Brazilië 1894 met de Pão de Açúcar en het Zuiderkruis

De tweede helft van 1894 liet Brazilië weer wat van zich horen. Het was inmiddels alweer tien jaar eerder dat de de Pão de Açúcar op een zegel stond die ik helaas niet heb. Maar nu kwam er een veel bereikbaarder ontwerpje uit. Tijd dus om ook wat meer over Het bijzondere landschap van Rio de Janeiro te vertellen.

Brazilië werd aan het eind van de 15’de eeuw ontdekt door waarschijnlijk Portugese zeelieden, die daar verder niets mee deden. De Portugese koning dacht er echter anders over en in 1500 stuurde hij de edelman Pedro Alvares de Cabral erop uit om het gebied voor Portugal in te nemen en zodoende staat Cabral als ontdekker in de geschiedenisboekjes. Al gauw werden wat handelsposten opgezet en binnen 20 jaar was Portugees de algemene voertaal op de Braziliaanse kusten. Ook andere kolonisten vestigden zich er en dat was de reden voor de stichting van Rio de Janeiro: de daar aanwezige Fransen moesten het land uit, want zij schonden volgens de Portugezen het Verdrag van Tordesillas dat de rest van de wereld afbakende in een Spaanse en een Portugese invloedssfeer.

De Fransen moeten al onder de indruk zijn geweest door het spectaculaire landschap ter plaatse, de Portugezen waren het niet minder. Estácio de Sá was ten slotte degene die tussen de steile pieken een stad stichtte die hij vernoemde naar wat hij vermoedde een rivier was, maar uiteindelijk een baai (tegenwoordig de Guanabara-baai) bleek te zijn: Rio de Janeiro. Zo’n 100 jaar later werd Rio hoofdstad van het zuidelijk deel van de Portugese koloniën in Zuid-Amerika. Die status veranderde in 1808 toen de Portugese koning Joao VI naar Brazilië vluchtte om aan de vloek van Napoleon te ontkomen. Toen was Rio zelfs enige tijd hoofdstad van het Portugese Rijk. Nadat Brazilië een zelfstandig keizerrijk onder Pedro I en Pedro II was geworden bleef Rio de hoofdstad, totdat in 1958 in het oerwoud de stad Brasilia verscheen om die taak over te nemen.

Zoals gezegd ligt Rio de Janeiro tussen hoge granieten bergpieken. De bekendste daarvan zijn de Corcovado (letterlijk vertaald ‘de Gebochelde’), waar bovenop sinds 1931 Cristo Redentor staat, en de Pão de Açúcar (het Suikerbrood), die een schiereiland vormt tussen de Guanabara-baai en de Atlantische Oceaan. Het is deze laatste die aan het einde van de 19’de eeuw opkwam als beeldmerk van Rio de Janeiro als belangrijkste stad van Brazilië en waarschijnlijk heel Zuid-Amerika als je de bewoners zou moeten geloven. Samen met de andere pieken, de baai en het strand van Copacabana vormt dit de inschrijving ‘Rio de Janeiro, Carioca Landscapes between the Mountain and the Sea’, waarbij Carioca staat voor alles wat met Rio te maken heeft, zoals en met name de bewoners en hun bijzonderheden.

De postzegels kwamen vanaf 20 september uit en heten in de volksmond Madrugada (de Dageraad). Ze komen wat onbeholpen over wat mat name te zien is aan de tanding (soms wel 7) en het feit dat in het vel de zegelbeelden maar een millimeter, hooguit twee, uit elkaar liggen. Later, in 1900 en 1904 zijn er betere gemaakt. Het Suikerbrood staat op zegels van 10, 20 en 50 Reis, beschenen door een ander Braziliaans symbool: het Zuiderkruis. De 10 komt in twee varianten voor: met aan beide zijden van het waardeschild REIS of met links DEZ en rechts REIS. De 50 komt ook in twee smaken, de ene in twee drukgangen, dus in twee verschillende kleuren blauw en vaak met licht verschoven middenstuk, de andere in één drukgang, dus een kleur blauw. Hogere waardes van de serie hebben als afbeelding een vrijheidskop en de hoogste (1000 en 2000 Reis) Mercurius.

Het nieuwe Palazzo Pubblico werd op 30 september gevierd.

San Marino had iets te vieren, het beeldbepalende nieuwe regeringsgebouw (Palazzo Pubblico) was af en kon feestelijk geopend worden. Tien jaar eerder was de bouw van het door de Romeinse architect Francesco Azzuri (1831-1901) ontworpen bouwwerk begonnen op de plaats waar sinds de 14’de eeuw al een vergaderzaal stond voor de Sammarinese familiehoofden.

Een drietal herdenkingszegels hoorde bij de feestelijkheden. Daarmee hebben we de eerste bijzondere uitgifte in de collectie. En ook nog eens grotere zegels dan we tot nu toe gezien hebben. Ze werden in tweekleurendruk gemaakt en ze tonen alle het regeringsgebouw. Op de 25 centesimi in lichtblauw en bruin, zie je het recht van het zuiden, wat tamelijk knap is, gegeven het feit dat de stad San Marino op een heuvelrug ligt en er aan de zuidzijde op die hoogte geen enkele bebouwing is vanwaaruit de kunstenaar kon werken. De omlijsting van het gebouw is een klaverbladfiguur. Een andere compositie zie je op de 50 centesimi in oranje en bruin, laat het gebouw in een driehoek zien, maar wel vanuit dezelfde richting. De derde zegel, van 1 lire in groen en bruin, toont het interieur van het gebouw. Op alle zegels wordt de datum van de feestelijkheden, 30 september 1894 vermeld, dit was tevens de laatste dag van de halfjaarperiode van de kapitein-regenten, die ieder jaar op 1 april en 1 september ververst worden. De portretten van Francisco Marcucci en Pietro Tonnini staan op alle drie de zegels en dat is volgens mij de enige keer dat de (grotendeels ceremoniële) staatshoofden op een postzegel verschenen. Saillant detail is, dat Tonnini juist op 22 september overleden was.

De laatste nieuwe zegels met de wapentekening. De 1 lire ontbreekt, want prijzig.

Aan het eind van het jaar volgden nog vijf waardes van de wapenserie in andere kleuren waarmee deze serie definitief afgesloten werd.

1895 was een mager jaar. Er kwam slechts 1 zegel uit en dat was in Noord-Borneo: een door middel van een opdruk POSTAGE DUE tot portzegel getransformeerde Kinabaluzegel. Acht van de negen zegels van de serie werden overigens overdrukt, de een horizontaal, de ander verticaal. Bij de 18 cents zijn er als enige beide varianten van de opdruk bekend.

 

Een mooi overzicht van Rio begeleid door Sergio Mendes: Mas que nada

Labuan 1894. Het stempel werd gebruikt om restbestanden mee af te stempelen en hierdoor is de zegel maar weinig waard ten opzichte van een echt gestempelde

Na een aantal wat saaie jaren met steeds herhalende uitgiftes werd 1894 een beter jaar. Dat begon al in de eerste maanden met een uitgifte van Noord-Borneo. Sinds 1963 is dit de Maleise deelstaat Sabah, maar tot die tijd was het een Britse kolonie die sinds 1882 vanuit Jesselton, het huidige Kota Kinabalu, door de North Borneo Company bestuurd werd. In 1883 verschenen de eerste postzegels met het wapenschild van de compagnie. Deze serie werd uitgemolken tot 1894.

Maleisië heeft slechts vier inschrijvingen op de werelderfgoedlijst, waarvan er twee op het Maleise deel van Kalimantan (Borneo) liggen. Een daarvan werd afgebeeld in een serie van 9 zegels met 8 verschillende onderwerpen, een gegeven dat uniek was in die dagen, waarin hooguit een paar verschillende onderwerpen in een serie gingen, al had een land als de VS al aan de traditie getornd door in 1892 een grote serie voor de 400-jarige ontdekking van Amerika door Columbus uit te geven, met ook allemaal verschillende plaatjes, waarvan er overigens geen een in de verzameling past.

De eerste zegel uit de serie van Noord-Borneo, van 1 cent, toonde een Dajak-hoofdman, de 2 cents een Sambarhert, de 3 een sagopalm, de 5 een argusfazant, de 6 een Maleise prauw, de 8 en de 24 cents het wapenschild en de 12 cents een zeekrokodil. De 18 cents trekt echter mijn aandacht, want daarop staat Mount Kinabalu, alias Gunung Kinabalu, de op één na hoogste berg van Zuid-Oost-Azië en met bijna 4100 meter verreweg de hoogste van de Indonesisch/Maleise archipel. Het is dan ook een geliefd oord voor bergtoeristen en religieuze fanatiekelingen. De postzegel geeft er bijna een romantisch beeld van, de berg is te zien vanaf de kust, waarvoor inlanders in een prauw rondvaren. Een nevelsliert trekt voor de reusachtige formatie langs. Kunstenaar helaas niet bekend…

De Kinabalu ligt in een nationaal park, dat in 1964 is opgericht is en 754 km² groot en dat als zodanig in 2000 is opgenomen op de werelderfgoedlijst onder nummer 1012. De reden daarvan ligt in de hoge biodiversiteit van het park, meer dan 4500 planten- en diersoorten bevolken het. De berg is makkelijk en zonder gereedschap beklimbaar en heeft een vrijwel vlakke top. Alléén mag je hem niet beklimmen, een gids moet mee. In 1851 was het de hoogste regeringsklerk van Labuan, de Engelsman Hugh Low (1824-1905), later nog resident in Perak, die de eerste beklimming voltooide met een bewoner uit een nabijgelegen kampong. De hoogste subtop van Kinabalu heet sindsdien Low’s Peak.

Een beetje afzijdig van Sabah en al bijna voor de kust van oliestaat Brunei ligt Labuan. Al voordat de Britten voet aan de grond kregen in Noord-Borneo waren ze al geland op dit eiland en in 1848 werd het, op voorspraak van radja James Brooke van Sarawak, een kroonkolonie, waar in 1879 de eerste postzegels met het portret van koningin Victoria verschenen. In 1890 werd Labuan overgedragen aan de North Borneo Company, die het tot 1905 bestuurde, toen het eiland een deel van de Straits Settlements werd, een groep Britse handelsposten die grotendeels op het Maleise schiereiland gevestigd waren.

In mei 1894 kwamen de zegels van Noord-Borneo dus ook uit op Labuan, voorzien van een opdruk met de landsnaam en dat betrof dus ook de 18 cents. Opmerkelijk was dat de kaders een andere kleur hadden dan de oorspronkelijke zegels. Zo is de overdrukte zegel in olijfbruin met zwart middenstuk, terwijl de zegel van Noord-Borneo is uitgevoerd in groen en zwart. Overigens is een echt gestempelde zegel het 200-voudige waard van het exemplaar hierboven. Zegels met in de hoek een stempel bestaande uit dikke strepen zijn altijd goedkoop, maar niet altijd makkelijk te krijgen en dat geldt ook voor het originele zegel van Noord-Borneo

Nieuwe ontwerpen uit Bolivia

Een andere nieuwe uitgifte van voorjaar 1894 was de vorige keer al aangekondigde nieuwe serie landswapens in Bolivia. Men koos voor een ovaal ontwerp waarin de sterren, de vaandels en de condor nog steeds prominent aanwezig waren. De waardeschilden waren nu groter en verplaatst naar de boven- en onderzijde, zodat de tekst Correos de Bolivia en de in tekst gespelde waarde naar de zijkanten konden. Dit ten opzichte van de vage steendrukjes van het jaar ervoor aanmerkelijk frissere plaatje kwam uit een tweetal drukkerijen. Eén type uit de Britse drukkerij van Bradbury en Wilkinson, een toentertijd nieuwe speler op de postzegelmarkt, een ander type uit de weinig bekende Parijse drukkerij van Eudes & Chassepot. De laatste leverde de postzegels op dikker papier en in een iets afwijkende tanding. Verder is opvallend dat de gerenommeerde Engelse drukkerij veel minder zegels afleverde dan de onbekende Franse concurrent. De grootste oplage, van 2,7 miljoen (1,5 daarvan uit Frankrijk) was voor de 5 centavos. Op de foto zijn de 1, 50 en 100 centavos uit Engeland afkomstig, de andere uit Frankrijk.

De tweede helft van het jaar was voor nieuwe uitgiftes van Brazilië en San Marino.

Van het jaar 1893 kan ik maar één zegel laten zien. De rest kwam uit Bolivia.

Daar verscheen de laatste oplage van de ‘wapen-in-cirkel’-zegels, een laatste serie van 5 met waardes 1, 2, 5, 10 en 20 in de bekende kleuren, maar nu in steendruk vervaardigd bij Litografia Boliviana in La Paz. Te zien is dat de kwaliteit met grote stappen achteruit gaat. Ook het ontwerp was niet helemaal consistent uitgevoerd: de 5 centavos werd gedrukt van platen met 11 sterren. Een uitgifte om snel te vergeten dus en dat vonden de Bolivianen zelf ook kennelijk: voor 1894 stond een nieuw ontwerp gepland. De prijzen zijn niet heel hoog, maar ik heb er nog geen een in levende lijve gezien.

Dat geldt ook voor een tweede uitgifte waarin zegels van 1 en 2 centavos van de uitgiften 1887 en 1891 opgebruikt werden als fiscaal zegel. Je mocht ze nog wel op brieven plakken, vandaar dat ze in de catalogus staan. Ze zijn herkenbaar aan een handstempel-opdruk ‘TIMBRE’ die in groen, blauw of violet is uitgevoerd voor de 1 en in violet of varianten daarvan op de 2 centavos. Ook hier geldt dat de catalogus geen grote prijzen meldt, maar dat ze niet eenvoudig te vinden zijn en anders ruim boven de catalogusprijs. Overigens zijn ook andere waardes uit de series overdrukt, maar deze hebben geen postale functie.

Een heel nieuw onderwerp en een heel nieuw land kregen we nog wel voor de kiezen: Kaap de Goede Hoop gaf een nieuwe zegel uit in het eenheidstarief van 1 penny, iets wat later – en verplicht vanaf 1898 – werd nagevolgd in andere delen van het Britse wereldrijk als de Imperial Penny Post.

De dame met het anker op de postzegel was al bekend uit dit verhaal. De Hoop dus, en deze keer heeft ze positie gekozen in de Tafelbaai met op de achtergrond Kaapstad en de Tafelberg.

Kaapstad is geen werelderfgoed, de Tafelberg echter wel. Niet als zichzelf maar als onderdeel van de Cape Floral Region, dat bestaat uit een 13-tal nationale parken in de Kaapprovincie. De Tafelberg en Kaap de Goede Hoop zelf maken deel uit van het Table Mountain National Park, dat in 1998 werd opgericht, een jaar nadat ikzelf beide plaatsen heb bezocht. Het totale gebied beslaat 221 kmen werd in 2004 ingeschreven onder nummer 1007, in het begin nog bestaande uit 8 parken, maar in 2015 uitgebreid met 5 andere.

De Tafelberg is een bijzondere berg, want hoe komt een berg zo plat? Nu, dat komt zo: ooit, ruim een half miljard jaar geleden, was de Tafelberg een vallei en door erosie van de omliggende Cape Fold Belt Mountains, mogelijk zo’n 4 tot 5 kilometer hoog, werd de vallei een berg van iets meer dan een kilometer hoog. Dat de Tafelberg niet mee erodeerde kwam omdat deze gevestigd is op graniet en dat slijt niet zo snel zoals we wel weten.

De kop van de Tafelberg is uitzonderlijk rijk aan lage gewassen, waarvan het zogenaamde ‘fynbos’ het belangrijkste is, maar wel bedreigd. Fynbos gedijt het beste als er af en toe brand is en zo zorgt het dat de diversiteit zich na zo’n brand snel kan herstellen. Het hele nationale park bevat bijna 2300 verschillende soorten planten, meer dan op de hele Britse eilanden samen. Vele unieke orchideeën en protea’s maken er deel van uit.

Dieren vind je er ook. Een bekend beestje is het zogenaamde dassie, alhoewel de populatie de laatste 20 jaar sterk achteruit gegaan is (maar herstellende). Andere dieren die je kunt aantreffen zijn stekelvarkens, slangen, hagedissen en ‘spookkikkers’, een andere voor dit gebied unieke soort. Een dier, inmiddels uitgestorven, dat hier ook voorkwam, was de quagga, een paardensoort verwant aan de zebra, die echter een gewild jachtobject werd voor de Boeren. Het laatste exemplaar, een vrouwtje, overleed in Artis, in 1883… Ze kreeg in 1988 een postzegel.

1894 was een gevarieerd jaar, met zegels uit Noord-Borneo, Brazilië, Bolivia en San Marino.

 

Links over de Tafelberg:
Interesting Table Mountain Facts (4:50)
Platteklip Gorge Hiking Trail (11:27)
Cape Town, Table Mountain and the Cape Peninsula (10:22)
The History of Table Mountain (8:42)
Table Mountain National Park: a tribute to one of the world’s natural wonders (3:34)

Egypte: drie aanvullende waarden

1891 was het allerlaatste jaar dat er géén werelderfgoed op postzegels verscheen, dat is opmerkelijk gezien het feit dat er toen wereldwijd bijna 700 postzegels verschenen, wat een nieuw record was. Het huidige topjaar is 2013, toen meer dan 19.000 verschillende zegels van de persen kwamen. In 1892 werd de grens van de 1000 bereikt.

In dat jaar waren er drie uitgiftes met een totaal van 17 zegels. Allereerst weer 3 aanvullende waardes in Egypte. In januari een zegel van 3 millièmes in lilabruin en in augustus 1893 nog een 3 millièmes, nu in geel alsmede een oranjebruine 2 piaster. Deze zegels waren in een stuk helderder kleuren gedrukt dan de meestal wat valig getinte exemplaren van voorgaande uitgiften.

San Marino: opruimingsopdrukken op zegels van 1877

Zoals vorige keer al aangekondigd, ruimde San Marino een paar waardes uit de serie van 1877 op, namelijk de 10, 20 en 30 centesimi. Dit gebeurde in juni met opdrukken van 5 op 10 en 30 centesimi, in juli en september gevolgd door twee verschillende opdrukken van 10 op de 20 centesimi. Compleet gave opdrukken bestaan er eigenlijk niet, zie bijvoorbeeld de ‘m’ bij het linker zegel, die eerder bestaat uit drie streepjes. De oplagen waren vrij klein, met op zijn hoogst 40.000 stuks voor ieder van de beide zegels van 10 op 20.

San Marino 1892-94, 12 aanvullende waarden

Vanaf 10 juli volgde de vervanging van de zegels van 1877 en 1890, met een eerste reeks van 5 in de waardes 5, 30, 40, 45 centesimi en 1 lire. Zes andere waardes, van 2 (de drukwerkzegel), 10, 15, 65 centesimi, 2 en 5 lira volgden in april 1894. De zegels van 15 centesimi en 2 lire zoals afgebeeld zijn wat hoger geprijsd in de catalogus, dus daar ben ik blij mee ze te hebben. De grote ramp om aan te komen is wel de 1 en in mindere mate de 5 lire. Dat wordt dus weer sparen.

San Marino 1890

Voor 1890 stonden twee uitgiften op het programma. Voor San Marino waren er op 16 april twee aanvullende waardes bij de serie van 1877, namelijk een 5 centesimi in oranje en een 25 centesimi in bruinkarmijn. Ze maakten de serie zes waardes groot, voordat in 1892 er een serie van 11 verscheen met nieuwe waardes en andere kleuren, en dit dan weer nadat enkele zegels van de lopende serie overdrukt waren met veelvoorkomende tarieven als 5 en 10 centesimi. De uitgiftes van 1877 en 1890 alsmede de opdrukken van 1892 zouden geldig blijven tot medio 1895.

Bolivia 1890

Bolivia ging vanaf 1 november inmiddels voor de derde keer op herhaling met de welbekende serie ‘Wapenschild in cirkel’, nu dan weer getand en ook het aantal sterren was weer teruggebracht naar 9. Naast de vier zegels van 1887 waren er waardes van 20, 50 en 100 centavos, ook in andere kleuren dan eerdere zegels met gelijke nominale waarde, alhoewel het verschil bij de 100 nogal klein is, oranje tegenover goudgeel. De 1 en 2 centavos verschenen in 1891. Deze serie van 7 waarden waren tot juni 1897 geldig, net als de laatste serie die met dit ontwerp zou verschijnen in 1893 in locale lithografie, waarmee Bolivia voorlopig afscheid nam van de American Bank Note Co.

Zoals te zien heb ik van deze serie maar drie zegels en dat terwijl de cataloguswaarde niet extreem hoog is. Een beter jaar qua vulling zal wat dat betreft 1892 worden, daarover de volgende keer.

Na de terugtrekking van Napoleon uit Egypte ontstond een machtsvacuüm in het land van de piramides. Dit werd in 1805 opgevuld door een eigenzinnige gouverneur van Macedonische afkomst: Muhammad Ali. Onder zijn leiding kreeg Egypte een min of meer zelfstandige status, nog slechts losjes bestuurd vanuit Constantinopel.

In 1834 voerde hij een van het moederland afwijkende munteenheid in: het Egyptisch pond, deze bestond uit 100 piasters die op hun beurt weer verdeeld waren in 40 paras. Zolang de prijzen laag waren en het pond nauwelijks circuleerde was die hoeveelheid kleingeld niet zo’n probleem, maar ruim 50 jaar later kwam er een kleine verandering: de 40 paras werden vervangen door 10 millièmes, letterlijk duizendsten van een pond. Tot 1982 werd de piaster verder zo’n beetje genegeerd, maar daarna verdwenen juist de millièmes uit het zicht.

De munten en postzegels moesten natuurlijk mee en in de laatste categorie verschenen in 1888 drie nieuwe zegels, een bruine 1, een groene 2 en een rode 5, welke laatste overeenkwamen met de oude waardes van 5 en 10 paras. Tevens was er een kleine typeverandering want de Arabische schrifttekens wisselden van plaats met de Latijnse, dus de tekst POSTES EGYPTIENNES ging van boven naar onder en ook de waardeschildjes wisselden van plaats. Een latere verandering – in 1902 – was de keuze van zogenaamd gestreken papier, waarbij het papier een coating krijgt waardoor het glanzend overkomt. Door de coating krult een postzegel meestal een beetje op.

Op 1 januari 1889 werd het arsenaal aangevuld door een lila of paarse zegel van 10 piaster. Het was de enige zegel van dat hele jaar, vandaar dat ik deze in een moeite door bespreek. Deze zegel verscheen in een afwijkend kader. Tot het einde van de levensduur van de serie in 1914 kwamen er geen nieuwe kaders meer.

Dat de inflatie intussen gestaag voortging blijkt wel uit het feit dat in 1924 de grote doorbraak bereikt werd, de eerste postzegel van een pond, met portret van koning Foead, de achterkleinzoon van Muhammad Ali.

Ook 1890 was geweid aan 9 bekende zegels uit 2 bekende series van 2 bekende landen. Daar kort aandacht voor de volgende keer.

In 1887 werd in Bolivia een nieuwe versie van de uit 1868 stammende serie ‘wapenschild met sterren’ uitgebracht. Het begon met 9 sterren in dat eerste jaar, in 1871 gevolgd door een serie met 11 sterren. Hoewel de geopolitieke situatie na de oorlog tegen Chili was veranderd bleven die 11 sterren er in 1887 op staan, maar veranderden waardes en kleuren: de waardes van 1 en 2 centavos waren nieuw, die van 5 en 10 veranderden van kleur. En als erfenis van de oorlog bleek er geen geld voor een goede perforatiemachine, dus deze zegels zijn vooralsnog de enige in mijn collectie die van een lijndoorsteek zijn voorzien, gemaakt met kleine mesjes in plaats van naalden. De allerlaatste versie van de serie kwam in 1890 uit, met 9 sterren, dezelfde kleuren en als vanouds getand. Daarover te zijner tijd.

De volgende keer gaat het over een muntwijziging in Egypte.

Het jaar 1884 telde 6 zegels uit twee verschillende landen. Ten eerste meldde Brazilië zich aan. Dit land heeft 22 sites op zijn enorme grondgebied, maar de eerste tientallen jaren ging het over maar één ding: de skyline van Rio de Janeiro met de Pão de Açúcar (de Suikerbroodberg) voorop. Dit typerende landschap kreeg in 2012 een inschrijving met nummer 1100.

Op 1 januari 1884 startte Brazilië een nieuwe serie frankeerzegels met portretten van keizer Pedro II, wat zegels met alleen een getalswaarde, het Zuiderkruis (deel van wapen en vlag van Brazilië) én dus het Suikerbrood. Deze laatste verscheen pas op 3 maart 1888 in de waarde van 1000 Reis en is prijzig. Het zal dus nog wel even duren voor deze in de collectie zit.

De andere zegels waren weer aanvullingen op de uitgiften van 1879, 1881 en 1882 van Egypte. In februari begon het met een opdruk van 20 paras op overschotten van de groene 5 piastres van 1879. Waarom wilden men deze kwijt? Dat zal waarschijnlijk te maken hebben gehad met de invoering van de zogenaamde UPU-kleuren.

In 1874 was officieel in Bern de Wereldpostunie opgericht, vanwege de Franse voertaal beter bekend als de Union Postale Universelle, afgekort UPU. Dit was een gedachtespinsel van de Duitse postmeester-generaal Heinrich von Stephan. Nu het Duitse Rijk in 1871 eengeworden was werd het tijd om niet alleen politiek, maar ook op andere vlakken een grotere rol op het wereldtoneel te gaan spelen. Een van de zaken die in Duitse ogen geregeld moesten worden was het postvervoer. Intern werd al een stap gezet met de invoering van de Rijksmark in 1875, zodat de wisselkoersen een stuk eenvoudiger zouden gaan. 

Aanvankelijk was het idee om, op basis van een leidende Rijksmark, een eenheidstarief voor postverkeer in Europa te creëren, op het oog niet heel ingewikkeld, want het geld was nog overal ongeveer hetzelfde waard. Maar uiteindelijk waren de verschillen toch te groot om het van de grond te krijgen.

Een idee dat in het begin van de jaren 80 in zwang kwam waren eenheidskleuren, zodat iedere postbeambte in iedere lidstaat van de UPU kon zien of een poststuk juist gefrankeerd was, zowel van de binnenlandse post als van de buitenlandse. Zo moest een groene zegel doorgaan voor binnenlands tarief van een briefkaart (deze waren in 1870 ingevoerd), een rode voor een standaardbrief binnenland en een blauwe voor hetzelfde maar dan naar het buitenland.

Voor zover ik heb kunnen nagaan pasten de eerste UPU-leden in 1883 deze eenheidskleuren toe en Egypte, zelf een van de eerst toegetreden leden, was er ook vlot bij met de uitgifte van 15 december 1884, waarbij een 10 para in groen, een 20 para in rood en een 1 piaster in blauw uitkwam, samen met een 5 piaster in grijs om verwarring tussen de nieuwe 10 para en het groene exemplaar van 5 piaster uit 1879 uit te sluiten. Dit was lang voor 1896, toen het de officiële koers van de UPU werd, die door de meeste landen strikt werd aangehouden tot de Tweede Wereldoorlog. Daarna nam het aantal meerkleurige zegels toe en verviel de behoefte aan deze opgelegde uniformiteit.

Het volgende jaar waarnaar ik kijk is 1887, met één uitgifte van een bekend land met een bekende serie: Bolivia.

Egypte bracht in januari 1881 een aanvulling van de serie van 1879 uit in de waarde van 10 para lilaroze. Op een of andere manier voldeed de lila versie van de in 1879 uitgegeven zegel niet erg en was er een nieuwe nodig…, die andermaal niet bleek te voldoen. Je ziet ze maar weinig en een afbeelding op internet overtuigde me tenslotte dat hij ook werkelijk bestond. In de tussentijd kreeg ik wel enkele exemplaren van 10 piaster opgestuurd, die in werkelijkheid uit 1889 zijn, maar qua kleur een heel klein beetje op de bedoelde zegel lijken. Ik was tot voor kort zelfs van mening dat dit de juiste zegel uit 1881 was, maar dat de catalogus abuis was…

Zoals gezegd de lilaroze zegel zie je niet veel en voldeed kennelijk ook niet helemaal want al op 25 januari 1882 volgde een nieuwe zegel van 10 para, nu in het grijs. Deze is de eerste die wat makkelijker te krijgen is, al werd deze grijze zegel al in 1884 vervangen door een groene, maar dat had een andere reden, namelijk het invoeren van de zogenaamde UPU-kleuren. Daarover de volgende keer.


Het jaar 1879 was het eerste waarin er twee uitgiftes waren, maar het betrof er wel twee van hetzelfde land: Egypte.

Het zouden de laatste zegels zijn onder her bewind van Isma’il Pasha. Onder zijn bewind, begonnen in 1863 als wali (gouverneur) onder het Ottomaanse Rijk, en gepromoveerd tot khedive (onderkoning) kwamen de eerste postzegels tot stand, naast vele andere nieuwe instellingen en hervormingen. Isma’il ging er prat op het land het modernste van Afrika te maken en zelfs moderner dan diverse landen in Europa. Daarnaast voerde hij een heilloze en kostbare oorlog tegen Ethiopië en alles bij elkaar had hij zoveel leningen uitstaan in Europa, met name in Engeland en Frankrijk, dat de staatsschuld huizenhoog opliep. Dat leidde ertoe dat hij de Egyptische aandelen in de Suezkanaal Compagnie aan de Britten moest verkopen, wat kwaad bloed zette bij zijn eigen onderdanen. Op 26 juni 1879 zette kolonel Ahmed ‘Urabi Isma’il af en verving hem door zijn zoon Tewfik Pasha. Niet dat het tij daarmee gekeerd kon worden, want Tewfik had geen enkele ambitie om het naderende Frans-Britse onheil te weerstaan en de facto leider ‘Urabi deed nog wel alles om Egypte te verdedigen, maar kon in september 1882 niet voorkomen dat de Britten het land bezetten. Pas in 1936 werden de laatste troepen teruggetrokken en in 1954 verdween de Britse invloed geheel na de afzetting van koning Faroek.

Terug naar 1879 en toen Isma’il nog in het zadel zat: op 1 januari werden zegels van 2 1/2 paras van de serie 1872 opgeruimd door ze vet te overdrukken met waardes van 5 en 10. Niet de allerfraaiste opdrukken eerlijk gezegd. De grote cijfers, zeker van de 10 paras, nemen een flink deel van het zegelbeeld in beslag. De verkrijgbaarheid van de zegels is ondanks de iets hogere prijzen goed en ze zitten ook al een tijdje in de collectie, de 5 paras zelfs ongebruikt, maar er is vrijwel geen verschil

Op 1 april bracht de Egyptische regering een nieuwe serie naar de postkantoren, zes maal dezelfde opstelling van sfinx en piramide, sterk verfijnd ten opzichte van 1872, maar nu in zes verschillende kaders,. De druk werd verzorgd door De la Rue. De waardes waren vertrouwd: 5, 10 en 20 paras, 1, 2 en 5 piaster. Het plaatje bleef tot 1914 en de invoering van een nieuwe serie in zwang. In de tussentijd kwamen er vooral nieuwe waardes uit, mede door het in 1888 vervangen van de para door de millième. Ook kwamen er opdrukken: een waarde-opdruk, alsmede dienstzegels en eigen zegels voor Soedan in 1897, als tijdelijk lapmiddel voor de eindeloze serie kameelruiters die een jaar later begon.

Nieuw verder in deze reeks is het gebruik van het Frans naast de Arabische tekst, die de Italiaanse landsnaam van de voorgaande zegels verving. Vanaf dit moment tot aan de introductie van de nieuwe frankeerserie in 1914 bleef dit zo: toen werd definitief overgeschakeld op het Engels als tweede taal en dat was 105 jaar later nog steeds het geval.

Van deze serie heb ik er tot nu toe vier, de zegels van 10 paras en 5 piaster zijn wat moeilijker. De eerste waarde had waarschijnlijk nog voorraad van de opdrukken, werd bovendien zowel in 1882 en nog eens in 1884 door een zegel in andere kleur vervangen. Deze laat ik de volgende keren zien. Ook de 5 piaster kreeg in 1884 een beter voor smalle beurzen verkrijgbare zegel in een andere kleur.

Volgende keer een kort stukje over enkele aanvullingen.