1916 was een niet al te ingewikkeld jaar met slechts 24 nieuwe zegels, waarvan er 6 in de collectie zitten. Weer veel opdrukken, maar ook een enkel nieuw onderwerp.

Zwitserland

512

In Zwitserland begon het met het opdrukkencircus van het jaar: de portzegel van 3 rappen uit 1910 werd grondig overdrukt met een rode stralenkrans en daaroverheen een zwarte 5 zodat die 3 écht níet meer te zien is.

Februari – Bolivia

515

Bolivia kwam met een serie van 5 nieuwe langlopende frankeerzegels in kleinere waardes. Op de 1/2 centavo vinden we een nieuw onderwerp: een monoliet uit oude hoofdstad van het Tiwanaku-rijk, dat een belangrijke voorloper was van het Incarijk, dat in de 13’de eeuw ontstond. Tiwanaku bestond naar de nieuwste inzichten vanaf ongeveer 100 tot 1000, hoewel vroegere historici het aanzienlijk ouder ingeschat hebben. Van vóór onze jaartelling zijn er echter geen sporen aangetroffen, wat het zeer onwaarschijnlijk maakt dat Tiwanaku toen al bestond,of tenminste belangrijk was. Centraal in de hoofdstad, waar op het hoogtepunt mogelijk 70.000 mensen gewoond hebben, ligt de Kalasasaya, een vierkant tempelplein, waar de monolieten zoals op de postzegel te zien zijn. In de wanden vind je allerlei kopjes van soms voor Boliviaanse begrippen exotische figuren, waarmee de gids, die mij er in 1998 rondleidde, wilde zeggen dat de oude bewoners al lang wisten dat er meer was dan de lokale wereld om hen heen, iets waar tot op de dag van vandaag over gespeculeerd wordt.

Ook bijzonder is de Zonnepoort, waar rond 24 juni het traditionele nieuwjaarsfeest van de Aymara gevierd wordt. De Aymara zijn een oude etnische groep, die voor ongeveer 20% deel uitmaakt van de Boliviaanse bevolking. Op de Zonnepoort kom ik later terug.

516

De 1 centavo laat een bekende zien, maar nu voor echt, want tot 1917 zien we de Cerro Rico alleen nog als onderdeel van het wapenschild.

De overblijvende waardes zijn de

  • 2 centavos: het Titicacameer, een door de Inca’s heilig genoemd meer in het grensgebied van Bolivia en Peru.
  • 5 centavos: de Illimani, een uitgedoofde vulkaan van 6438 meter, die vanuit La Paz goed te zien is.
  • 10 centavos: het regeringsgebouw in La Paz, de politieke en administratieve hoofdstad van Bolivia. Het land kent twee hoofdsteden: Sucre is de wettelijke hoofdstad van het land. Dit is ongeveer vergelijkbaar met Nederland, al zal niemand Den Haag hoofdstad noemen…

15 februari – Tunesië

Ook Tunesië ontkwam er als Franse kolonie niet aan om toeslagopdrukken voor het Rode Kruis te drukken. Het betrof de 5 centimes met de Grote Moskee van Kairoun uit 1906. Opmerkelijk is dat de zegelwaarde onder twee dikke rode opdrukstrepen verdwenen is. De zegel heeft dus officieel geen frankeerwaarde, maar werd wel voor 5 centimes verkocht.

Op 7 augustus verschenen de waarden vanaf 15 centimes van dezelfde serie met soortgelijke opdrukken, maar hier betrof het wel een echte toeslagwaarde, in dit geval van 10 centimes. De franc-waardes met de Carthaagse galei ontkwamen er ook niet aan, maar met name de 2 en de 5 francs zijn voor de grotere portemonnee.

20 maart – Mexico

Het opdrukken van Mexicaanse zegels ging ook gewoon door: nu betrof het de tekst G.P. DE M. (Gobierno Provisional de Mexico) in een langwerpig rozet. De Granadistas-zegel van 1910 hoorde er ook bij, net als een al eerder overdrukt exemplaar uit 1914. Ook een tweetal als dienstzegels eerder overdrukte zegels werden nog eens onderhanden genomen. Prijzig spul…

April – Réunion

520

In 1915 had Réunion al twee toeslagzegels voor het Rode Kruis uitgegeven, maar kennelijk bevielen de opdrukken niet of was de voorraad gauw uitgeput. In ieder geval was dit de derde en laatste versie

20 augustus – Hedjaz

534

Voor Saoedi-Arabië gestalte kreeg in 1932 waren er twee voorgangers. Het eerste was het koninkrijk Hedjaz, dat bestond tussen 1916 en 1925. In de volgende periode was dit veroverd door het sultanaat Nedjd (dat nimmer postzegels uitgaf) en ging het verder als het koninkrijk Nedjd en Hedjaz onder leiding van koning Ibn Saoed (1875-1953). Na nog wat veroveringen kreeg het land zijn huidige vorm en werd omgedopt tot Saoed-Arabië.

Hedjaz gaf 111 postzegels uit vanaf het begin in 1916, meestal ornamenten in de stijl zoals hierboven te zien en ontleend aan moskeeën in de Arabische wereld. De getoonde zegel toont ornamenten van de toegang van de El-Salih-Talay-moskee in het historische centrum van Cairo. Een andere zegel laat een ornament zien van een koran uit een andere moskee, die van Sultan Barquq, ook in Cairo.

Op 23 december kwamen dezelfde zegels nog een keer uit, maar dan in doorsteek, zoals afgebeeld. De eerste zegels waren getand.

16 september – Turkije

527

Turkije was in de Eerste Wereldoorlog kampioen opdrukken. In 1916 werd een groot deel van de voorgaande uitgiften sinds 1892 overdrukt. Ook de Edirne-zegels (én de port-opdrukken) ontkwamen niet aan de opdruk van een liggende maansikkel met het Arabische jaartal 1332 en een ster. Overigens was het al 1334 volgens de lopende kalender.

1 september – Dominica

Zoals de Franse gebieden allemaal één of meerdere opdrukken voor het Rode Kruis hadden, kregen vele lopende zegels van de Britse koloniën een opdruk ‘WAR TAX’ om de oorlogsinspanningen van het moederrijk te financieren. De zegel van Dominica van 1916 heb ik niet maar een latere uitgifte uit 1918 wel.

1917 gaat weer in twee delen, maar daarover later deze maand meer.

Mei – Nicaragua

Zoals in het laatste deel van 1914 al gemeld gaf Nicaragua de volgende 25 jaar bijna alleen maar zegels uit met het regeringsgebouw in Managua en de kathedraal van Léon. In 1915 kwam het rijtje van 1914 uit met de opdruk OFICIAL om als dienstzegel te dienen. Anders dan later gebruikelijk werd er een compleet nieuwe oplage gemaakt met alle zegels in de kleur blauw.

Op 7 september was er ook de nog de 6 centavos met een opdruk ter waarde van 5 centavos de cordóba. De Cordóba was de in 1912 ingevoerde munteenheid van Nicaragua en deze wordt nog steeds gebruikt.

Augustus – Turkije

Ook in Turkije een opdruk om de kennelijk moeilijk verkoopbare 100 piaster met het Sultanahmet-brongebouw van 1914 aan de man te brengen. De nieuwe waarde was slechts 10 piaster.

15 oktober – België

In België kwam ondanks de oorlog er een nieuwe serie frankeerzegels in hogere waardes uit. Hierop voornamelijk bezienswaardigheden en de vier zegels met werelderfgoed laten alle iets zien uit de collectie Belfries in Belgium and France, waarin 56 plaatsen in België en Noord-Frankrijk opgenomen zijn met een belfort – een centrale klokkentoren, waarvan de klokken geluid worden bij brand of storm – of als zodanig gebruikte toren. Ook de eventueel bijbehorende gebouwen zijn opgenomen. De serie bestaat uit de volgende waardes:

  • 35 centimes: de lakenhal en belfort van Ieper
  • 40 centimes: de brug over de Maas en de citadel van Dinant
  • 50 centimes: bibliotheek van de universiteit van Leuven
  • 65 centimes: stadhuis en belfort van Dendermonde (deze verscheen eerst op 5 augustus 1920)
  • 1 franc: gezicht op Antwerpen vanaf de Schelde
  • 2 francs: allegorie op de bestrijding van de slavernij in Congo
  • 5 francs: presentatie van de vlag van het 7’de regiment in Veurne. Van deze zegel bestaan 2 versies, met de tekst 5 FRANKEN of met 5 FRANK. De eerste is aanzienlijk duurder en daarom bespreek ik de goedkope versie in het verhaal over 1919.
  • 10 francs: portretten van de eerste drie koningen: Leopold I, Leopold II en Albert I

505

Het 70 meter hoge belfort van Ieper maakt onderdeel uit van de beroemde middeleeuwse Lakenhalle, dat een van de grootste bouwwerken in gotische stijl is en tussen 1230 en 1304 gebouwd is. Het belfort met maar liefst 49 klokken verrees rond 1250 en gold als teken dat Ieper een van de rijkste Vlaamse steden was dankzij de lakenbereiding en -handel. De Lakenhalle is onderdeel van de route van de jaarlijks in mei gehouden Kattenstoet. Deze verwijst naar het eeuwenoude gebruik om tijdens de jaarmarkt drie levende katten uit het belfort te werpen. De traditie wordt in ere gehouden, gelukkig met speelgoedbeesten.

Op 22 november 1914 werd het gebouw door de Duitsers in brand geschoten. Na de oorlog begon de restauratie die tot 1967 zou duren. Tegenwoordig zijn er twee musea in de Lakenhalle gevestigd waarvan het Flanders Fields museum het indrukwekkendst is. Aardig om te weten is dat het gerechtsgebouw van Calcutta (het huidige Kolkata in India) uit 1872 dat gebouw is naar het voorbeeld van de Lakenhalle.

506

Op de 65 centimes, een waarde die pas in 1920 betekenis kreeg in het postverkeer, vinden we het stadhuis van Dendermonde met zijn belfort, dat ook integraal opgenomen is in het gebouw. Oorspronkelijk was ook dit een lakenhal, waarvan de bouw startte in 1337 en waarvan het belfort de hoektoren werd. Na uitbreiding in de 15’de eeuw is het stadhuis geworden.

Het belfort is met iets meer dan 40 meter een stuk kleiner dan dat van Ieper, maar er hangen wel ook 49 klokken in. Dat is nog maar van recent, want net als de Ieperse versie raakten stadhuis en belfort zwaar beschadigd in de Eerste Wereldoorlog. De wederopbouw was in 1926 weliswaar gereed, maar zo mooi als eerder is het nooit geworden. Tegenwoordig is het een ruimte voor exposities, vergaderingen en trouwerijen.

Beide zegels kun je als een soort eerbetoon aan de verwoeste gebouwen beschouwen omdat ze na het onheil uitgegeven zijn. Ze werden niet in België gedrukt maar bij Waterlow & Sons in Londen, waar ze ook ontworpen werden.

507

De hogere waardes komen uit de drukkerij van Derarrois in Parijs. Op de 1 franc kijken we naar Antwerpen vanaf de overkant van de Schelde en wel op de manier zoals Amsterdam vele malen is afgebeeld in vroeger eeuwen, dus met schepen op de voorgrond. Centraal in het stadsbeeld staat de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Antwerpen heeft geen belfort in de ware zin van het woord, maar de 14’de-eeuwse toren vervulde wel de zelfde functie als de traditionele aan een burgerlijk gebouw verbonden klokkentoren.

De bouw van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal startte in 1352 onder leiding van stadssteenhouwer Jan Appelmans en na diens dood in 1411 voortgezet door zijn zoon Pieter. Op de Handschoenmarkt, voor het portaal van de kathedraal staat een beeld ter ere van de bouwers. De kerk werd uiteindelijk voltooid in 1521 en als kathedraal gewijd in 1559.

Oorspronkelijk zouden er twee torens komen, maar uiteindelijk werden het een hoge (van bijna 125 meter) en een kleinere toren. In de hoge toren werd in 1655 een klokkenspel geplaatst van de beroemde gebroeders Hemony uit Zutphen.

Beeldsnijwerk aan het portaal van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (eigen foto 27-8-2010)

7 november – Bulgarije

511

In Bulgarije kwam een herdruk van de zegel van het Rila-klooster uit 1911 uit in andere kleuren, blauw en zwart in plaats van olijfgroen en roodbruin.

1915 kende een toename van 62 zegels in 21 verschillende uitgiften en daarbij enkele nieuwe onderwerpen. Omdat ik maar 6 zegels in de collectie heb zal het merendeel van onderstaande en in het tweede deel in vogelvlucht behandeld worden.

Egypte

Dienstzegel uit 1915

Met een nieuw uitgegeven frankeerserie was het natuurlijk te verwachten dat er ook snel opdrukken zouden verschijnen, zodat er ook weer een voorraadje dienstzegels zou zijn. Drie lage waardes werden overdrukt. In oktober volgden nog eens drie zegels, waarvan er twee nog op de oude pyramidezegels.

Panama en de Kanaalzone

Panama bracht in totaal 10 frankeerzegels en 4 portzegels uit. Dit recent ontstane land, een voormalige provincie van Colombia, maar onder druk van de Amerikanen onafhankelijk geworden zodat zij de vrije hand hadden in de aanleg van het Panamakanaal, had tot dan toe vrijwel alleen landkaartjes van de Istmus (de smalle landstrook die Zuid- en Midden-Amerika verbindt) uitgegeven. Een portzegel met daarop een deel van de koloniale verdedigingswerken aan de Caribische kant van het land was de eerste zegel met werelderfgoed. Op 1 maart volgde een serie frankeerzegels ter gelegenheid van de Panama-tentoonstelling, die gehouden werd in verband met de opening van datzelfde Panamakanaal een jaar eerder. Hierop zien we ook landschappen en stadsbeelden van Panama met daarbij de kerkruïne van Panamá Viejo en de losstaande gevel van het Santo Domingo-klooster in het huidige stadshart.

De portzegel werd ten behoeve van de Canal Zone in maart van een zwarte en in november van een rode opdruk voorzien. De laatste kreeg daarbij ook de nieuwe waarde van 1 Amerikaanse cent.

Peru

Peru kwam met een serie opdrukzegels in kleine waardes van 1 en 2 centavos. Ook de 50 centavos uit 1910 met het postkantoor in Lima moest eraan geloven en kreeg een waarde van 2 centavos. Wel een vrolijk lettertype overigens, ik hoop de zegel ooit eens te laten zien.

Januari – Samos

In januari kwamen de laatste postzegels van Samos uit. Ook dit waren opdrukken om aan te geven dat het eiland nu echt wel bij Griekenland ingelijfd zou worden.

23 januari – Réunion

Ook opdrukken op dit Franse eiland. Deze waren bedoeld om in oorlogstijd het Rode Kruis te ondersteunen, horen tot de eerste in dat soort en werden in alle Franse koloniën toegepast. De eilandzegel van 10 centimes uit 1907 kreeg een zwarte opdruk van een kruis (tevens het +-teken) en de toeslagwaarde van 5 centimes. Op 5 februari werd de opdrukkleur veranderd in het meer toepasselijke rood.

Februari – Mexico

In Mexico bleef de revolutie voortduren. In februari was er een nieuwe versie van de GCM-opdruk op onder andere de Granaditas-zegel van 1911, maar in november werd het opdrukkencircus onderbroken door een drietal zegels met nationale symbolen waarmee een nieuwe zegel van 5 pesos geïntroduceerd werd, nu met het hoofdpostkantoor in het centrum van Mexico-Stad. De zegel zelf verscheen pas op 1 januari 1917.

April – Iran

Darius’ paleis in Persepolis

In Iran, toen nog officieel Perzië geheten, was er toch nog een soort van feestelijk moment voordat de ellende van alledag weer voortging. Perzië was dan weliswaar neutraal in de Eerste Wereldoorlog, dat wil niet zeggen dat er geen oorlog woedde. In het noordwesten, aan de grens met Azerbaidzian en in Iraans Azerbaidzian, werd gevochten om land en grondstoffen tussen de gecombineerde legers van Rusland en Brits-Indië, van Turken en Duitsers en van Perzië zelf. Het had een enorme genocide tot resultaat: 2 miljoen burgers kwamen om als gevolg van het geweld en de later uitbrekende hongersnood en het is dan ook terecht een inktzwarte bladzijde in de Iraanse geschiedenis.

Op 24 april werd de 16-jarige Ahmad Qajar tot sjah gekroond. Hij was na de afzetting van zijn vader in 1909 al tot leider van het land verklaard, maar nog te jong om de kroningsceremonie te ondergaan. Hij was een zwakke leider en omdat het met Perzië steeds verder achteruit ging door de voortdurende oorlogsinspanningen, werd hij op zijn beurt in 1921 officieus en in 1925 formeel ook weer afgezet. In 1930 stierf hij in zijn verbanningsoord Parijs en ligt begraven bij zijn familie in het huidige Irak.

De zegels in een serie van 17 hebben drie onderwerpen: de laagste 9 waardes hebben de keizerskroon als onderwerp en de volgende 4 een reliëf uit Persepolis, voorstellende Artaxerxes I op zijn troon. Artaxerxes was een zoon van Xerxes I en de zesde koning van Perzië uit de Achaemeniden-dynastie die tussen ongeveer 550 en 336 v.Chr. over het rijk regeerde. Ook vormden ze de 27’ste dynastie van farao’s in Egypte. Uiteindelijk bracht Alexander de Grote de Achaemeniden op de knieën.

De vier hoogste waardes, waarvan hierboven een voorbeeld, tonen het paleis van Darius I in Persepolis, dat in 1979 als nummer 114 werd ingeschreven op de lijst. Daarmee was het samen met twee andere sites de eerste van 24 die tegenwoordig ingeschreven zijn.

Persepolis werd in 518 v.Chr. gesticht door Darius I (550-487), die het Achaemenidenrijk, waarvan hij de derde koning was, tot zijn grootste omvang bracht. Persepolis was niet, zoals de vertaling uit het Grieks doet vermoeden, een stad, maar meer een verzameling paleizen in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde grotere huidige stad, Shiraz, ligt op 70 kilometer. Het diende dan ook slechts als een soort ceremoniële hoofdstad van Perzië, die alleen bij festiviteiten bezocht en bewoond werd. Een voorbeeld is Nowruz, het traditionele nieuwjaar volgens de Perzische tijdrekening. Van het complex zijn uiteraard alleen nog ruïnes over die nationaal en internationaal tot de grootste trekpleisters van Iran horen. Ook in Streetview is het te bezoeken en zeker de moeite waard.

De serie werd tegelijkertijd uitgegeven met opdrukken om te dienen als dienstzegels (‘SERVICE’ in het Frans en in Farsi) en als pakketzegels (idem met ‘COLIS POSTAUX’). In september volgden nog 15 van de 17 zegels met opdruk ‘BUSHIRE Under British Occupation’. Deze serie is zeer zeldzaam en peperduur (mits echt, wat maar zelden zo is!) en werd alleen kort gebruikt tijdens de Britse bezetting van deze havenstad aan de Perzische Golf. In oktober heroverden de Iraniërs het weer.

 

In dit derde deel bespreek ik de overige uitgiftes van 1914

24 februari: Cuba

Morane bij vesting El Morro

In Cuba verscheen een expressezegel (Entrega immediata). Nu was dat niet het meest bijzondere, wel was dat een vliegtuig op de afbeelding, de eerste op een officiële uitgifte (in 1912 was er al een onofficiële in Duitsland)!

Het vliegtuig in kwestie was een Morane-Saulnier, uit de Franse fabriek, opgericht door de Parijzenaar Léon Morane (1885-1918), zijn broer Robert (1886-1968) en Raymond Saulnier (1881-1964), ook uit Parijs. We zien het ‘vliegen’ voor het fort El Morro bij Havana. Officieel heet het Castillo de los Tres Reyes Magos del Morro en is in 1585 gebouwd door de Italiaanse fortenbouwer Bautista Antonelli (1547-1616), die in dienst was van Filips II. Een beroemder werk van hem is de San Pedro de la Roca bij Santiago de Cuba, dat als zelfstandig object op de Werelderfgoedlijst staat.

13 mei: Nicaragua

Kathedraal van Leon

In Nicaragua kwamen de eerste zegels uit in de veelvuldig uitgemolken serie ‘Regeringsgebouw in Managua’ en ‘Kathedraal van Leon’. Tot 1938 kwamen er tientallen zegels uit, hetzij in andere kleuren, hetzij overdrukt, al of niet als dienstzegel. Hoewel de cataloguswaarde niet hoog is, is zeker buiten Amerika de handel in deze zegels klein en ik heb er maar een beperkt aantal van.

Bovenstaande zegels gelukkig wel en we zien zodoende de beroemde kathedraal van Leon. Bij de onafhankelijkheid van Nicaragua in 1835 werd deze stad, halverwege de 17’de eeuw ontstaan, tot hoofdstad uitgeroepen, maar rivaliteit met de stad Granada maakte dat er een burgeroorlog uitbrak, in 1852 besloten met een compromis, namelijk dat Managua de hoofdstad werd.

De kathedraal, officieel de Onze-Lieve-Vrouwe-Hemelvaartskathedraal, was in die dagen nog helemaal niet zo oud: de eerste steen werd gelegd in 1747 en de bouw stond onder leiding van Diego José de Porres Esquivel (1707-1767). Hij had als opdracht een kerk te maken die bestand was tegen aardbevingen en vulkaanuitbarstingen. Dat had een reden: het oude Leon, de voorganger van de huidige stad, lag een kilometer of 30 verderop aan de voet van de zeer actieve vulkaan Momotombo. Een uitbarsting in 1613 zorgde ervoor dat de laatste bewoners de oude koloniale hoofdstad moesten verlaten en er slechts ruïnes overbleven (de ándere inschrijving op de WeL: Leon Viejo). De eerste publieke gebouwen (lees kerken en kloosters), verschenen zo’n 20 jaar later, maar de kathedraal vergde om bovengenoemde redenen wat meer tijd. Het resultaat mocht er zijn: zelfs bombardementen rondom de roerige politieke gebeurtenissen in het land (burgeroorlogen en revoluties) kon de kerk goed weerstaan.

De bouw duurde tot 1814 en daarmee was er weer een bisschopszetel van formaat (het oude Leon was al vanaf 1531 bisdom), die in 1860 gewijd werd. Het is het belangrijkste monument van Nicaragua, waar diverse grootheden begraven liggen, zoals de schrijver en dichter Rubén Dario (1867-1916), die als een volksheld vereerd wordt en boven alle partijen staat.

Juni: Haiti

Haiti zat in 1914 in een burgeroorlog, in februari greep generaal Oreste Zamor (1861-1915) er de macht, in oktober werd hij afgezet en in 1915 geëxecuteerd. Tijdens zijn kortstondige regering werden tientallen zegels overdrukt met zijn (afgekorte) naam GL O.Z. en de datum 7 FÉV 1914 in een kastje. Hieronder ook twee zegels met Slot Sanssouci.

Juli: Zwitserland

Jungfrau voor de Jungfrau

In Zwitserland kwam een serie van drie hoge waardes uit, 3, 5 en 10 Francs met daarop landschappen. Op de 3 staan de Mythen, een kleine bergketen bij het Vierwoudstedenmeer, de kern van het oude eedgenootschap, met de plaatsjes Schwyz en Brunnen. Op de 5 eveneens een scene aan het Vierwoudstedenmeer. Op de 10 Francs echter een oude bekende: de Jungfrau. Een mooi werkje van Eugène Grasset (1845-1917), voor wie het een van zijn laatste kunststukje was. De graveur was Jean Sprenger, over wie niet veel bekend is, behalve dat hij tot in de jaren 30 actief was.

18 september: Samoa

Na het begin van de Eerste Wereldoorlog werden de Duitse koloniën zo veel mogelijk bezet. Samoa, dat in 1900 in bezit genomen werd door de Duitsers, kwam nu onder bestuur van Nieuw-Zeeland. Het eerste wat zij deden was een aantal eigen zegels met opdruk SAMOA uitgeven. Het waren er 6 stuks, de meeste met het al verlopen portret van koning Edward VII (reeds vier jaar eerder overleden), maar ook de wat oudere Lake Wakatipu van 2 1/2 pence.

8 december: Noord-Epirus

Noord-Epirus was een kortstondige autonome republiek in het zuiden van het huidige Albanië met een overwegend Griekse bevolking. Het landje ontstond in februari 1914 in de nasleep van de Tweede Balkanoorlog en kwam alweer ten einde bij de Eerste Wereldoorlog toen Albanië onder de voet gelopen werd. Als hoofdstad gold Gjirokaster (Grieks: Argyrokastron) en de president was Georgios Christakis (1863-1920). Na de oorlog kreeg de regering in Athene het republiekje in handen, maar na de Grieks-Turkse oorlog van 1919 tot 1922 verloren de Grieken het weer. Dat bleek definitief te zijn.

In 1914 verschenen de meeste postzegels van Noord-Epirus. De eerste zegels toonden een soldaat van het Epirische leger, later werden dat de vlag, in de Griekse kleuren met een dubbelkoppige adelaar. In december, toen Griekenland de administratie claimde, verscheen de Ekstrateia-serie met Griekse opdruk.

Het tweede deel is geheel gewijd aan Turkije, waar ook weer allerlei ontwikkelingen waren.

Adrianopel-zegels als portzegels gebruikt

Het begon al op 10 januari met een serie van vier portzegels. Het ging om de Adrianopelserie, overdrukt met de Turkse tekst voor ‘Taxe’ en een nieuwe waarde.

Op 14 januari kwam een serie van 17 frankeerzegels uit met gezichten op Constantinopel, dat we tegenwoordig kennen als Istanboel en waarvan het historische centrum in 1985 als nummer 356 werd ingeschreven op de Werelderfgoedlijst. Van de serie zijn 8 van de 17 zegels hieraan gewijd.

De stad begon als een Griekse kolonie in het jaar 669 v.Chr. onder de welbekende naam Byzantium. De Romeinse Keizer Constantijn de Grote (273 of 280-337) wilde de hoofdstad van zijn rijk naar het oosten verplaatsen en had daarvoor de strategisch gelegen stad op het oog. Kort voor zijn dood was Constantinopel een feit. Na de splitsing van het Romeinse Rijk in een westelijk en een oostelijk deel bleef Constantinopel de hoofdstad van het oostelijke deel en vanwege de nog steeds grote Griekse invloed werd dit Oost-Romeinse Rijk al gauw weer het Byzantijnse Rijk genoemd. In 1204 werd Constantinopel ingenomen door de kruisvaarders en werd een uitvalsbasis voor de herovering van Jeruzalem op de moslims. In 1261 heroverden de Grieken de stad weer en zij bleven de baas tot 1453 toen het rijk, inmiddels gereduceerd tot niet meer dan een stadstaat, veroverd werd door de Ottomaanse sultan Mehmed II (1432-1481).

Na de verliezen in de Eerste Wereldoorlog en het opdoeken van het Ottomaanse Rijk werd de hoofdstad van het nieuwe Turkije verplaatst naar Ankara. De Griekse bevolking van Constantinopel verdween en werd uitgewisseld met Turkse bewoners van Griekenland. De stad werd in 1930 hernoemd tot Istanboel.

Obelisk van Thutmosis III

Op de 2 paras zien we de Obelisk van Thutmosis III, een Egyptische farao die deel uitmaakte van de 18’de dynastie (15’de eeuw v.Chr.) en de opvolger van Hatsjepsoet, waaraan vorige keer kort aandacht besteed. De obelisk die achter de Sultanahmet-moskee  staat, werd in 390 door de laatste keizer van het ongedeelde Romeinse Rijk, Theodosius I (346-395), uit Egypte gehaald en in Constantinopel geplaatst bij de toenmalige Hippodroom (paardenrenbaan). Waar nu de moskee staat stond indertijd het grote paleis van de Romeinse keizers. Vanwege beschadigingen is de obelisk nog slechts 18,5 meter hoog, terwijl het exemplaar dat daarvoor bij de tempel in Luxor stond 30 meter telde. Onderin liet Theodosius overigens zijn eigen portret uitbikken.

De Contantijnszuil

De 35 meter hoge Constantijnszuil staat op de 4 paras. Dit is het oudste monument uit de Romeinse tijd en opgericht in 328 in opdracht van keizer Constantijn, naar wie in 330 de stad hernoemd is. Het was toen onderdeel van het Forum van Constantijn. De zuil staat aan de rand van het Byzantijnse centrum in het stadsdeel Çemberlitaş, de Turkse naam van Constantijn. Op de oorspronkelijke zuil stond het beeld van Apollo, die de keizer zelf verbeeldde, maar in 1106 ging dit ten onder in een windhoos, waarna de Byzantijnse keizer Manuel I er een kruis op liet zetten, dat op zijn beurt verwijderd werd na de verovering in 1453.

Leandertoren met op de achtergrond de Hagia Sophia

Een mooi stukje skyline zien we op de 5 paras met daarop de Leandertoren (Kız Kulesi, ook wel Meisjestoren), die als uitkijktoren, vuurtoren, quarantainestation en gevangenis dienst deed. Het is nu een café-restaurant. James Bond werd er opgesloten in The world is not enough en ook figureerde de toren enkele seconden in From Russia with love. De eerste versie stamt al uit de 12’de eeuw. Het staat niet op de lijst, maar daarentegen de Hagia Sophia, links aan de overkant, wel.

Het wellicht bekendste religieuze gebouw van Istanboel bestaat al bijna 1500 jaar en begon als christelijke kathedraal in 537, gebouwd in opdracht van keizer Justinianus II, nadat bij het Nika-oproer (een tegen Justinianus gerichte volksopstand in 532) de voorloper verwoest werd. Als bouwmeesters worden genoemd Anthemios van Tralles en Isidoros van Milete. Na het Oosters Schisma in 1054 werd het een orthodoxe kathedraal, die tussen 1204 en 1261 weer rooms-katholiek werd. Van 1453 tot 1931 was het een moskee, daarna tot juli 2020 een museum, nadat de laatste 30 jaar een voortdurende strijd tussen groeperingen en organisaties oplaaide over wat de functie van het gebouw nou werkelijk moest zijn. President Erdogan hakte echter eigenhandig de knoop door omdat hij de functie van museum ongrondwettelijk achtte en hij meende dat Mehmet II, die het Byzantijnse Rijk veroverde, de Hagia Sophia voor eeuwig bedoeld had als moskee. Het was een besluit dat wereldwijd betreurd is, in het bijzonder door de Griekse en Russische orthodoxe kerk en door UNESCO, die als beschermer van het werelderfgoed verantwoordelijk is voor het behoud van de staat waarin het zijn status verkregen heeft. Woordvoerders van de Turkse regering hebben verklaard dat buiten gebedsuren de Hagia Sophia gratis te bezichtigen blijft en dat aan de aanwezige christelijke motieven, zoals de beroemde mozaïeken, respect gedaan zal worden. We wachten af…

Fort van de Zeven Torens

Dan naar de 6 paras. Deze is gewijd aan het Fort van de Zeven Torens oftewel Yedikule, een verdedigingswerk dat teruggaat naar de eerste jaren van het bewind van Mehmet II hier aan de zuidpunt van het historisch centrum. Het werd in 1457 gebouwd om de schatten van de sultan in onder te brengen en een deel van het jaar woonde hij er ook. Na die tijd deed het fort regelmatig dienst als gevangenis, waar doorgaans adellijke personen en gevangengenomen vorsten werden geplaatst. Tijdens de Napoleontische oorlogen zaten er Fransen gevangen. Na in de 19’de eeuw een tijdje kruitopslag geweest te zijn werd het in 1895 een museum.

Op de 10 paras zien we de vuurtoren van Fenerbahçe, een stadswijk aan de Aziatische kant van Istanboel, en op de 20 de Rumeli-Hisar, een fortencomplex langs de Bosporus nabij de Bosporusbrug. De waarde van 1 piaster is gewijd aan de Sultanahmet-moskee die ik hierboven al noemde en die beter bekend is als de Blauwe moskee.

Sultanahmet- of Blauwe Moskee

De Blauwe moskee, tegenover de Hagia Sophia gelegen, is zo genoemd vanwege het blauwe handgeschilderde tegelwerk in het interieur en de blauwe gloed die de moskee dankzij verlichting in de avond geeft. Deze moskee is gebouwd tussen 1609 en 1616 door Sedefkar Mehmed Agha (1540-1617), een bouwmeester van Albanese afkomst. De opdrachtgever was sultan Ahmet I, wiens graf ook te zien is hier. Ook bijzonder is de aanwezigheid van 6 minaretten, hiervan zijn er in Turkije maar 5 voorbeelden. Volgens de legende verstond de architect de sultan niet goed en verwarde hij het woordje altın (goud) met altı (6). Voordien had alleen de Moskee van de Ka’aba in Mekka zes minaretten. De Blauwe Moskee is pas het tweede islamitische gebedshuis waar ooit een paus is geweest: Benedictus XVI bezocht het en bad er op 30 november 2006 tijdens zijn bezoek aan Turkije. Dit was 5 jaar nadat Johannes Paulus II de Olmayyaden-moskee in Damascus had bezocht.

Op de 1½ piaster vinden we een monument voor de vrijheidsstrijders van de voorgaande oorlogen. Het bevindt zich op een militaire begraafplaats in het noorden van de Europese stad en herdenkt ook de militaire slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, die bij uitgifte van de serie nog niet begonnen was.

Süleymaniye-moskee, zijgevel

Op de 1¾ piaster kijken we naar de zijgevel van de derde belangrijke moskee in Istanboel, de Süleymaniye, die ik in 1913 al aangestipt had, omdat zij dezelfde bouwmeester had als de Selimiye in Adrianopel (Edirne), namelijk Koca Mimar Sinan Ağa. Deze werd gebouwd tussen 1550 en 1557 in opdracht van sultan Süleyman I (1494-1566), die af wilde van het suggestie dat er geen enkele moskee kleiner zou zijn dan de Hagia Sophia en dus een grotere liet bouwen. Net als in de moskee in Edirne paste Sinan technieken toe die de lichtinval optimaliseerden, iets wat hij in zijn latere werk nog verbeterde.

De overige waardes van de serie waren:

  • 2 piaster: de lichte kruiser Hamidiye van de Ottomaanse marine
  • 2 ½ piaster: gezicht op de Bosporus bij Kandilli in het noorden van de Aziatische stad
  • 5 piaster: het voormalige oorlogsministerie aan het Beyazıt-plein
  • 10 piaster: Kağıthane in het noorden van de Europese stad
  • 25 piaster: een buitenaanzicht van de Süleymaniye-moskee
  • 50 piaster: gezicht op de Rumeli-Hisar gezien vanaf de overkant van de Bosporus
  • 100 piaster: het Sultanahmet-brongebouw nabij de Hagia Sophia, uit 1728. Dergelijke gebouwtjes leverden drinkwater en het drinken ervan had ook een religieuze betekenis.
  • 200 piaster: portret van sultan Mehmet V (1844-1918), de twee na laatste heerser van het Ottomaanse Rijk.

De 25 en 100 piaster zijn wat duurder en zullen voorlopig nog niet in de collectie zitten schat ik.

1 piaster voor buitenlands verkeer

Zegels van de serie zijn vele malen overdrukt. Dat begon al op 10 maart, toen men een deel van de serie opnieuw uitgaf met opdruk van een vijfpuntige rode ster om aan te geven dat deze voor buitenlands verkeer was. Naast de 1 piaster waren dit de 10 en 20 paras, 1¾ en 2 piaster.

Opdrukzegel van 1 oktober 1914

Ten slotte verschenen er op 1 oktober 7 zegels uit de serie om de ‘vieren’ dat de Turken zich niet meer aan de verdragen van capitulatie hoefden te houden bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Naast de getoonde 5 paras betrof het ook de 10 en 20 paras, 1, 2, 5 en 10 piaster. De opdruk is geheel in het Arabisch met het jaartal 1330, verwijzend naar de Turkse jaartelling.

In het derde deel hebben we nog wat restjes, waarbij ik Cuba, Zwitserland en (voor het eerst) Nicaragua zal bezoeken.

Dienstzegels Egypte 1913-14

 

Het jaar 1914 tikte voor het eerst de 50 zegels aan met onderwerpen die het Werelderfgoed betreffen. In het eerste deel behandel ik Egypte en een beetje onbereikbaar Mexico.

Rond de jaarwisseling verschenen de laatste oude piramidezegels met opdruk om als dienstzegel gebruikt te worden. Op 1 november 1913 was dat de 5 millièmes met opdruk O.H.H.S. (On His Highness’ Service) in 1914 gevolgd door de 2 en de 4 millièmes met daarnaast een Arabische vertaling van de afkorting.

Op 8 januari verscheen een nieuwe reeks frankeerzegels, voor het eerst in ruim 40 jaar met andere onderwerpen dan de piramides van Gizeh. Daarbij werden de Franse inschriften van de voorgaande zegels vervangen door Engelse.

De 10 zegels hadden dit keer 10 verschillende onderwerpen, waarvan er 6 gewijd zijn aan werelderfgoed, daarmee een behoorlijk deel van het arsenaal in Egypte afdekkend. Het gaat om de nummers 86 tot en met 89.

  • 86: de piramides in de omgeving van Memphis, met onder andere Gizeh en de oude trappenpiramide van Djoser in Saqqara.
  • 87: de monumenten van Thebe zoals de tempels van Luxor en Karnak.
  • 88: de monumenten aan de Nijl in Aswan en ten zuiden daarvan, zoals de tempel op het Nijleiland Philae en Abu Simbel nabij de grens met Soedan. Deze waren met name onderwerp van de UNESCO-actie tot behoud ervan in de eerste helft van de jaren 60 en zijn toen wereldwijd op postzegels gekomen. Dit is te vergelijken met een soortgelijke actie voor Venetië circa 1972.
  • 89: de historische binnenstad van Cairo en zijn citadel.
  • 90: de christelijke bedevaartplaats Abu Mena nabij Alexandrië. Deze werd ook in 1979 toegekend, maar kwam pas in 1997 voor het eerst op een postzegel van de Centraalafrikaanse Republiek voor en later in aan UNESCO-werelderfgoed gewijde series van de Verenigde Naties. Egypte zelf deed hier nooit iets mee.

De waardes liepen uiteen van 1 tot en met 200 millièmes. Op de kleinste waarde zien we enkele zeilschepen op de Nijl, die van 2 millièmes de afbeelding van een Cleopatrareliëf uit de tempel van Dendera. Dit ligt ten noorden van Luxor, maar is geen werelderfgoed. Op de oranje 3 staat het Ras-el-Tin-paleis in Alexandrië, dit is een van de residenties van het staatshoofd, gebouwd tussen 1834 en 1845 op een landtong in de haven.

4 en 5 milliemes: de piramides en de sfinx

De 4 millièmes is de eerste van belang en laat alle drie de piramides van Gizeh zien. Tot nu toe werd allen die van Chefren getoond. Op de 5 zien we van deze piramide nog maar een klein stukje, want de rest van het zegelbeeld wordt ingeruimd door een frontale afbeelding van de Sfinx.

10 milliemes: De Kolossen van Memnon

Met de 10 millièmes gaan we naar het oude Thebe, waar zoals gezegd zich de tempelcomplexen van Luxor en Karnak bevinden. Deze staan op de oostelijke oever van de Nijl, terwijl de eveneens zeer bezienswaardige tomben van de farao’s aan de andere kant liggen in de zogenaamde Vallei van de Koningen met centraal daarin de Tempel van Hatsjepsoet.

Onderweg tussen de twee kom je bovenstaande reusachtige beelden tegen. Het zijn de Kolossen van Memnon, twee 18 meter hoge beelden die ooit deel uitmaakten van de Dodentempel van Amenhotep III. Deze farao uit de 18de dynastie leefde tussen geschat 1388 en 1351 voor Christus en na zijn dood werd een tempel opgericht. De uitgekozen plek was niet goed gekozen, al binnen een eeuw had de wispelturige Nijl al een groot deel van het bouwwerk verwoest en navolgende bouwmeesters gebruikten dat wat ze konden redden voor de tempels van latere farao’s. Het enige wat restte waren de beelden, van wie niemand weet wie ze eigenlijk voorstellen. Men dacht dat de Ethiopische koning Memnon er iets mee te maken had, maar dat is nooit aangetoond.

In de Romeinse tijd was een van de beelden beroemd vanwege een fluittoon die het produceerde. Dit was ontstaan na een aardbeving en had vermoedelijk te maken met de overgang tussen de koudere nacht en de hete dag. Na een restauratie door keizer Septimius Severus in het jaar 200 hield het fluiten op.

20 milliemes: tempel van Chonsoe, Karnak

Op de 20 millièmes gaan we weer terug naar de overkant en Karnak, tegenwoordig een stadsdeel van Luxor. Hier staan verschillende tempels en de postzegel toont in dit geval de toegangspoort van de tempel van Chonsoe, gebouwd door de laatste ‘grote’ farao Ramses III in de 12’de eeuw v.Chr. en gewijd aan het maankind Chons uit de Egyptische mythologie, zoon van Amon en Mut, aan wie ook tempels gewijd zijn (Amon figureerde in de James Bondfilm The spy who loved me uit 1977). De toegangspoort die we hier zien is overigens pas gebouwd in de tijd van Ptolemaeus III, die ruim 9 eeuwen later regeerde.

50 milliemes: citadel van Cairo

Voor de 50 millièmes gaan we naar Cairo. Helaas niet de mooiste zegel, maar we krijgen wel een mooi beeld van de hooggelegen vesting met daarop de Mohammed Ali-moskee. De citadel werd tussen 1176 en 1183 aangelegd onder het bewind van sultan Salah-ad-Din, die we beter kennen als Saladin, die in 1187 met succes de kruisvaardersstaten te lijf ging, wat een keerpunt was in het streven om het christendom weer de belangrijkste religie van het oostelijk Middellandse Zeegebied te maken.

Een van de uitvalsbases van Saladin was Cairo, een toen nog vrij jonge en onbetekenende stad, maar een uitloper van de Mokattam-berg was uitermate geschikt om de verdediging van het omliggende land op te organiseren. Vervolgens was dit de belangrijkste residentie van iedere leider van Egypte tot het einde van de 19’de eeuw.

De moskee die prominent in beeld is, is de Mohammed Ali-moskee, tussen 1830 en 1848 gebouwd in opdracht van wali Muhammad Ali, onder wie Egypte voor het eerst als een autonome staat binnen het Ottomaanse Rijk geregeerd werd. Voor de bouw liet hij overigens een flink deel van de oude nog veelal middeleeuwse stadswijk afbreken. Voor de bouwstijl keek (de vermoedelijke) architect Yusuf Boshnak vooral naar Turkse voorbeelden. Al met al geen topstuk, maar in ieder geval goed genoeg om een toeristische trekpleister in de stad te zijn.

100 millièmes: de Grote Tempel van Ramses II

De laatste waarde die ik bespreek is de 100 millièmes. Hiervoor gaan we naar Aboe Simbel in het zuiden van Egypte. Op de zegel zien we de Grote Tempel van Ramses II, die farao was tijdens de 19’de dynastie. Hij regeerde maar liefst 66 jaar over Egypte en haalde de voor die tijd enorme leeftijd van 90. Hij was de belangrijkste farao van zijn dynastie en na zijn dood was het in 20 jaar afgelopen en begon dynastie XX, waar Ramses III de belangrijkste was. Ze waren geen familie.

De Grote Tempel is een bijzondere. In plaats van het bouwen op een plat vlak werd deze uit de rots gehouwen. De ingang wordt bewaakt door vier levensgrote beelden van de farao die opdracht gaf tot de bouw, die plaatsvond tussen 1264 en 1244 v.Chr. Generaties na Ramses III verlieten het complex. Zoals ik al schreef had Ramses II zijn machtsbasis in Luxor. In 1813 vond de Zwitser Johann Ludwig Burckhardt (1784-1817) de inmiddels door Saharazand overstuifde tempel.

Met de komst van Gamal Abdel Nasser kwamen ook grote projecten van de grond, zoals de bouw van de nieuwe Aswandam. Deze liet de Nijl zo hoog stijgen dat Aboe Simbel dreigde onder water te komen. Als gevolg van de UNESCO-actie voor de redding van de Nubische monumenten werd tussen 1964 en 1968 het hele complex in stukken gezaagd, 200 meter het binnenland in verplaatst en weer opgebouwd.

De hoogste waarde van 200 millièmes herinnert aan de eerste Aswan-dam, in 1902 voltooid dankzij Britse kennis en financiën.

Wat was er verder nog te beleven in 1914? Mexico was verwikkeld in een al bijna eindeloze reeks revoluties en tegencoups, begonnen in 1910 tegen de liberale dictatuur van Porfirio Díaz (1830-1915) – het zogenaamde Porfiriaat – door de aanhangers van de nog liberalere hervormer Francisco Madero (1873-1913). Complexer werd het toen Madero’s medestanders, volksleiders Emiliano Zapata (1879-1919) en Pancho Villa (1878-1923), zich van hem afkeerden en voorlopig aan het langste eind trokken. In het voorjaar verscheen de Granaditas-zegel uit 1911 met opdruk van monogram GCM, in het najaar met de opdruk GOBIERNO CONSTITUTIONALISTA. Verder waren er op dezelfde zegel nog lokale opdrukken uit de provincies Chihuahua, Culicán, Monterrey en Sinaloa. Deze laatste komen vrijwel alleen ongebruikt voor en veel te duur om te vinden en te kopen. Nog erger is het gesteld met dubbele opdrukken die vanaf december verschenen op zowel de Granaditas als de kathedraal van Mexico-Stad uit 1899.

Ten slotte, op 2 januari, startte Malta met een serie portretten van koning George V, de eerste van dit eiland. Omdat de 1/4 penny dit keer gereserveerd was voor de koning zelf en men toch de haven van Valletta wilde afbeelden, kreeg deze de waarde van 4 pence. Deze zegel kwam pas eerst in augustus 1915 uit, maar hoort dus bij de serie. Waarvan akte.

Volgende keer staat Turkije centraal.

Het tweede deel van 1913 is bijna geheel aan Zuidoost-Europa gewijd.

Ik begin op Samos, een eiland dat op slechts 1,2 kilometer van het Turkse vasteland ligt en als zodanig eeuwenlang als natuurlijk bezit van Turkije gold. Na de Griekse onafhankelijkheidsoorlog veranderde dat en in 1834 werd het prinsdom Samos uitgeroepen, met gekozen prinsen uit de Ottomaanse elite (de eerste was een Bulgaar). Postzegels kwamen er officieel nooit uit, wel een aantal die in de catalogus als ‘niet uitgegeven’ vermeld worden.

In 1912, direct na de opheffing van het prinsdom en de ontruiming van het Turkse garnizoen, veranderde dat: er kwamen drie zegels met de kaart van het eiland uit, direct gevolgd door een Hermeskop, allebei uitgegeven door de voorlopige regering die de aansluiting met Griekenland moest voorbereiden.

In januari 1913 kwam er een serie van 5 uit ter viering van de bevrijding van de Turken in 1824 en in 1912. Hierop staan een paar monumenten uit Pythagoreio, de plaats die naar de wiskundige Pythagoras genoemd is en die werelderfgoed zijn. In 1915 verschenen ze nog overdrukt als allerlaatste uitgifte van het eiland. In alle gevallen moeilijk om aan te komen, maar wie weet.

Op 1 maart kwam de Italiaanse serie van 1911, waarvan ik de 5 centesimi besprak, uit met opdruk van een nieuwe waarde. Dit was in dit geval nog slechts 2 centesimi. Het was de laatste zegel van die toen ook in Italië al minieme waarde. In 1930 kwam er nog eentje uit, speciaal voor blindenpost. De ongebruikte zegel die ik hiernaast toon is weliswaar in de rechter onderhoek beschadigd, maar laat beter dan het gestempelde origineel de fraaiheid van de gravure zien.

Op 29 april (16 april volgens de lokaal nog gebruikte Juliaanse kalender) kwam in Griekenland een serie uit geweid aan het ‘Nieuwe Griekenland’. Dat was tien dagen na het sluiten van een wapenstilstand met de Turken, die bekrachtigd zou worden met de Vrede van Londen op 30 mei. De serie bestond uit twee ontwerpen, de ene een stralend Grieks kruis (ook wel Contantijnskruis) boven de Acropolis met teksten die verwijzen naar de overwinning (NIKA) en de campagne van 1912 (ΕΚΤΣΡΑΤΕΙΑ 1912), de andere een vliegende adelaar (?), die een spartelende slang gevangen houdt met zijn snavel boven de Olympus. Het gaat mij uiteraard om de eerste, waarvan er 9 zijn. (de Olympus in Noord-Griekenland is, anders dan Olympia op de Peloponnesos, geen werelderfgoed).

Hoewel de ontwerpen goed aangepakt zijn is er wel op van alles bezuinigd: de zegels zijn niet getand maar doorstoken en komen op verschillende papiersoorten voor. De kleine waardes zijn vrij makkelijk te krijgen, vanaf 3 Drachmen wordt het moeilijk, de 10 en 25 zijn typische veilingdingen.

De laatste drie zegels komen uit het Ottomaanse Rijk zelf. Dit had in 1913 grote gebieden verloren aan Bulgarije en Griekenland en daar hoorde ook het gebied rond Adrianopel (het huidige Edirne) bij. Edirne gold als laatste bolwerk aan de westzijde van  Constantinopel en ging in de loop der eeuwen regelmatig in andere handen over. In de moderne tijd ging het doorgaans om de Russen, na de onafhankelijkheid van Bulgarije om laatstgenoemde land. Tijdens de Eerste Balkanoorlog veroverden de Bulgaren het weer eens, maar na de Tweede Balkanoorlog, die bedoeld was om de Bulgaarse landhonger in de tomen, kwam het weer terug aan het Ottomaanse Rijk en deze keer was dat definitief. Op 23 oktober kwam er een serietje uit om dit te vieren.

De zegels tonen alle drie het voornaamste monument van de stad: de Moskee van Sultan Selim I, alias de Selimiye, gebouwd in 1575 en een van de topstukken van de architect Koca Mimar Sinan Ağa, kortweg Sinan (1489-1588). Deze was ook verantwoordelijk voor de Süleymaniye-moskee in Istanbul, die 20 jaar eerder voltooid werd, maar Sinan vond zijn werk in Adrianopel een stuk beter dan in Constantinopel. Dat kwam omdat de lichtinval en daarmee de ‘moskeebeleving’ naar eigen zeggen veel beter was. De koepel van de Selimye is ook met ruim 31 meter erg groot te noemen. Bovendien werd de ruimte zo ingericht dat de mihrab, de uitgang die precies in de richting van Mekka ligt, van alle kanten zichtbaar is, zodat de gebeden altijd op de juiste wijze plaats konden vinden.

De Selimye doorstond in 1913 met glans de belegering door de Bulgaren. Na de herovering later in het jaar door de Turken bleek er slechts lichte schade te zijn. Atatürk, vanaf 1922 de leider van de Turkse republiek, besloot dat deze schade nooit gerepareerd mocht worden om toekomstige generaties aan de gevolgen van de Balkanoorlogen en de Eerste Wereldoorlog te herinneren. In 2011 werd de moskee op verzoek van de Turkse regering op de Werelderfgoedlijst gezet met nummer 1366.

Het is een roerig jaar, dat 1913. Een jaar later zou de Grote Oorlog uitbreken, we kennen deze nu als de Eerste Wereldoorlog. Eigenlijk was dit niet de eerste oorlog van deze soort want vanaf de 17’de eeuw waren er al oorlogen uitgevochten die een flink deel van de toen bekende wereld in beslag namen. Neem bijvoorbeeld de Spaanse Successieoorlog, die van 1702 tot 1714 duurde. Heel West-Europa, maar ook de Amerikaanse koloniën waren daarbij betrokken.

Een opmaat voor de Eerste Wereldoorlog waren de Balkanoorlogen, waarbij gevochten werd over de restanten van het Ottomaanse Rijk op de Balkan en wat er daarna bij Griekenland, Bulgarije, Servië en Montenegro zou moeten horen. De oorlog begon in oktober 1912 en negen maanden later waren de Turken aan Europese zijde teruggedreven tot de grenzen zoals ze nu nog ongeveer zijn. De overwinnende partijen leken tevreden te zijn met de uitkomst en uit de puinhopen kon zelfs een nieuw land ontstaan: Albanië, terwijl een groep eilanden in de Egeïsche Zee deels onder Grieks, deels onder Italiaans bestuur kwam.

Na de Vrede van Londen bleven echter met name Griekenland en Servië met een slecht gevoel achter met betrekking tot Macedonië, waar beide landen historisch gezien aanspraak op meenden te moeten maken. Alleen was het gebied niet bij hen terecht gekomen, maar bij Bulgarije, wat het grootste van de Balkanlanden was geworden. Reden om de Bulgaren daar met militaire middelen op te wijzen. Na opnieuw zes weken strijd leverde Bulgarije mokkend een groot deel van Macedonië in, zodat de verhoudingen enigszins eerlijker verdeeld leken.

We naderen de 400 zegels in 1913, wanneer er 24 bijgeteld kunnen worden. Aan een deel daarvan kun je zien dat ze in een oorlogssituatie zijn uitgegeven. Dit gaat, voor zover het Werelderfgoed betreft, om een Griekse serie en om een serie van de kortstondige onafhankelijke staat Samos. Maar ook is er het een en ander dat in vreedzamer omstandigheden werd uitgegeven. Daaraan besteed ik het eerste deel.

In Haïti kwam de serie van 1906 nog eens uit, maar dan in andere kleuren. De 4 centimes was nu in olijfgroen in plaats van rood.

De tweede uitgifte was de laatste vooroorlogse serie van Rusland. Deze werd uitgegeven ter viering van de 300ste verjaardag van de Romanov-dynastie en telde 17 zegels. Die met waardes onder de 1 roebel toonden de tronies van de meest vooraanstaande tsaren en tsarina’s die sinds 1613 aan de macht waren geweest, een aantal kortstondige ‘tussentsaren’ kwam hierbij niet aan bod. De serie werd overdrukt uitgegeven voor de Russische postkantoren in het zieltogende Ottomaanse Rijk.

Op de 1 roebel vinden we het Kremlin in Moskou. Het wordt bijna voluit in beeld gebracht vanaf het zuidoosten en vanuit dat oogpunt zijn vooral de religieuze gebouwen goed te zien, merendeels ontstaan in de periode 1475-1525, de tijd dat het grootvorstendom Moskou op zijn hoogtepunt zou komen onder Ivan III en Vassili III. Een kremlin (letterlijk: versterkte stad) was er al vanaf de 11’de eeuw.

Het begint links met het Grote Kremlin Paleis, een relatief jong gebouw binnen het ensemble. Het werd als Moskouse residentie voor de tsaar gebouwd tussen 1838 en 1849 onder leiding van Konstantin Thon (1794-1881), in zijn tijd de voornaamste Russische architect, die met name kerken bouwde. Tegenwoordig is het de residentie van de president.

Zoals gezegd vooral veel religieuze gebouwen van rond 1500. Direct naast het paleis de kleine Maria Verkondiging-kathedraal, een privékapel van de tsaren uit 1489. Ernaast staat de iets grotere kathedraal van de Aartsengel Michael, die in 1508 voltooid werd op de plattegrond van een kerk uit 1333. In deze kathedraal werden vóór Peter de Grote bijna alle tsaren en grootvorsten begraven.

In dezelfde tijd kwam de klokkentoren van Ivan de Grote gereed. Deze torent met zijn 81 meter overal bovenuit, hoewel de oorspronkelijke hoogte slechts 60 meter was. De naam heeft hij van de tijdens de bouw overleden grootvorst Ivan III (1440-1505), maar hier was al eerder een kerk gewijd aan Johannes (Russisch: Ivan) Klimakos, een in de orthodoxe kerk vereerde heilige.

Voor het overige zien we nog de torentjes van de Maria-Ontslapeniskathedraal uit 1479 en de kerk van de Twaalf Apostelen. In de eerste werden alle tsaren gekroond en worden de patriarchen en metropolieten van de Russisch-orthodoxe kerk begraven. De andere kerk kwam halverwege de 17’de eeuw tot stand, samen met een paleis dat dient als residentie van diezelfde patriarchen.

Het geheel wordt afgesloten met de ommuring en een aantal van de verdedigingstorens, die al of niet fraaie namen hebben. In de Sovjettijd werd vooral de vierkante Spasskaya (‘verlosser’)-toren afgebeeld, maar hier gaat het om de hoektoren, de Beklemishevskaya, genoemd naar een verder onbekend gebleven bojaar. Hij staat ook wel bekend als de Moskou-rivier-toren en stamt uit 1489 met een torenspits van 1680.

De 2 roebel is gewijd aan het Winterpaleis in Sint-Petersburg. We zien het van de kant van de Neva, waar ook – in 2002 in ieder geval – de ingang was van het Hermitagemuseum. De leeuw op de sokkel heeft plaats moeten maken voor het moderne verkeer op de Dvortsovaya Naberezhnaya, wat Google Maps vertaalt naar ‘Palace Embankment’. Dit paleis werd gebouwd in opdracht van tsarina Elisabeth I, dochter van Peter de Grote. Zij was de heerseres van Rusland van 1741 tot haar dood in 1761 en staat geportretteerd op de 50 kopeken van de serie. Ze zou de voltooiing van het door de Italiaan in Russische dienst Bartolomeo Rastrelli (1700-1773) ontworpen paleis met 1500 kamers niet meer meemaken, want dat gebeurde in 1762. Toen was de kleinzoon van Peter de Grote als Peter III op de tsarentroon gekomen, maar die werd volkomen gedomineerd door zijn echtgenote Catharina: na Peters mysterieuze en waarschijnlijk door Catharina veroorzaakte overlijden bleef deze de rest van de eeuw de touwtjes stevig in handen houden. Enfin, het was niet de eerste smet op de Russische dynastie en het zou zeker ook niet de laatste zijn. Het Winterpaleis zou in de geschiedenis van de Romanovs een prominente maar vaak ook duistere rol blijven vervullen.

Het Winterpaleis zoals we het kennen was niet de eerste versie maar de vierde. In 1703 had Peter de Grote de stad gesticht, om toegang te hebben op de Oostzee, maar ook als provocatie naar Zweden, welk land hij graag verving als belangrijke macht in het gebied. Hierom werd tussen 1700 en 1721 de Grote Noordse Oorlog uitgevochten, in dezelfde tijd als de Spaanse Successieoorlog dus. De Zweden waren de eerste jaren oppermachtig, maar in 1709 keerde het tij en kregen de Russen de overhand: ze lokten door de beruchte tactiek van de verschroeide aarde de Zweedse koning Karel XII zover zuidelijk dat toen het te laat was deze zijn toevlucht in het Ottomaanse Rijk moest zoeken.

Peter begon in zijn nieuwe stad eenvoudig in een houten huisje van het model zoals waar hij eerder woonde in Zaandam. Het is net als de Zaanse evenknie nog te bezichtigen. Van hieruit kon hij de bouw van het Petrus-en-Paulusfort overzien. Pas in 1711 was zijn eerste echte Winterpaleis klaar. De tsaar was niet gauw tevreden, versie 2 kwam na een grondige verbouwing van versie 1 klaar in 1721. Hier stierf Peter in 1725, maar zijn echtgenote Catharina I nam het stokje over en al in 1727 resulteerde dit in versie 3.

Het had niet veel gescheeld of in 1837 moest er ook een versie 5 komen, omdat door een brand het totale interieur vernietigd werd. De kunstcollectie, grotendeels door Catharina de Grote bijeengebracht, kon gelukkig behouden worden en zou in 1852 voor het publiek geopend worden in de naastgelegen Hermitage.

De laatste tsaar die het Winterpaleis als residentie gebruikte was Alexander II, vermoord in 1881. Zijn opvolgers Alexander III en Nicolaas II gebruikten het alleen nog als werkpaleis en voor speciale gelegenheden. Dit bleef zo tot het einde in 1917. Na de Oktoberrevolutie bestemden de nieuwe leiders het complex als uitbreiding van de kunstcollectie van de Hermitage. Dat ging niet zonder slag of stoot, want het paleis moest eerst met de nodige schade veroverd worden op de voorlopige regering van Alexander Kerenski, die plaatsgenomen had in een vleugel van het gebouw.

In het andere deel van 1913 ga ik in op uitgiften van Griekenland en het Ottomaanse Rijk.

Ook over 1912 kan ik heel kort zijn, slechts vier zegels, maar toch ook een nieuw onderwerp. Drie van de vier heb ik er.

Dit korte jaar begon op 25 april met de uitgifte van twee zegels in Italië. Deze kwamen er ter gelegenheid van de opening van de herbouwde campanile van de San Marco-basiliek in Venetië op die dag.

Venetië, ooit een vluchtplaats voor door invallende buurvolken verdreven Romeinen, kwam als stadstaat op in de 7’de eeuw en nam als snel in belang toe. In 810 verhuisde doge Agnello Participazio, de leider van Venetië, naar het eiland Rialto en liet daar een eerste dogepaleis bouwen. Niet veel later gaf zijn zoon Giustiniano, doge vanaf 825, opdracht voor een kerk naast dit paleis, gewijd aan St. Marcus en met de bedoeling om de stoffelijke resten van de in het jaar 65 gestorven evangelist onder te brengen. Deze waren door enkele kooplieden gestolen uit Alexandrië, waar de heilige tot dan toe was begraven.

Nadat de kerk een aantal malen was verbrand en weer opgebouwd werd in 1063 het begin gemaakt met de huidige kerk, die al in het jaar 1117 gewijd kon worden. Al in de eerste eeuw na de bouw werd de inrichting aangevuld met kunstwerken die simpelweg tijdens de kruistochten veroverd waren in onder andere Byzantium.

De eerste klokkentoren werd in de loop van de 10’de eeuw gebouwd als uitkijkpost die diende om zicht te hebben op eventuele invallers. Pas in de tweede helft van de 12’de eeuw werden er klokken in gehangen. Verdere her- en verbouwingen, vooral als gevolg van blikseminslagen en aardbevingen duurden tot in 1514, toen de campanile uiteindelijk zijn huidige aanzicht kreeg. In de eeuwen die volgden kreeg de toren nog te maken met vele blikseminslagen en de bijbehorende reparaties.

1902 was een rampjaar voor Venetië en met name de campanile. Al in 1874 was geconstateerd dat de fundering in slechte staat was, maar een structurele oplossing was volgens de bouwkundigen van die dagen nog niet echt nodig, dus het beleef bij kleinere reparaties. In juli 1902 was men bezig aan het herstellen van de het dak van de Loggetta del Sansovino aan de voet van de toren. Tijdens het vervangen van een verbindingsbalk op 12 juli merkten de werklieden al op dat de toren stond te trillen, maar men weet dat aan het geweld waarmee een nieuwe balk op zijn plaats geslagen werd. Toch werd besloten het bouwwerk nauwlettend in de gaten te houden. Op zondag 13 juli bleek de situatie ernstiger dan gedacht en werden zondagse bijeenkomsten op het San Marcoplein al verboden. In de ochtend van 14 juli ging het mis, er liet pleisterwerk van de toren los en om 9:30 werd bevolen dat iedereen het plein moest ontruimen. Dit was net op tijd, want om 9:53 stortte de gehele toren in, waarbij slechts één dodelijk slachtoffer viel te betreuren: de kat van een bewaker. De materiële schade bleef beperkt tot de campanile zelf en de loggetta. Nog dezelfde dag besloot de gemeenteraad dat beiden herbouwd moesten worden. Voor dit project hoestten de stad en de Italiaanse belastingbetaler 500.000 lire op. Koning Victor Emanuel III legde daar uit eigen zak nog 100.000 lire bij.

De herbouw gebeurde in de volgende 10 jaar en op de feestdag van St. Marcus, 25 april 1912 werden de campanile en de loggetta heropend. Volgens overlevering was dit ook exact 1000 jaar na de start van de bouw van de wachttoren.

De postzegels van 5 en 15 centesimi zoals hierboven weergegeven werden ontworpen door de Venetiaanse kunstenaar Augusto Sezanne (1856-1935), die ook verantwoordelijk was voor de rest van de merchandising rondom de heropening van de campanile, zoals hij ook deed voor de vele festiviteiten die in de stad plaats vonden. Posters van zijn hand brengen op veilingen flinke bedragen op.

We zien de toren over de koepels van de basiliek met op de top het beeld van de aartsengel Gabriël en verderop nog enkele beroemde gebouwen met het meest in het oog springend een van de ‘andere’ basilieken (er zijn er vier), die van Santa Maria della Salute, een barokke kerk uit de 17’de eeuw. De jaartallen 1902 en 1912 worden weergegeven en de tekst COME ERA, DOVE ERA (‘hoe het was en waar het was’), om aan te geven dat de campanile precies in dezelfde staat en op dezelfde plek teruggebracht was. Mooie zegels, al zeg ik het zelf.

Wat was er nog meer in 1912? In juni kwamen er drie aanvullende frankeerzegels uit in Bosnië-Hercegovina. Op de 72 heller zien we het stadje Višegrad met de laat-16’de eeuwse Mehmed Paša Sokolović-brug, die sinds 2007 op de werelderfgoedlijst staat.

Ten slotte in september weer een reeksje beroemdheden en het landswapen van Bolivia. De laatste zegel was gelijk aan de uitvoering van 1901, maar nu in de kleur zwart. Waarvan akte met een plaatje.

1911 telde slechts 10 zegels. Dat is niet zoveel, maar er waren wel twee nieuwe landen met dus twee nieuwe onderwerpen. Ga mee naar Italië en Bulgarije.

Maar eerste even kort naar Tasmanië. In 1911 kwamen definitief de laatste zegels hier uit. Het waren nog een drietal waarden van de serie van 1898, waar ook de 4 pence met de Russell Falls bij was. Deze keer in boekdruk.

Zoals vorige keer gemeld kwam Zwitserland met een serie portvrijdomzegels, bedoeld voor instanties die wettelijk geen port hoefden te betalen, in dit geval organisaties voor het ‘algemeen nut’. De serie was dezelfde als de portzegels van 1910, dus met de alpenrozen en in een iets afwijkende kleur. De zegels hadden wel een frankeerwaarde, maar in het waardekadertje is die vergezeld van twee letters P. Welke organisatie het betrof is te zien aan een controlenummer van drie cijfers bovenaan de zegel. Zegels zonder controlenummer zijn aanzienlijk duurder. Het nummer van deze serie heeft altijd kleine cijfers, latere uitgiften hebben grotere cijfers.

De Mexicaanse onafhankelijkheidsserie van 1910 werd in 1911 als dienstzegels heruitgegeven met opdruk OFICIAL, waaronder ook de Granaditas van 5 pesos. Deze zullen we voorlopig niet in de verzameling aantreffen wegens de prijs en de verkrijgbaarheid.

Bulgarije gaf op 14 februari een serie van 12 frankeerzegels uit met verschillende onderwerpen. Naast portretten van tsaar Ferdinand waren dat ook landschappen. Op de zegel van 30 stotinki zie je de binnenhof van het Rila-klooster, gelegen in het Rilagebergte zo’n 120 kilometer ten zuiden van Sofia. Het Rilaklooster is gesticht in de eerste helft van de 10’de eeuw door de  volgelingen van de kluizenaar Ivan van Rila (876-946), die in de orthodoxe kerk zijn feestdag heeft op 19 oktober. Rond zijn 25’ste verjaardag verliet hij zijn bestaan als herder om zijn leven aan God te wijden. Eenmaal monnik geworden, trok hij naar het Rila-gebergte waar hij de rest van zijn leven biddend in een grot sleet en wonderen verrichtte voor de lokale bevolking. Hiermee verkreeg hij een schare volgelingen die hun kampen in de buurt van de kluizenaarsgrot stichtten. Uit deze nederzettinkjes ontstond wat later een eerste klooster.

Het huidige klooster begon zijn bestaan in de 14’de eeuw, delen ervan zoals de Hreljatoren, genoemd naar de toenmalige bouwheer, en een kapel daarnaast, werden gebouwd tussen 1334 en 1340. Het complex breidde zich gaandeweg uit en in 1469 konden de resten van Ivan van Rila, die in Sofia rustten, overgebracht worden. In 1833 viel het klooster ten prooi aan brand, maar werd in de volgende 30 jaar herbouwd. In 1983 kwam het als nummer 216 op de Werelderfgoedlijst. Het fungeert nog steeds als klooster, maar er is ook een museum en het is nu een van de toeristische trekpleisters van Bulgarije.

Italië vierde zijn 50’ste verjaardag op 1 mei met een serie van vier toeslagzegels om de festiviteiten te ondersteunen. Op de zegels allemaal symbolische afbeeldingen, maar om de 5 centesimi gaat het hier. Te zien is hier een ruiter met paard. Het lijkt me meer iemand die het paard probeert te temmen, want hoe moet je opstijgen met een zwaard in je linkerhand. En waar laat je dat in al je blootheid. Enfin, daar gaat het verder niet om, wel om het gebouw op de achtergrond. Dit is het Senatorenpaleis in Rome, wat nu dienstdoet als stadhuis. Het staat aan het imposante Piazza del Campidoglio, het hart van een van de zeven heuvels waarop Rome gebouwd is. Direct achter het stadhuis ligt het Forum Romanum, dus we zijn hier in het werkelijk oude Rome.

Een senaatsgebouw was er al voor onze huidige tijdrekening, maar zoals dat wel vaker ging in de Middeleeuwen verviel dit gaandeweg. Een deel van het gebouw werd gebruikt als Tabularium, eigenlijk een eerste vorm van een stadsarchief, waar de belangrijkste documenten werden bewaard. Dit deel werd in de 12’de eeuw door de aanzienlijke familie Corsi van het stof ontdaan en omgebouwd tot hun eigen stadspaleis. Lag de hoofdingang ooit aan de kant van het Forum, nu kwam deze aan de andere kant.

In de tweede helft van de 16’de eeuw volgde een aanzienlijke verbouwing, die het paleis zijn huidige aanzicht gaf. De ontwerper van al dit moois was Michelangelo, onder wiens toezicht de dubbele trap ontstond en de inrichting van het plein, waaraan in deze tijd ook het Palazzo Conservatori en het Palazzo Nuovo (beide vormen nu het Capitolijns Museum) verrezen.

Nadat Rome definitief tot Italië was gaan horen na de verovering van het restant van de Kerkstaat in 1870 werd het Senatorenpaleis ingericht als stadhuis en dat is het tot de dag van vandaag.

Het andere bouwwerk, links van het paard, is de Mole Antonelliana, een opvallend gebouw in Turijn uit 1863, ooit bedoeld als synagoge, maar nu de behuizing van een filmmuseum. Turijn was vóór 1871 de hoofdstad van het in 1861 verenigde Italië en als waardering daarvoor is de Mole ook te zien op het euromuntje van 2 cent. In Turijn zijn alleen de drie koninklijke paleizen werelderfgoed. Daarover later.