al. Vanaf 27 maart verscheen een serie van 10 zegels met voor die dagen revolutionaire ontwerpen. Conservatieve hitsers waren in alle staten toen de serie uitkwam. Een postzegel moest in hun optiek immers een normaal formaat hebben en het portret van een president of anderszins belangrijk politiek persoon tonen. Hier ging het om ontaarde ontwerpen als de Pony Express, een Baldwin-locomotief, de stoomboot Adriatic en genreschilderijen van lieden als Vanderlyn en Trumbull die echt niet op een postzegel thuis hoorden. Enfin, je hebt het tweeluik dat ik over de serie schreef mogelijk gelezen.

De zegel waar ik op doel is de 24 cents, voorstellende ‘The declaration of independence’ van John Trumbull. Dit evenement vond op 4 juli 1776 plaats in de Independence Hall in Philadelphia en het schilderij is vele malen door diverse postadministraties gebruikt om de onafhankelijkheid van de USA (mee) te vieren, met name in 1976. Independence Hall, zoals het gebouw dankzij het gebeuren is gaan heten, werd tussen 1732 en 1753 voltooid naar een ontwerp van de uit Schotland geëmigreerde jurist Andrew Hamilton (1676-1741), die daarmee gevolg gaf aan de wens van de kolonisten in Pennsylvania om een eigen ‘State House’ te hebben. Het werd gebouwd door Edmund Wooley (1695-1771), een metselaar uit Engeland, die op jonge leeftijd in Philadelphia terecht gekomen was. Dit was toen al de zelfverklaarde hoofdstad van de 13 koloniën die later de Verenigde Staten van Amerika gingen vormen. Het gebouw, samen met het omliggende park, de originele Congress Hall, de in een aparte hal geplaatste Vrijheidsklok en een bezoekerscentrum, wordt beheerd door de National Park Service en is het hele jaar gratis te bezoeken. Reserveren is wel verplicht.

Van de primeur uit 1869, waarvan er 250.000 gedrukt werden, zijn er kennelijk niet veel meer over en je moet flink in de buidel tasten om er eentje te bemachtigen. Zeker als deze geen zogenaamd veiligheidsrooster heeft, een droogdruk van een 4 bij 4 roostertje in het zegel. Even sparen dus.

1871

In 1871 ging Bolivia op herhaling met zijn serie van 1868. Enige verschil: in plaats van 9 staan er nu 11 sterren onder het wapenensemble. De waarde van de serie is iets lager, want de oplage van de serie was groter. Maar van de 500 centavos daarentegen waren er maar 1000 en daarom is deze zegel alleen voor de rijkere verzamelaars weggelegd.

In 1872 kwam er een nieuwe en wat mij betreft spuuglelijke serie piramides uit in Egypte. Maar oordeel zelf de volgende keer.

Egypte trapte af, zonder te weten dat 111 jaar later er een lijst ontstond, waarop ieder cultureel of natuurlijk monument een plaats kon krijgen: de Werelderfgoedlijst van UNESCO, een van de kerndelen van de Verenigde Naties en opgericht in 1946 met Parijs als hoofdzetel.

Egypte heeft zonder meer een van de oudste erfgoederen in bezit. Ooit waren de piramides onderdeel van de 8 Wereldwonderen van de Oude Wereld en zijn deze de laatst overgeblevenen van deze bijzondere voortbrengselen van de menselijke geest. Inmiddels zijn er oudere vormen van beschaving gevonden, zoals de neolithische tempels op een eiland als Malta, die waarschijnlijk zo’n 5.500 jaar oud zijn, veel ouder nog dan een Stonehenge en ook een stukje ouder dan het Egyptisch wereldwonder.

De omschrijving van Werelderfgoednummer 86 luidt, verkort: ‘Memphis and its Necropolis – the Pyramid Fields from Giza to Dahshur’. Wanneer je op de kaart kijkt blijken dit vooral de drie piramides van Gizeh te zijn en een stuk zuidelijker, bij Saqqara, de piramide van Djoser. Wanneer je het gebied nauwkeuriger bekijkt komen er nog een paar andere plaatsen tussendoor en ten zuiden van Djosers piramide in aanmerking, zoals de knikpiramide van Snofroe (ca 2600 v.Chr en de oudste van allemaal), de Rode piramide en de tamelijk primitieve piramide van Amenemhat III (ca. 1800 v.Chr), die bij Dahshur te vinden zijn. die echter nooit op een postzegel verschenen zijn. Zelfs Egypte bleek hierin behoorlijk eenkennig: de piramides van Gizeh waren hét visitekaartje, dat ‘ding’ van Djoser werd pas eerst in de jaren 70 afgebeeld. Net als andere – piramideloze – grafvelden die aan de rand van de Nijlvallei te vinden zijn.

De eerste serie bevat 6 zegels. Gemiddeld gezien zijn ze redelijk verkrijgbaar in goede kwaliteit. Alleen aan de 5 piaster hangt een groter prijskaartje. Ik heb er tot nu toe drie aan de verzameling toe kunnen voegen. Wat heel fascinerend is, ik noemde dat in eerdere stukken al, is het menselijke portret van de sfinx zoals dat door de ontwerper, een zekere F. Hoff, is getekend. Wat ik ook heel opmerkelijk vind zijn de zuilen links en rechts op de zegel. Links lijkt me een papyruszuil, een veelgebruikt zuilentype in de Egyptische architectuur, waarvan in Karnak nog mooie voorbeelden te zien zijn. Aan de rechterkant zie je een obelisk, wat eigenlijk hoort tot de vroegste vormen van geschiedschrijving ter wereld: na de dood van een farao werden deze opgericht om zijn leven in hiëroglyfen op te tekenen. De grote ‘obeliskenfabriek’ was bij Aswan, waar de roze zandsteen uitstekend geschikt was om dergelijke objecten uit te houwen. Eigenlijk verwijzen deze postzegels dus naar een belangrijk deel van de oud-Egyptische cultuur.

Over de inschriften: de landsnaam (boven) en de volledige waardeaanduiding (onder) staan er alleen in het Arabisch in. De letters P en E geven niet zoiets aan als Postes Egyptiennes, maar zijn een afkorting van P(iastr)E,  de munteenheid dus. Franstalige inschriften kwamen pas in 1879 in zwang. Opmerkelijk is ook dat de waardeaanduiding alleen in modern-Arabische cijfers gesteld zijn. Ook dat veranderde in 1879, toen de cijfers ‘tweetalig’ werden.

 

Volgende keer: het jaar 1868

Ook interessant: deze 2-delige Zwitserse documentaire van begin dit jaar

 

Er zijn inmiddels, sinds 5 juli 2019, 1121 Werelderfgoederen. Vorige week werd de lijst in Bakoe uitgebreid met 29 nieuwe plaatsen en ‘collecties’ waarvan de opvallendste Babylon en een grote groep Franse eilanden in het zuiden van de Indische Oceaan zijn. Babylon stond al zo ongeveer 35 jaar op de lijst van genomineerden en is dan eindelijk verkozen. Het eiland Kerguelen en de Crozet-eilanden vormen het hoofdbestanddeel van het nieuwe stukje Frankrijk op de lijst, maar ook het eiland Amsterdam hoort erbij. Deze sub-antarctische eilanden liggen qua zuiderbreedte ongeveer op dezelfde hoogte als dat Parijs aan de noordkant van de evenaar ligt. Er zijn heel wat zegels aan gewijd, door Frankrijk en zeker de Franse gebieden in Antarctica (al liggen ze daar nog vrij ver vandaan).

Maar goed, ander onderwerp. Zoals oplettende lezertjes al konden opmerken ben ik doende een postzegelverzameling van zegels met daarop Werelderfgoed aan te leggen. Er zijn ettelijke duizenden zegels uitgegeven waarop in ieder geval iets staat. Een voorlopige lijst telt alleen al 6000 zegels en die is nog lang niet compleet. Tot en met 1929, het jaar waarin ik nu ben met de inventarisatie, tel ik er alleen al meer dan 2100, dat betekent dat ongeveer iedere 28’ste postzegel wel iets met werelderfgoed toont. Trekken we dat door naar de ongeveer 750.000 postzegels die wereldwijd uitgegeven zijn, dan zijn ca. 26.500 daarvan voor mij verzamelwaardig. Poeh hé!

Nu was het tot aan de Tweede Wereldoorlog nog erg gebruikelijk om als je iets te laten zien had, dat er dan vaak meerdere postzegels aan gewijd werden. Een land als San Marino placht bijvoorbeeld zo’n beetje iedere uitgebrachte zegel van Monte Titano of stadsgezichten van de hoofdstad te voorzien. Ook een welbekende is het Hradčany, burchtheuvel, kerkelijk en regeringscentrum van Praag, waarvoor niemand minder dan Jugendstilkunstenaar Alfons Mucha in de eerste jaren van de republiek een ontwerp aanleverde dat door en door uitgemolken werd. Ook de Donau met het parlementsgebouw in Boedapest is sterk vertegenwoordigd, vooral omdat die zegels in allerlei door Hongarije al of niet terecht veroverde gebieden overdrukt werden.

Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal verschillende onderwerpen sterk toe en dus verwacht ik dat die 1 op de 28 wel ‘verdund’ gaan worden.

Ruim anderhalf jaar geleden schreef ik over de Piramides en de Sfinx van Gizeh. De eerste zegels daarvan verschenen op 1 augustus 1867. Volgende keer neem ik de zegels nog eens onder de loep.

De St. Edward’s Crown uit 1661

Bijna 4 jaar geleden, in augustus 2015, ben ik begonnen met een reeks die hier in deze vorm gaat eindigen. De eerste keer ging het over koningin Victoria, toen een pril monarchje, dat net 3 jaar op de Britse troon zat. 40 Jaar later zat ze er nog steeds en dat zou de volgende 21 jaar ook zo blijven.

In de loop van de 40 jaar tussen 1840 en 1880 kwam ik maar weinig regalia tegen. Alleen in Denemarken en Hongarije. Ook het Britse Rijk zelf was en is er niet scheutig mee, maar er was één uitzondering: de kroonkolonie Victoria in Australië. Zoals verwacht mag worden was het overgrote deel van deze naar het staatshoofd genoemde kolonie getooid met plaatjes van de koningin, maar in 1879 werd er een uitzondering gemaakt, al was het dan op postaal gebruikte fiscaalzegels: hierop zien we op enkele waarden een kroon, en wel de Saint Edward’s Crown, sinds eeuwen het voornaamste troonattribuut van het Engelse koningshuis.

Mi 19 (Stamp Mall)

Het is op zich wel opmerkelijk dat juist de kolonie Victoria hiervoor koos. Hat was immers de koningin zelve die er in 1837 vanaf gezien had om met de 2,2 kg zware kroon gekroond te worden. Ook Edward VII zou dat niet doen. Te zwaar, vonden ze. Ook andere koningen kozen niet altijd voor deze grote kroon. Eigenlijk zijn er maar 6 geweest die hem wel gebruikten sinds de eerste keer in 1661, namelijk de eerste 3 (Karel II, Jacobus II en ‘onze’ Willem III) en de laatste 3 (George V, George VI en Elisabeth II).

Mi 36. nogal prijzig, maar in dit geval fiscaal gebruikt.

De Saint-Edward’s crown die je persoonlijk bij een bezoek aan de Tower of London kunt bewonderen is een massief gouden (22 karaats) kroon met twee elkaar kruisende beugels. Naast al het goud zijn er 444 edelstenen en halfedelstenen in verwerkt, merendeels aquamarijnen, maar ook topazen, toermalijnen, robijnen, amethisten, saffieren en wat losse steentjes.

Zoals gezegd, de kroon stamt uit 1661 en is de opvolger van de originele kroon van Edward de Belijder, de naamgever en laatste koning uit het huis van Wessex voordat Willem de Veroveraar in 1066 het land veroverde en zijn eigen dynastie stichtte. Met het vervallen van Wessex kreeg de Normandische hertog ook de kroon mee. Bijna 600 jaar duurde dat, want na het afzetten en onthoofden van Karel I in 1649 onder het bewind van Oliver Cromwell verviel ook de kroon en men besloot deze te vernietigen, althans om te smelten voor noodzakelijker geachte dingen. Toen in 1660 Karel II het koninkrijk herstelde had hij dus geen kroon en werd het huidige exemplaar gemaakt onder leiding van de Koninklijke Goudsmid Robert Vyner.

Naast OP postzegels is de kroon duizenden malen verschenen IN postzegels, want tot ver in de 20’ste eeuw gebruikten het Verenigd Koninkrijk en al zijn gebieden watermerken waarvan de kroon centraal stond.

Een van de drie hoge waardes (die nooit postaal gebruikt zijn) met de sterren die later de vlag van Australië gingen sieren.

Dit was dus de laatste Zegelgek ‘oude stijl’, waarmee ik een periode van 40 jaar heb afgesloten. Natuurlijk blijf ik schrijven, maar ik ga vanaf nu in op Werelderfgoed op postzegels, waar ik inmiddels al een bescheiden verzamelingetje heb.

De quetzal op Mi 15 uit 1879 (stampboards.com)

In Nederland kent men de poelifinario en de kroet, in Guatemala de quetzal. Zo is het altijd al geweest en zo zal het altijd blijven, tenminste als laatstgenoemde niet uitsterft, maar dat schijnt nog niet aan de orde te zijn.

De quetzal, in het Latijn Pharomachrus mocinno, is een kleurrijke vogel die voornamelijk in Guatemala en Honduras voorkomt en minder in het zuiden van Mexico, Nicaragua en Costa Rica. Met name het eerstgenoemde land heeft er zijn hele staatshuishouding aan opgehangen, want niet alleen het huidige wapen en de huidige vlag laten het beestje zien, ook betaalt men er in Quetzals. Dan moet het wel een bijzondere vogel zijn, zou je denken en inderdaad, de Maya’s en Azteken kenden hem een goddelijke status toe en dat in verband met de ‘slangengod’ Quetzalcoatl, god van de wijsheid en de wind, waar hij zijn naam aan te danken heeft. Nu wordt de godheid in geel, rood, groen en blauw uitgebeeld, de vrouwtjesquetzal heeft ook stukjes zwart, terwijl het mannetje de kleuren van de Italiaanse vlag heeft en geel bij beide niet in het verenkleed terug te vinden is.

Quetzal (facebook/Aztecs)

Guatemala had, sinds de introductie van de postzegels in 1871 alleen nog het toenmalige wapenschild en wat vrijheidskopjes uitgegeven. In 1879 startte men met een nieuwe traditie. Er verschenen zegel van een kwart en een hele real en na het afschaffen van de oude Spaanse munteenheid in 1881 zegels van 1, 2, 5, 10 en 20 centavos. Toen het nieuwe staatswapen werd ingevoerd kwam daar uiteraard ook de quetzal op voor als wapendrager.

In 1928 werd de Quetzal ook de nationale munteenheid. Inmiddels was de vogel niet meer weg te denken van de frankeerzegels en in 1954 werden zelfs de ontwerpen van 1879 weer van stal gehaald en nog eens herhaald in 1984 en 1987.

In de laatste Zegelgek ‘oude stijl’ ga ik terug naar het begin en het belangrijkste element van de kroning van de Britse monarch.

Umberto in 1882 (Studio Vianelli, Venetië)

Oude koningen gaan dood, maar Victor Emanuel II, de eerste koning van het verenigde Italië was helemaal niet zo oud, hij werd slechts 57. Hij werd opgevolgd door de oudste van zijn twee overlevende zonen: Umberto. Zijn andere zoon heb ik hier al eens besproken. Dat was namelijk Amadeus.

Umberto werd geboren op 14 maart 1844, de dag dat zijn vader 24 werd, in het Palazzo Moncalieri nabij Turijn, sinds 1997, samen met andere residenties van de hertogen van Savoye, toegevoegd aan de UNESCO-werelderfgoedlijst. Als oudste zoon van toen nog kroonprins van het koninkrijk Sardinië kreeg hij de opvoeding en het onderwijs dat paste bij een toekomstig troonopvolger. In 1849 werd hij, bij het aftreden van zijn doodzieke grootvader Charles Albert, de kroonprins. Op zijn 14’de verjaardag begon zijn militaire carrière en al een jaar later was hij betrokken bij de Italiaanse onafhankelijkheidsoorlog die in 1861 leidde tot de eenwording van de collectie van koninkrijkjes en (groot)hertogdommen die er voor die tijd waren. Toen het zover was begon Umberto aan een reis door Europa en bezocht onder andere Londen en Lissabon, waar hij getuige was bij het huwelijk van zijn zus Maria Pia met koning Luis I

Mi 38 uit 1879

Umberto stond bekend als een rokkenjager, maar wilde hij als koning serieus genomen worden dan zou hij met een vrouw van koninklijken bloede moeten trouwen. De voorkeur ging om politieke redenen uit naar de Habsburgse prinses Matilde, maar deze kwam door een tragisch ongeval om het leven: ze probeerde een sigaret te verstoppen voor haar vader die haar het roken verboden had, maar haar jurk vatte vlam. Toen de huwbare prinsessen boven de Alpen op waren viel de keus op Umberto’s volle nicht, de 7 jaar jongere Margherita van Savoye, naar wie later de meest basale pizza vernoemd werd. Op 22 april 1868 vond de bruiloft plaats en daarop vestigde het paar zich in Napels, waar na anderhalf jaar een zoon geboren werd: Victor Emanuel III, de controversiële opvolger van zijn vader.

In 1878 overleed Victor Emanuel II na een kort ziekbed en Umberto, 34 jaar oud, nam de troon over. Umberto nam zich voor niet te gaan regeren ‘bij de gratie Gods’, maar een waar constitutioneel monarch te zijn. Dit maakte hem inderdaad geliefd bij het volk, maar een kleine groep republikeinse anarchisten vonden het lang niet ver genoeg gaan en al direct in 1878 waren er twee tijdig verijdelde aanslagen op de nieuwe koning.

Mi 66. een overdrukte pakketzegel uit 1891

Net als de meeste van zijn ambtsgenoten in Europa streefde ook Umberto een koloniaal rijk na. In 1882 werd de Eritrese havenstad Assab veroverd en drie jaar begon een campagne om heel Eritrea te veroveren en later ook Somalië. Dit moedigde de anarchisten aan om de oppositie tegen de koning verder op te voeren, maar voor het volk kon hij niet meer stuk, zeker toen hij persoonlijk kwam helpen bij natuur- en andere rampen. Zo was hij er bij een uitbraak van de Etna in 1879, bij overstromingen in het land van Venetië in 1882 en bij een cholera-epidemie in Napels in 1884.

Mi 70 uit 1895

Gebeurtenissen in 1898 zouden uiteindelijk leiden tot een geslaagde aanslag op zijn leven. In Milaan waren in het voorjaar van 1898 rellen uitgebroken tegen het verhogen van de graanprijzen en op 7 mei besloot generaal Bava-Beccaris het vuur te openen op de menigte. De opstand werd neergeslagen, Umberto was er blij mee en decoreerde Bava. Hiermee tekende hij in feite zijn doodvonnis, maar pas twee jaar later, toen Italië zich net als een aantal andere koloniale mogendheden ging bemoeien met de Bokseropstand in China, barstte de bom: op 29 juli 1900 bezocht Umberto Monza om een sportwedstrijd te bezoeken. Een naar Amerika geëmigreerde anarchist, Gaetano Bresci, wist dit ook en hij arriveerde tijdig genoeg terug in zijn vaderland om met een meegesmokkeld pistool de koning te benaderen. De laatste was kansloos. Bresci werd direct opgepakt en tot levenslange gevangenis veroordeeld, maar een jaar later werd hij dood aangetroffen in zijn cel. Was het zelfmoord of wreekten zijn bewakers zich op hem? In ieder geval vereerden andere anarchisten Bresci als een held en de Poolse Amerikaan Leon Czolgosz liet zich door hem inspireren toen hij op 6 september 1901 in Buffalo het vuur opende op de Amerikaanse president William McKinley.

In de periode van 1878 tot 1900 verschenen er in Italië 45 frankeerzegels, waarvan 32 met het portret van Umberto I, altijd herkenbaar aan de enorme snor die hij cultiveerde. Daarnaast verscheen hij op een serie van 6 pakketzegels in 1884 en op 12 zegels van het nieuw verworven Eritrea, opdrukken op Italiaanse zegels. Daar bleef het bij.

Alle zegels met Umberto’s portret werden ontworpen door schilder en graveur Lodovico Bigola (1822-1905) en Enrico Repettati, die ook verantwoordelijk was voor de eerste zegels van San Marino.

Volgende keer kijken we naar een vogel met een merkwaardige naam.