8 september 2014 was een dag die de filatelistische wereld nog lang zal heugen. Conservatieve verzamelaars uit meestal confessionele hoek konden het niet waarderen, de progressieve kant vond het wel mooi: het Finse velletje gewijd aan het werk van de kunstenaar Tom of Finland (1920-1991), die gespecialiseerd was in homo-erotische kunst, stoere mannen met leer en petten en zo. Was dat nou de eerste keer dat zoiets op een postzegel kwam? Vrouwelijk naakt was al lang bekend. In 1930 zette Spanje pontificaal de Naakte Maya van Francisco Goya op een postzegel en ook een land als Roemenië wist er rond 1970 wel raad mee. Mannelijk naakt was er in symbolische zin al wel in de 19’de eeuw, zie bijvoorbeeld mijn stukje over Paix et Commerce. Maar een stel naakt worstelende mannen, daarmee had Griekenland de primeur.

De serie van 14 zegels, uitgegeven op 25 maart (oude stijl) was gewijd aan de Olympische Spelen van 1906 in Athene. In 1900 en 1904 hadden Parijs en St. Louis Olympische Spelen gehouden, gekoppeld aan een Wereldtentoonstelling. De Grieken wilden gewoon weer terug naar de sport en organiseerden in 1906 een kortdurend sportevenement van slechts 12 dagen en het was de bedoeling dat naast de grote Spelen in ieder tussenjaar er kleine Spelen kwamen, maar in 1910 kreeg Griekenland de organisatie niet rond, mede door de oorlogsdreiging op de Balkan, waarna het plan verder geschrapt werd. Bovendien maakte Londen in 1908 er ook een puur sportfestijn van, zonder de toeters en bellen van een Wereldtentoonstelling.

Op alle zegels zien we afbeeldingen uit de klassieke Griekse mythologie. De worstelaars zijn dan ook niet zomaar worstelaars, maar mythologische figuren. De Michelcatalogus noemt ze Herakles en Antaios, maar dat lijkt me sterk. Antaios was immers een reus, die nimmer verslagen kon worden en de enige die het wel lukte was Herakles, die ontdekte dat Antaios alleen maar sterk was als hij in verbinding met Moeder Aarde stond. Door hem op te tillen verloor hij het contact en was dus hulpeloos. Dit zien we niet op deze zegel gebeuren.

De mannen vechten aan de voet van de Akropolis van Athene, reden waarom hij in de collectie thuis hoort. De Akropolis had al in 1300 v.Chr. een nederzetting, maar de beroemde bouwwerken zoals het Parthenon en het Erechteion werden opgericht in de 5’de eeuw v.Chr. Ze werden in 1987 als nummer 404 ingeschreven op de lijst.

Op 28 juli was het de beurt aan Haïti. Hier kwam een serie van 13 waarden uit voor gebruik op post naar het buitenland. De onderwerpen waren een aantal highlights van Port-au-Prince, een portret van regerend president Nord-Alexis (1820-1910) en het staatswapen. Op de 4 Centimes de Piastre komen we het enige werelderfgoed van Haïti tegen, namelijk slot Sans-Souci, in 1982 als nummer 180 ingeschreven.

Sans-Souci is nog niet heel oud. Het werd tussen 1810 en 1813, kort na de onafhankelijkheid van Haïti, gebouwd in opdracht van Henri Christophe. Hij was het tweede staatshoofd van het land en de enige die zich koning noemde als Henri I, voordat in 1820 een republikeinse staatsvorm gekozen werd, die in 1849 voor 10 jaar onderbroken werd door een keizerrijk. Sans-Souci was een van de vele bouwwerken die in zijn tijd verrezen, maar in dit geval moest het wel paleizen als Versailles, Schönbrunn en de naamgenoot in Potsdam naar de kroon steken. Het verrees op de plaats van een plantage waar Christophe eerder de scepter zwaaide. In 1820 pleegde hij er zelfmoord, waarna de republiek werd uitgeroepen. In 1842 werd het eens zo roemruchte paleis getroffen door een zware aardbeving en is sinds die tijd een ruïne.

Voor het laatste nieuwe onderwerp gaan we naar Bosnië-Hercegovina, dat sinds 1879 bezet was door Oostenrijk-Hongarije en in 1908 zelfs geannexeerd werd. Tot 1906 verschenen er postzegels met wapenschilden om aan te geven wie er de baas was, maar op 1 november kwam daar verandering in met een serie van 16 verschillende plaatjes van landschappen, stadsgezichten, postale vervoermiddelen als een pakezel, een postkoets en zelfs een postauto (als ik het wel heb de eerste auto ooit op een postzegel!), terwijl de hoogste waarde van 5 kronen gereserveerd was voor keizer Franz-Josef II.

Op de 2 en de 20 heller zien we twee verschillende afbeeldingen van Mostar. Op de 2 heller kijken we op de stad vanaf de zuidzijde en over de rivier de Neretva en zien daarmee het grootste deel van de oude moslimstad, op de 20 staan we een stuk dichter bij de brug.

De Stari Most in kwestie werd in 1566 voltooid en verving een ouder houten exemplaar. Vers op het netvlies van velen staan de beelden uit de herfst van 1993 toen de brug verwoest werd door…, ja door wie eigenlijk? De moslims (Bosniakken) gaven de Kroaten de schuld en andersom. De waarheid ligt ergens in het midden en dan iets aan de Kroatische kant volgens de laatste berichten. In 2001 startte de herbouw, in 2004 werd de brug feestelijk heropend en in 2005 volgde inschrijving op de Werelderfgoedlijst als nummer 946. Mostar is nu weer het vredige toeristenstadje van weleer al heerst er nog steeds een psychologische scheiding tussen de katholieke Kroaten en de islamitische Bosniërs, die elk in hun eigen deel van de stad wonen. Het jaarlijkse brugspringen, een heldhaftige toer die je vanaf 20 meter hoog in de koude Neretva brengt is in ieder geval weer in ere hersteld en is nog altijd het grootste evenement in Mostar.

 

Na een weinig opzienbarend 1905 was 1906 ineens een stuk leuker. Er waren slechts 12 zegels maar daar heb ik er wel 10 van en ook het aantal nieuwe onderwerpen was ‘groot’ (vier stuks). Dit verhaal wordt dan ook weer in tweeën gesplitst, waarbij vandaag aandacht voor Egypte en Tunesië.

Het begon met een oude bekende uit Egypte. Deze kennen we nog in dezelfde kleur en met de waarde van 5 millièmes. Het zou de laatste nieuwe waarde in deze serie worden, voordat in 1914 een nieuwe serie zou verschijnen.

Een nieuwe ster aan het firmament was Tunesië. Dit land was in 1881 een protectoraat van Frankrijk geworden en gaf vanaf 1888 ook postzegels uit, allemaal met het wapen van de bey, de hoogste gezagsdrager van Tunesië tot het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1956.

In 1906 kwam daar verandering in met een serie van 15 zegels met 4 verschillende motieven.
De eerste vier zegels met de kleine waardes van 1, 2, 3 en 5 centimes tonen de moskee van Kairouan, zoals op drie daarvan getoond.

Moskee van Kairouan

Kairouan is een stad in centraal Tunesië, die voor het eerst vermeld werd in het jaar 670, kort na de stichting van het Kalifaat van de Ummayaden, die enkele decennia later ook over Spanje zouden heersen. De stad verwierf al gauw faam vanwege zijn koranscholen en was in religieuze zin de derde stad van de toenmalige soenitische moslimwereld, na Mekka en Medina. Centraal stond de Grote Moskee ofwel de Uqba-moskee, vernoemd naar de stichter van de stad Uqba ibn Nafi (622-683). De bouw startte in dezelfde tijd, maar het grootste deel van het werk werd geleverd en voltooid tussen 836 en 862. Kairouan zou zijn status als middelpunt van de moslimwereld houden tot het midden van de 11’de eeuw, toen deze rol door Tunis overgenomen werd. Deze stad bestond al veel langer en had zijn bekendheid met name te danken het nabijgelegen Carthago, waar ik zo op terug kom.

De postzegel toont een tweetal Arabieren op het grote binnenplein van de moskee met de plompe vierkante minaret – de oudste nog bestaande ter wereld! – aan de noordzijde. Het ontwerp van de zegels is van de in Noord-Afrika werkzame kunstschilder Louis-Jules Dumoulin (1860-1924), de zegels werden in plaat gezet door Jules-Jacques Puyplat (1843-1916), die verantwoordelijk was voor bijna iedere Franse koloniale postzegel. Hun namen zijn vereeuwigd onderaan de postzegels.

Op de postzegels van 10, 15, 20 en 25 centimes zien we een Arabier en een Fransman samen aan een ploeg. Dat dit wel een erg romantische weergave van de vaak moeilijke relatie tussen kolonie en kolonisator is mag duidelijk zijn…

De volgende set van vier betreft de 30, 35, 40 en 75 centimes. Hierop vinden we de restanten van een aquaduct uit de tijd van keizer Hadrianus (die van de Hadrian Wall) nabij Zagouan, zo’n 30 kilometer ten zuiden van Tunis. Dit staat sinds 2012 op de ‘tentative list’, maar voorlopig zullen we deze Romeinse monumenten nog niet op de echte lijst tegenkomen.

De drie hoogste waardes zijn gewijd aan Carthago. Wie aan Tunesië denkt zal mogelijk in de eerste plaats aan dit oude wereldrijk denken. Carthago werd in de 9’de eeuw voor Christus gesticht door Fenicische handelaren  en wist zich gedurende de volgende eeuwen gestaag uit te breiden over het hele westelijk Middellandse Zeegebied. De kusten van heel Noord-Afrika en Zuid-Spanje hoorden ertoe en ook de Balearen (Ibiza, Mallorca en Menorca), Sardinië, Corsica en Sicilië hebben tot het Carthaagse rijk gehoord. De macht van de Carthagers was een doorn in het oog van het opkomende Romeinse Rijk en dat leidde tot de Punische Oorlogen waarvan de eerste uitgevochten werd tussen 264 en 241 voor Christus. Tijdens deze oorlog werd Sicilië veroverd door de Romeinen. In de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr) veroverden de Romeinen het Iberisch schiereiland op de Carthagers na een moeizame strijd waarvan het optreden van generaal Hannibal Barca door velen herinnerd wordt. Hij trachtte Rome via een omslachtige route via het noorden aan te vallen en trok met een leger olifanten over de Alpen. Dankzij Hannibal wist Carthago lange tijd aan het langste eind te trekken, maar het voortdurend uit de weg gaan van de strijd was uiteindelijk in het voordeel van de Romeinen.

De Derde Punische Oorlog bracht ten slotte de nekslag voor Carthago. Rome was een stad geworden met zo’n 400.000 inwoners en om die te voeden moesten nieuwe landbouwgronden gevonden worden. Die waren in Carthago ruim voorhanden en een factie onder leiding van Cato de Oude (234-149) wilde daarom wederom ten strijde trekken om de staat definitief te veroveren. Aan Cato wordt de uitspraak ‘Ceterum censeo Carthaginem esse delendam‘ (Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden) toegeschreven. Naar verluid eindigde hij iedere speech voor de senaat ermee. 

Cato overleed in het jaar dat de oorlog uitbrak, maar het resultaat zou hem zeker tevreden gesteld hebben: binnen drie jaar hadden de Romeinen zijn vurigste wens uitgevoerd en was Carthago in puin achtergebleven. De restanten zijn nog steeds terug te vinden en werden in 1979 ingeschreven op de Werelderfgoedlijst onder nummer 37.

Op de postzegels zien we waarmee de Carthagers hun brood verdienden, de zeehandel. De Carthaagse schepen waren wereldberoemd en werden later door de Romeinen gekopieerd. Ze waren door een gewiekste combinatie van wind- en spierkracht tamelijk snel en wendbaar. Het plaatje van de postzegel (wederom van Dumoulin en Puyplat) suggereert dat er maar 54 roeiers nodig waren, uitgaande van drie per riem, waarvan we er negen zien aan deze kant. Aan de zijkanten van de zegel enkele beeltenissen die aan Carthago gelinkt worden. Links is een staande versie van de beeltenis van een sarcofaagdeksel zoals te vinden in het Carthaags museum. Het rechter beeldje is niet te traceren. Verder zien we links bovenin een Carthaagse munt met daarop een paard. Andere symbolen verwijzen naar het Tunesië van rond 1900.

In het andere deel ga ik naar Griekenland, Haïti en Bosnië. Slechts vier zegels met drie verschillende verhalen.

 

Het jaar 1905 is niet spannend, één nieuw onderwerp en maar twee zegels om te laten zien.

Net als in de andere Australische koloniën die de nieuwe staat Australië zouden vormen werden op Tasmanië de lopende frankeerzegels uitgegeven met watermerk ‘gekroonde A’. Anders dan de uitgifte van 1902 betrof het hier niet alleen de halve penny met Lake Marion, maar ook de zegels van 3 en 4 pence die nu voor het eerst ook in steendruk verschenen. De 3 komt ook in boekdruk voor.

Ook Brazilië ging op herhaling met de lopende zegels, ditmaal voorzien van watermerk ‘CORREIO FEDERAL’ of ‘IMPOSTO DE CONSUMO’. Van dit watermerk zijn per zegel maar hooguit twee letters te zien.

Cuba bracht de zegels van 1899, waaronder het standbeeld van Columbus, opnieuw uit. Deze zijn herkenbaar aan een licht gewijzigde tekening. Zo heeft het plaatje met het woord CENTAVO geen rechte hoeken meer, maar uitgeholde.

Het nieuwe onderwerp werd het stokpaardje van de toenmalige British South Africa Company, in 1889 opgericht door Cecil Rhodes. In het begin besloeg deze het gebied van het huidige Zambia en Zimbabwe en een stukje Botswana en het gaf onder eigen naam postzegels uit, voordat het in Noord- en Zuid-Rhodesië uiteen zou vallen, die vanaf 1924 eigen postzegels uit zouden geven.

Tot 1905 gaf de BSAC alleen wapenschilden van de compagnie uit, maar de verandering was er wel een van formaat: de in 1855 door David Livingstone ‘ontdekte’ Victoria Watervallen staan er op. In allerlei vormen werden deze tot ongeveer 1940 postaal uitgemolken. Deze eerste serie, aan de loketten vanaf 13 juli 1905, bevatte 6 zegels en werden officieel uitgegeven voor de opening van Victoria Falls Bridge, die op 12 september plaats zou vinden. De serie had de waardes 1 penny, 2 1/2 en 5 pence, 1 shilling, 2 shillings 6 pence en 5 shillings. Het spreekt voor zich dat ze niet goedkoop zijn, zeker de vier hoogste waardes.

De laatste uitgifte was op 1 september en kwam uit San Marino. De Monte Titanozegel van 20 centesimi uit 1903 werd overdrukt met het jaartal 1905 en de nieuwe waarde van 15 centesimi.

 

In 1904 werden er maar 9 zegels voor de collectie uitgegeven, dat is niet veel en ik heb er zelfs 5 van, dus een van de betere jaren uit deze periode.

Brazilië bracht de serie met het Zuiderkruis boven de Baai van Rio de Janeiro, de Vrijheidskop en de Mercuriuskop opnieuw uit maar dit keer wat ruimer bemeten zodat bij de meeste zegels het complete zegelbeeld te zien is. Van de drie Rio-zegels heb ik er een, namelijk de 10 Reis.

Noord-Borneo kwam voor de laatste keer met een Kinabalu-zegel uit de serie van 1897. Iedere zegel van de serie en dus ook de 18 cents kreeg een opdruk van 4 cents, maar in een andere vorm als die uit 1899. Uiteraard volgde de Labuanversie later in het jaar.

In het Britse Rijk werd een nieuw koloniaal watermerk ingevoerd. Ooit was men begonnen met watermerk ‘Kroon CC’. Deze werd rond 1880 vervangen door ‘Kroon CA enkelvoudig’. Drie jaar na het aantreden van koning Edward VII volgde een variant daarop: ‘Kroon CA meervoudig’. De Farthingzegel van Malta met de haven van Valletta ontkwam hier natuurlijk ook niet aan.

Op 18 december ten slotte kwam er een serie van vier toeslagzegels uit in Rusland. Toeslagzegels waren nieuw in de wereld van de postzegels en voor zover ik weet waren dit de eerste ter wereld. Ze werden gebruikt voor oorlogswezen want in februari van dit jaar was de Russisch-Japanse oorlog uitgebroken om de tegenstrijdige belangen van de twee landen in het uiterste oosten van het Russische Rijk uit te vechten. Japan wilde meer invloed in de regio: ze beschouwden Korea en het daar noordelijk van gelegen Mantsjoerije tot hun invloedssfeer en de verovering van deze gebieden zou grote invloed hebben voor de enige Russische haven in de regio die het hele jaar bereikbaar was, het toen en nu in China gelegen Lüshunkou, vroeger bekend als Port Arthur. Deze haven was in 1898 voor 25 jaar van de Chinezen gepacht. Het was dan ook geen wonder dat Rusland hiervoor wilde vechten, maar de oorlog verliep rampzalig en de oorlogswezenzegels waren daar het eerste teken van. Ruim een maand na de uitgifte ging het verder bergafwaarts en in Sint-Petersburg leidde dit tot de bloedig neergeslagen Januarirevolutie van 1905. In september werd bij de Vrede van Portsmouth het pachtverdrag nietig verklaard en had Japan de gewenste invloed in de regio. In 1908 werd Korea zelfs ingelijfd, 24 jaar later werd Mantsjoerije een satellietstaat van Japan.

Alle vier de zegels werden verkocht tegen 3 kopeken meer dan de aangegeven waarde. De UPU stond dat toe, maar het mocht niet opzichtig op de postzegels staan. Op deze zegels zie je de postale waarde en ook het te betalen bedrag aangegeven. Ook op Nederlandse zegels voor het goede doel zie je dit: pas in 1949 werd voor het eerst de toeslag in het zegel vermeld, terwijl voor die tijd er een klein regeltje onder het zegelbeeld aangaf wat je extra moest betalen (en hoe lang de zegel geldig was voor gebruik).

De zegel van 3 kopeken toont het monument voor admiraal Vladimir Kornilov (1806-1854), die gesneuveld was in de Krim-oorlog. Op de plaats waar hij, nabij Sebastopol, dodelijk getroffen werd tijdens een Frans-Britse aanval op 5 oktober 1854 werd een monument opgericht, wat op die postzegel te zien is. Sebastopol hoort niet tot het werelderfgoed, dus hiervan niets in de collectie.

De zegel van 5 kopeken laat het monument voor Minin en Pozjarski zien, dat sinds jaar en dag aan de voet van de Basiliuskathedraal op het Rode Plein in Moskou staat. Kuzma Minin (?-1613) en Dimitri Pozjarski (1577-1642) waren helden van de oorlog tussen Moskou en Polen in 1611 en 1612. Minin was een vleeskoopman uit Nizjny Novgorod en was namens die stad verkozen om Moskou te helpen verdedigen tegen de Poolse bezetters, Pozjarski was een prins uit een gegoede familie die de leiding kreeg over de door Minin gerekruteerde milities. Ze slaagden daar goed in, de Polen werden het land uitgejaagd en daarmee eindigde de Tijd der Troebelen en kwam er een nieuwe familie aan de macht in Moskou, geleid door een zekere Michael Romanov.

Op de postzegel van 7 kopeken een andere beroemdheid en nazaat van Michael Romanov. Het is tsaar Peter de Grote (1672-1725), wiens ruiterstandbeeld in Sint-Petersburg we zien. Het werd tussen 1878 en 1890 gemaakt door een onbekende beeldhouwer en bevindt zich nabij het senaatsgebouw aan de Neva.

De laatste van de serie is de 10 kopeken en deze laat een ensemble van gebouwen zien van het Kremlin in Moskou. We zien als hoogste prominent in beeld de 81 meter hoge klokkentoren van Ivan de Grote (1440-1505), die in opdracht van zijn zoon Vassili kort na zijn dood gebouwd werd. Ernaast de Hemelvaartstoren, die zo’n 30 jaar later werd gebouwd. Veel van de ander bouwsels op de postzegel zijn niet te herkennen.

Zowel Moskou als Sint-Petersburg werden in 1990 op de werelderfgoedlijst gezet.

 

Monte Titano 1903

In het jaar 1903 kwamen er weer 26 zegels bij, waarmee het totaal op 237 kwam. Toch waren er maar vijf landen bij betrokken, waarvan drie nieuwe en er was één nieuw erfgoed bij,

Om te beginnen gaan we naar Noord-Borneo waar de eerder met BRITISH PROTECTORATE overdrukte Kinabaluzegel, als extra opdruk POSTAGE DUE kreeg, zodat er, een beetje vreemd, BRITISH POSTAGE DUE PROTECTORATE stond. Werd hiermee de ware bedoeling van de Britten ontmaskerd? Nu, bij de 18 cents toch niet, de oorspronkelijke opdruk was in rood, de nieuwe in zwart. Overigens zijn deze portzegels lastig te vinden.

Een onder Nieuwzeelands bestuur gekomen Zuidzee-eiland gaf zijn eerste zegels uit. Dit was Aitutaki, dat formeel tot de Cook-eilanden hoort.  Let op de lokale waarde-aanduiding: deze luidt voor de 2 1/2 aldus: Rua Pene Ma Te Ava (Twee Penny En Een Half). Niue, dat in 1902 al begonnen was, volgde met opdrukken op nieuwere uitgiftes van Nieuw-Zeeland,

Uitzicht op Monte Titano (eigen foto 6-8-2007)

San Marino kwam met een opvolger van de wapenserie, nu met een tekening van Monte Titano zelf. Nog niet helemaal zoals het in werkelijkheid is, want de rookpluimen zijn gefantaseerd, maar evengoed is het al een stuk minder geromantiseerd dan de wapenschildjes. De serie bevatte 12 waardes, waarvan 11 met de Tre Penne en werd nog enkele keren herhaald met andere kleuren en/of waardes.

De laatste uitgifte die ik kort bespreek is de serie ‘Gezicht op Roseau’ die vanaf september op het Caribische eiland Dominica verscheen en wat ik vorige keer al kort aanstipte. Roseau is de hoofdplaats van het op een zondag in 1493 door Columbus ontdekte eiland. Zoals de naam Roseau doet vermoeden is ook Dominica lange tijd Frans geweest. Het ligt ook precies tussen twee nog wél Franse eilanden in: Guadeloupe en Martinique, maar is sinds 1763 Brits en sinds 1978 onafhankelijk. Het is het enige eiland waar nog zo’n 3000 van de oorspronkelijke bewoners (Cariben) wonen.

De serie Gezicht op Roseau geeft niet alleen een blik op de hoofdplaats, maar ook op het erachter liggende nationale park Morne Trois Pitons, dat met nummer 804 werd ingeschreven in 1997. De serie is 9 waardes groot en is er in vier varianten waarvan de eerste dus in 1903 verscheen. In 1907 kwam der serie uit met een nieuw watermerk en in 1908 met alle zegels in één kleur, waar de voorgangers twee kleuren hadden. In 1921 de zegels van 1908 met andermaal een nieuw watermerk. Alle zegels hebben een bovengemiddelde waarde, maar ik kan er toch een laten zien, de goedkope 1 penny van 1908 en een WAR TAX opdruk van later. In 1908 ga ik dus verder in op het Morne Trois Pitons Nationaal Park.

In 1904 komen we bij de belangrijkste Russische steden Moskou en Sint-Petersburg.

 

Voor de rest van 1902 volgden er nog drie uitgiftes van belang. De eerste daarvan was op 25 februari in de Dominicaanse Republiek. Hier kwam een serie van zeven uit voor de 400’ste verjaardag van de stichting van Santo Domingo, de oudste koloniale stad van het net door Columbus ontdekte Amerika. Op zes van de zegels staan de drie bekendste helden van de republiek, Francisco del Rosario Sanchez (1817-1865), Juan Pablo Duarte (1813-1876) en Ramón Matías Mella (1816-1864), die alle een rol gespeeld hebben bij de definitieve onafhankelijkheid in 1844, toen de Haïtianen het hele eiland Hispaniola onder controle hadden.

De zegel van 50 centavos toont het fort van Santo Domingo, tegenwoordig Fortaleza Ozama geheten. Dit fort wordt gezien als eerste Europese fort in Amerika, waaromheen de stad is gebouwd. De bouw duurde van 1502 tot 1508 en stond onder leiding van Nicolás de Ovando (1460-1511), die in 1502 uit Spanje was gekomen om de Spaanse koloniën te leiden. Het fort ligt aan de monding van de rivier de Ozama, waar het zijn naam aan ontleent. Door die ligging werkte het uitstekend om stad en achterland te beschermen tegen andere ‘belangstellenden’ zoals piraten. Het fort heeft nog tot in de jaren 60 van de vorige eeuw een militaire functie gehad en ook was het eeuwenlang een gevangenis, met als eerste beroemde gevangene Columbus zelf. Tijdens zijn gouverneurschap kreeg hij het steeds vaker aan de stok met andere kolonisten en dat leidde ertoe dat de grote ontdekker op valse beschuldigingen opgesloten werd. Dankzij een bevel van het Spaanse koningspaar, Ferdinand en Isabella, kwam hij weer vrij, en als hij maar beloofde geen stap meer op Hispaniola te zetten kon hij in een landhuis in Andalusië van zijn pensioen gaan genieten. Columbus was daar niet tevreden mee, hij moest en zou nog eens terug naar Amerika, nog steeds in de hoop een doorgang naar Azië te vinden. In 1502 kreeg hij zijn zin. Tijdens de reis worden Honduras, Panama en Jamaica ontdekt, maar verder wordt het één grote ramp en op Hispaniola is hij definitief niet meer welkom… Als een van de weinig overlevenden bereikt Columbus Spanje weer in 1505, maar hij is te oud en te zwak om van zijn pensioen te genieten en sterft een jaar later.

Op 1 maart was er een laatste aanvullende waarde van de serie ‘Staande Hoop voor de Tafelbaai’ in Kaap de Goede Hoop. Dit was een 3 pence in de kleur roodlila. In 1904 zouden de laatste zegels van de kolonie verschijnen, portretten van de nieuwe koning Edward VII.

Op 15 december een nieuw gebied op de lijst: het West-Indische eiland Saint-Lucia, gelegen in de zuidelijke Bovenwindse eilanden, tussen Martinique in het noorden en Saint-Vincent in het zuiden. Het eiland vierde dat het in 1502 vierhonderd jaar eerder ontdekt was. Wie dat op zijn naam heeft is niet bekend, de datum van 13 december 1502 wordt aangehouden voor de landing van een groepje Franse schipbreukelingen, maar mogelijk dat Columbus er ook al was tijdens zijn eerste reis. In 1511 werd het voor de Spaanse kroon opgeëist, maar in de 17’de en 18’de eeuw was het een speelbal tussen Engeland en Frankrijk. Pas na de nederlaag van Napoleon in 1814 werd Saint-Lucia definitief Brits. Sinds 1979 is het eiland onafhankelijk.

Er staan drie vergelijkbare eilanden op de Werelderfgoedlijst om dezelfde reden. Het gaat om Dominica, Saint-Lucia en Réunion, niet toevallig eilanden met een Franse geschiedenis. Ze zijn alle drie behept met zogenaamde ‘pitons’, spitse bergpluggen – het Franse woord piton betekent plug – als resten van vulkanen. Die van Saint-Lucia bevinden zich voor de kust, een grote Gros Piton van 786 meter hoog en een niet veel kleinere Petit Piton van 739 meter hoog. Over niet te lange tijd komen de andere twee eilanden ook aan de beurt, Dominica zelfs al in 1903, maar daarover dus volgende keer.

Het jaar 1902 bracht 19 nieuwe zegels voor de collectie in 8 verschillende uitgiftes van 8 verschillende gebieden. De meeste kwamen ergens in de loop van het jaar uit, zonder vaste datum. Ik bespreek ze in twee delen.

De eerste die ik hier bespreek is Tasmanië. Zoals al kort besproken in 1899 gaf deze Britse kolonie, die niet lang daarna Australië mede vorm zou geven een serie met landschappen uit, gedrukt bij De la Rue in Londen. Drie van deze zegels werden heruitgegeven in 1901 en kwamen van de persen in Melbourne, niet meer in plaatdruk, maar als lithografieën. Hieronder was ook de zegel met Lake Marion.

Tasmanië heeft twee inschrijvingen op de Werelderfgoedlijst. Dit zijn een vijftal voormalige strafkolonies uit de begintijd van Australië, toen de Britse overheid ter heropvoeding schepen vol doorgaans kleinere criminelen als inbrekers en valsemunters naar de nieuw veroverde kolonieën stuurde. Aanvankelijk waren deze in de buurt van Sydney, maar toen dat groeide en naar Britse maatstaven civiliseerde werden ze verplaatst naar Tasmanië.

De andere inschrijving betreft het grootste deel van het westen van het eiland: de Tasmanian Wilderness, bestaande uit 7 nationale parken. Lake Marion ligt in het zuiden van het Cradle Mountain-Lake St Clair NP, dat 1612 km² telt en in 1922 is opgericht. Lake Marion is een tamelijk klein meer dat aan de voet ligt van de ruige Guardians, die goed in de achtergrond te zien zijn op de zegel. Er zijn geen vaste paden naar het meer en het is dus terrein voor de echte hikers die met kaart, kompas en gps hun weg vinden en in de vrije natuur kamperen (kampeerpas verplicht). Een verslag met foto’s vind je hier.

Een nieuw land op de kaart is Colombia, met 9 inschrijvingen op de lijst. De oudste daarvan is de stad Cartagena in het noorden. In 1902 verscheen een serie van maar liefst 26 zegels met 8 verschillende afbeeldingen, met afbeeldingen van de Rio Magdalena, de kanonneerboot Cartagena, de kade van Savanilla, portretten van Simon Bolivar en de recent overleden generaal Pinzon en tenslotte het landswapen. De drie zegels van 20 centavos in de kleuren donkerblauw, violet of rood tonen de Popaberg, die boven de koloniale havenstad Cartagena uittorent. Alle zegels van de serie munten uit in slechte lithografische druk, zeer grove tanding dan wel ongetand en hun slechte verkrijgzaamheid en hoge prijzen, al is de 20 violet nog een positieve uitzondering. Nog niet gezien echter.

Nieuw Zeeland kwam met een laatste versie van de First Pictorials. Deze waren met of soms zonder watermerk, in verschillende tandingen, maar meestal iets met 14. Een aardig uitzoekwerkje, maar wat duidelijk is dat de half penny met Mount Cook genoeg voorkomt om in de collectie te hebben.

Mount Cook vormt het hart van het Mt. Cook National Park en is, zoals te verwachten, genoemd naar James Cook, de belangrijkste ontdekkingsreiziger van de 18’de eeuw. Het is ook met 3724 meter de hoogste berg van Nieuw-Zeeland. Zoals al eerder verteld noemen de Maori hem Aoraki oftewel ‘de berg die wolken eet.’ Eigenlijk is er sprake van drie toppen, de Low Peak, de Middle Peak en de High Peak. Tussen de hoogste en de middelste piek zit maar een hoogteverschil van zeven meter.

Het is pas aan het einde van de 19’de eeuw gelukt om de berg te bedwingen. In 1884 probeerde de Ierse dominee William S. Green (1847-1919) het in gezelschap van een Zwitserse hotelhouder en een eveneens Helvetische berggids. Onderzoek heeft aangetoond dat ze waarschijnlijk op 50 meter van de top zijn gestrand. Met kerstmis 1894 was er echter wel een geslaagde poging van een Nieuwzeelands trio onder leiding van Tom Fyfe (1870-1947). Edmund Hillary maakte zijn eerste beklimming in 1948, vijf jaar voor hij de Mount Everest succesvol beklom. Met 80 getelde slachtoffers is Mount Cook overigens wel de dodelijkste berg van Nieuw-Zeeland!

Oudere oplagen van de serie werden in 1902 gebruikt als eerste zegels van de Zuidzee-eilanden Niue en Penrhyn die respectievelijk 2000 en 3500 kilometer van Nieuw-Zeeland liggen, maar in 1901 onder Nieuwzeelands bestuur werden gesteld. Voor Niue werden de 1/2 penny Mt Cook en de 2 1/2 pence Lake Wakatipu en voor Penhryn beide groene zegels van 1/2 penny en ook de 2 1/2. Voor beide eilanden werd de 1 penny ook overdrukt. Naast de eilandnaam hebben ze ook een waardeopdruk die gelijk is aan de nominale waarde maar dan met de dialectnaam ‘peni’ voor ‘penny’.

Nog drie zegels zijn te bespreken, maar dat laat ik voor de volgende keer.

 

 

1901 was maar een klein jaar, er werden slechts 4 zegels uitgegeven die mijn belangstelling gewekt hebben voor de collectie.

Labuan kwam met een portzegel, net zoals een eerdere uitgifte van Noord-Borneo met een verticale opdruk POSTAGE DUE. Later in het jaar ook weer een frankeerzegel van het moedergebied zelf maar nu met opdruk BRITISH PROTECTORATE als onderdeel van een serie van 12.

St. Christopher Bastion vanuit het noorden gezien, nu met een oorlogsmonument erop (eigen foto 2015)

Tot bijna slot, in maart, een serie in Bolivia met portretten van politici (Adolfo Ballivian, Camacho, Campero, José Ballivian en Santa Cruz), afgesloten door een hoogste waarde van 2 Bolivianos met het landswapen.

De hier afgebeelde zegel komt uit Malta. Dit eiland in de Middellandse Zee was in 1860 begonnen met het uitgeven van postzegels en gaf er voor 1899 slechts 10 uit, allemaal met portret van koningin Victoria. In 1899 twee zegels met een vissersboot van Gozo en een Maltezer galei, gevolgd door een tweetal allegorische voorstellingen, van de patroonheilige Melita en een prent van Gustave Doré betreffende de schipbreuk van St. Paulus voor de kust van Malta.

Fort Rikasoli gezien vanaf Fort St. Elmo (eigen foto 2015)

Op 1 januari 1901 kwam er 1 zegel uit in een oplage van 572.640 stuks en in de minieme waarde van een farthing, oftewel een kwart penny, bedoeld voor kranten. Tot 1947 werden er 4 stuks uitgegeven. In 1901 bovenstaande zegel met lijntanding en watermerk CA Crown enkelvoud, in 1905 in kamtanding en watermerk CA Crown meervoud, in 1936 met monogram GviR na het aantreden van George VI en in 1948 de laatste zegel met opdruk SELF-GOVERNMENT 1947. In ieder geval de laatste twee zegels hadden een geldigheidsduur tot 1976, toen al lang een nieuwe munteenheid was ontstaan.

We zien de zogenaamde Grand Harbour aan de rechterkant van de zegel en een deel van de stad Valletta aan de linkerzijde met achtereenvolgens het Barbara Bastion en verderop het St. Christopher Bastion waarop de Lower Barakka Gardens liggen. Aan de overkant van de Grand Harbour vinden we het Fort Rikasoli. Dit hoort niet tot het werelderfgoed, maar vormt wel een mooie afsluiter van de haven, net als het eind van het schiereiland waarop Valletta ligt, Fort St. Elmo.

Een mooie plek en op wat details na nauwelijks veranderd. In 1902 komen er drie nieuwe onderwerpen aan bod.

Het jaar 1900 telde totaal 16 zegels. Nieuwe landen of onderwerpen zaten er niet bij.

De Mexicaanse zegel met de kathedraal van Mexico-Stad kwam er met met de andere zegels van de serie van 1899 met overdruk OFICIAL en werd zodoende als dienstzegel gebruikt. De opdrukken werden tot 1910 met een handstempel aangebracht en zijn vaak slecht leesbaar. Pas in 1910 werden boekdrukoverdrukken toegepast.

Kaap de Goede Hoop kwam met een nieuw ontwerp Tafelberg, deze keer zonder de Hoop, maar wel met het wapen van de kolonie die diep in de Tweede Boerenoorlog verwikkeld was. Wel een aardig ontwerpje, met een stoomschip in de Tafelbaai.

In de Dominicaanse Republiek verschenen een tweetal Columbuszegels uit de serie 1899 opnieuw, maar dan in zeer kleine waardes van 1/4 en 1/2 centavo. Het betreft de zegel met de graftombe in de kathedraal en die met de bijeenkomst in Salamanca.

Griekenland hield opruiming met een serie waardeopdrukken. De meeste kwamen op de bekende Hermeskopjes, maar ook de Olympische serie van 1896 werd geraakt. De 1 Drachme kreeg een waarde van 5 Lepta mee en de 10 Drachme werd uitverkocht voor 2 Drachme. Net als de originele zegels moeilijk te vinden en duur.

Brazilië bracht een nieuwe zegel van 50 Reis in de kleur groen uit. Net als de originele zegels staan de zegelbeelden zeer dicht bij elkaar, zoals goed op de foto te zien is. Je ziet dus altijd wel een stukje van het volgende zegel.

Ook in Soedan verscheen een dienstzegel. De eerste zegels hebben een doorsteek van de letters SG. In 1900 was dat in een van de Piramidezegels die in 1897 met opdruk verschenen waren. Vanaf 1902 werden opdrukken OSGS toegepast, maar uitsluitend op de zegels met de kameelruiter.

Nieuw-Zeeland bracht enkele van de ‘First Pictorials’ uit in gewijzigde kleuren. Daaronder waren de 1/2 penny met Mt. Cook, nu in groen en de 2 pence met Pembroke Peak in lila. De zegels hadden een grove tanding, net als de uitgifte 1899 en een watermerk NZ ster met dubbele lijnen (dit werd in 1901 vervangen door enkele lijnen. Ik meende de twee zegels al te hebben, maar inmiddels ben ik er weer naar op zoek, want ik had de verkeerde. Geen plaatjes dus voorlopig…

De rest van het nieuws kwam uit de Tweede Boerenoorlog. Op 23 maart kwamen de eerste bezettingszegels uit Mafeking, het huidige Mahikeng aan de grens met Botswana. De belegering van Mafeking door de Boeren was in oktober 1899 begonnen en duurde zo’n zeven maanden, voordat de Britten onder commando van een zekere kolonel Robert Baden-Powell (jazeker, degene die in 1907 de scouting oprichtte), het stadje ontzette. Dit was een keerpunt in de oorlog, waarin tot dan toe de Boeren het voor het zeggen hadden. De zegels, de eerder besproken 1/2 en 1 penny van de Tafelberg met daarvoor de Hoop, werden, naast andere zegels van Kaap de Goede Hoop en ook van Brits Betshuanaland (nu Botswana), overdrukt met de tekst MAFEKING BESIEGED en een nieuwe waarde van respectievelijk 1 penny en 3 pence. Prijzig en slecht te vinden. Overigens kwamen er in Mafeking in april twee provisorische zegels uit met ieder een ‘first’, een 1 penny met een koerier op een rijwiel en de 3 met het portret van Baden-Powell. Dit waren dus de eerste fiets en de eerste levende militair ooit op een postzegel. Baden Powell zou na zijn dood, als zijnde oprichter van de scouting, nog honderden keren geportretteerd worden

Een andere bezettingsuitgave op dezelfde twee zegels verscheen in augustus. Deze kwamen uit Schweizer Reneke, een klein plaatsje in het toenmalige Transvaal, 50 kilometer van het vorige keer besproken Vryburg. Het was in 1888 gesticht door een zekere Schweizer en een zekere Reyneke wat de naam verklaart. Vanaf 19 augustus begon de Boerse belegering en de inwoners wisten het hoe dan ook tot in januari 1901 vol te houden. Het is maar een klein verhaal, want de Britten waren nog vol van de ontzetting van Mafeking, en ook de vorderingen in Kimberley en Ladysmith werden op de voet gevolgd. Maar toch postzegels met een eenvoudige verticale handstempel BESIEGED op de twee zegels van de Kaap en een viertal van Transvaal zelf. Nog onbetaalbaarder dan die van Mafeking.

Dat geldt niet voor wederom dezelfde zegels, maar nu met opdruk ORANGE RIVER COLONY. Deze verschenen vanaf augustus in de inmiddels gepacificeerde Oranjevrijstaat. Naast deze twee was er ook een 2 1/2 pence, uit de andere bekende Kaapse serie ‘Zittende Hoop’.

 

In de tweede helft van het jaar waren er nog 7 postzegels. Op 19 juli verscheen de Labuan-versie van de 4-cents opdrukken die eerder in Noord-Borneo verschenen. Dit waren 9 zegels en de 18 cents hoorde daar ook bij. In dit geval alleen de laatste versie, met ‘LABUAN’ over ‘STATE OF NORTH BORNEO’.

Er waren twee nieuwe gebieden die met erfgoeduitgiftes kwamen. De eerste was Mexico, hier kwam op 1 november een serie van 10 zegels uit. De eerste 7 toonden het wapenschild in verschillende kaders. De hoogste waarden waren voor toeristische plaatjes, waarmee Mexico een van de eerste was, zonder dat er iets te vieren was. Op de 50 centavos zien we de watervallen van Juanacátlan, een plaatsje vlakbij Guadalajara, ten noordwesten van Mexico-Stad en op de 1 peso de bekendste vulkaan van Mexico, de Popocatepetl. De vulkaan is geen werelderfgoed, maar een aantal kloosters in plaatsjes in de buurt wel, die komen later aan bod.

De 5 pesos is voor de verzameling wel interessant: hierop staat de kathedraal van Mexico-Stad. Het centrum van de hoofdstad van Mexico staat sinds 1987 op de lijst onder nummer 412. Daarnaast hoort de archeologische site Xochimilco op 28 kilometer ten zuiden van het centrum er ook bij.

Mexico-stad werd in de 16’de eeuw gesticht op de ruïnes van Tenochitlan, de oude hoofdstad van de Azteken. De stad moest hét visitekaartje worden van de kolonie Nieuw-Spanje en er verschenen dus paleizen en de grootste kathedraal van het hele continent. Zij werd samen met de belangrijkste regeringsgebouwen gebouwd aan de Plaza de la Constitución (in de volksmond El Zócalo geheten). De eerste steen van wat officieel de Catedral Metropolitana de la Asunción de la Santisima Virgen Maria a los cielos de la Ciudad de México heet werd gelegd in 1571 op de plek van een tijdelijke kerk, die op zijn beurt 40 jaar eerder was verschenen in plaats van de hoofdtempel van de Azteken. De voltooiing was pas in 1813, na ruim 240 jaar bouwen dus. De eerste bouwmeester was de uit het Baskenland geëmigreerde Claudio de Arciniega (1527-1593). Hij werkte op een enorme bouwplaat van 59 bij 128 meter en de kerk kreeg twee torens van 67 meter hoog (deze werden in 1791 pas voltooid). Als voorbeeld werd de Spaanse kathedraal van Jaén gekozen. De laatste restauratie werd na een brand in 1967 ingezet.

Op 11 oktober 1899 was de Tweede Boerenoorlog uitgebroken in Zuid-Afrika, als gevolg van een al jarenlang slepend conflict over Transvaal, een Boerenrepubliek die in de laatste jaren overspoeld was door niet-Boerse immigranten. Aan het begin van de oorlog waren de Boeren in het voordeel en namen delen van Natal en de Kaapprovincie in. Een belangrijk verkeersknooppunt in het noorden was het in 1885 door de Britten veroverde stadje Vryburg en in november 1899 werd de belegering door de Boeren ingezet om het terug in te nemen. Op 24 november verscheen er dan ook een serie van vier postzegels alleen voor Vryburg, vier waarde-opdrukjes op zegels van Kaap de Goede Hoop. Hier was ook de 1893 uitgegeven rode 1 penny, die (overigens foutief) overdrukt werd met 1 PENCE.

De laatste zegels van het jaar kwamen uit Tasmanië. Vóór het ontstaan van de staat Australië gaven West- en Zuid-Australië, Queensland, Victoria, New South Wales en Tasmanië ieder voor zich zegels uit. Op laatstgenoemd eiland was dat een serie van 8 met landschappen, waarvan er vier behoren tot de Tasmanian Wilderness (wel-181): op de 1/2 penny Lake Marion, op de 3 pence de Spring River nabij Port Davy, op de 4 Russell Falls en op de 5 pence Lake St. Clair. Vooralsnog niet in de collectie, maar in Australië is dat ruim goedgemaakt, dus te zijner tijd zal ik ze nader bespreken.