Het is een roerig jaar, dat 1913. Een jaar later zou de Grote Oorlog uitbreken, we kennen deze nu als de Eerste Wereldoorlog. Eigenlijk was dit niet de eerste oorlog van deze soort want vanaf de 17’de eeuw waren er al oorlogen uitgevochten die een flink deel van de toen bekende wereld in beslag namen. Neem bijvoorbeeld de Spaanse Successieoorlog, die van 1702 tot 1714 duurde. Heel West-Europa, maar ook de Amerikaanse koloniën waren daarbij betrokken.

Een opmaat voor de Eerste Wereldoorlog waren de Balkanoorlogen, waarbij gevochten werd over de restanten van het Ottomaanse Rijk op de Balkan en wat er daarna bij Griekenland, Bulgarije, Servië en Montenegro zou moeten horen. De oorlog begon in oktober 1912 en negen maanden later waren de Turken aan Europese zijde teruggedreven tot de grenzen zoals ze nu nog ongeveer zijn. De overwinnende partijen leken tevreden te zijn met de uitkomst en uit de puinhopen kon zelfs een nieuw land ontstaan: Albanië, terwijl een groep eilanden in de Egeïsche Zee deels onder Grieks, deels onder Italiaans bestuur kwam.

Na de Vrede van Londen bleven echter met name Griekenland en Servië met een slecht gevoel achter met betrekking tot Macedonië, waar beide landen historisch gezien aanspraak op meenden te moeten maken. Alleen was het gebied niet bij hen terecht gekomen, maar bij Bulgarije, wat het grootste van de Balkanlanden was geworden. Reden om de Bulgaren daar met militaire middelen op te wijzen. Na opnieuw zes weken strijd leverde Bulgarije mokkend een groot deel van Macedonië in, zodat de verhoudingen enigszins eerlijker verdeeld leken.

We naderen de 400 zegels in 1913, wanneer er 24 bijgeteld kunnen worden. Aan een deel daarvan kun je zien dat ze in een oorlogssituatie zijn uitgegeven. Dit gaat, voor zover het Werelderfgoed betreft, om een Griekse serie en om een serie van de kortstondige onafhankelijke staat Samos. Maar ook is er het een en ander dat in vreedzamer omstandigheden werd uitgegeven. Daaraan besteed ik het eerste deel.

In Haïti kwam de serie van 1906 nog eens uit, maar dan in andere kleuren. De 4 centimes was nu in olijfgroen in plaats van rood.

De tweede uitgifte was de laatste vooroorlogse serie van Rusland. Deze werd uitgegeven ter viering van de 300ste verjaardag van de Romanov-dynastie en telde 17 zegels. Die met waardes onder de 1 roebel toonden de tronies van de meest vooraanstaande tsaren en tsarina’s die sinds 1613 aan de macht waren geweest, een aantal kortstondige ‘tussentsaren’ kwam hierbij niet aan bod. De serie werd overdrukt uitgegeven voor de Russische postkantoren in het zieltogende Ottomaanse Rijk.

Op de 1 roebel vinden we het Kremlin in Moskou. Het wordt bijna voluit in beeld gebracht vanaf het zuidoosten en vanuit dat oogpunt zijn vooral de religieuze gebouwen goed te zien, merendeels ontstaan in de periode 1475-1525, de tijd dat het grootvorstendom Moskou op zijn hoogtepunt zou komen onder Ivan III en Vassili III. Een kremlin (letterlijk: versterkte stad) was er al vanaf de 11’de eeuw.

Het begint links met het Grote Kremlin Paleis, een relatief jong gebouw binnen het ensemble. Het werd als Moskouse residentie voor de tsaar gebouwd tussen 1838 en 1849 onder leiding van Konstantin Thon (1794-1881), in zijn tijd de voornaamste Russische architect, die met name kerken bouwde. Tegenwoordig is het de residentie van de president.

Zoals gezegd vooral veel religieuze gebouwen van rond 1500. Direct naast het paleis de kleine Maria Verkondiging-kathedraal, een privékapel van de tsaren uit 1489. Ernaast staat de iets grotere kathedraal van de Aartsengel Michael, die in 1508 voltooid werd op de plattegrond van een kerk uit 1333. In deze kathedraal werden vóór Peter de Grote bijna alle tsaren en grootvorsten begraven.

In dezelfde tijd kwam de klokkentoren van Ivan de Grote gereed. Deze torent met zijn 81 meter overal bovenuit, hoewel de oorspronkelijke hoogte slechts 60 meter was. De naam heeft hij van de tijdens de bouw overleden grootvorst Ivan III (1440-1505), maar hier was al eerder een kerk gewijd aan Johannes (Russisch: Ivan) Klimakos, een in de orthodoxe kerk vereerde heilige.

Voor het overige zien we nog de torentjes van de Maria-Ontslapeniskathedraal uit 1479 en de kerk van de Twaalf Apostelen. In de eerste werden alle tsaren gekroond en worden de patriarchen en metropolieten van de Russisch-orthodoxe kerk begraven. De andere kerk kwam halverwege de 17’de eeuw tot stand, samen met een paleis dat dient als residentie van diezelfde patriarchen.

Het geheel wordt afgesloten met de ommuring en een aantal van de verdedigingstorens, die al of niet fraaie namen hebben. In de Sovjettijd werd vooral de vierkante Spasskaya (‘verlosser’)-toren afgebeeld, maar hier gaat het om de hoektoren, de Beklemishevskaya, genoemd naar een verder onbekend gebleven bojaar. Hij staat ook wel bekend als de Moskou-rivier-toren en stamt uit 1489 met een torenspits van 1680.

De 2 roebel is gewijd aan het Winterpaleis in Sint-Petersburg. We zien het van de kant van de Neva, waar ook – in 2002 in ieder geval – de ingang was van het Hermitagemuseum. De leeuw op de sokkel heeft plaats moeten maken voor het moderne verkeer op de Dvortsovaya Naberezhnaya, wat Google Maps vertaalt naar ‘Palace Embankment’. Dit paleis werd gebouwd in opdracht van tsarina Elisabeth I, dochter van Peter de Grote. Zij was de heerseres van Rusland van 1741 tot haar dood in 1761 en staat geportretteerd op de 50 kopeken van de serie. Ze zou de voltooiing van het door de Italiaan in Russische dienst Bartolomeo Rastrelli (1700-1773) ontworpen paleis met 1500 kamers niet meer meemaken, want dat gebeurde in 1762. Toen was de kleinzoon van Peter de Grote als Peter III op de tsarentroon gekomen, maar die werd volkomen gedomineerd door zijn echtgenote Catharina: na Peters mysterieuze en waarschijnlijk door Catharina veroorzaakte overlijden bleef deze de rest van de eeuw de touwtjes stevig in handen houden. Enfin, het was niet de eerste smet op de Russische dynastie en het zou zeker ook niet de laatste zijn. Het Winterpaleis zou in de geschiedenis van de Romanovs een prominente maar vaak ook duistere rol blijven vervullen.

Het Winterpaleis zoals we het kennen was niet de eerste versie maar de vierde. In 1703 had Peter de Grote de stad gesticht, om toegang te hebben op de Oostzee, maar ook als provocatie naar Zweden, welk land hij graag verving als belangrijke macht in het gebied. Hierom werd tussen 1700 en 1721 de Grote Noordse Oorlog uitgevochten, in dezelfde tijd als de Spaanse Successieoorlog dus. De Zweden waren de eerste jaren oppermachtig, maar in 1709 keerde het tij en kregen de Russen de overhand: ze lokten door de beruchte tactiek van de verschroeide aarde de Zweedse koning Karel XII zover zuidelijk dat toen het te laat was deze zijn toevlucht in het Ottomaanse Rijk moest zoeken.

Peter begon in zijn nieuwe stad eenvoudig in een houten huisje van het model zoals waar hij eerder woonde in Zaandam. Het is net als de Zaanse evenknie nog te bezichtigen. Van hieruit kon hij de bouw van het Petrus-en-Paulusfort overzien. Pas in 1711 was zijn eerste echte Winterpaleis klaar. De tsaar was niet gauw tevreden, versie 2 kwam na een grondige verbouwing van versie 1 klaar in 1721. Hier stierf Peter in 1725, maar zijn echtgenote Catharina I nam het stokje over en al in 1727 resulteerde dit in versie 3.

Het had niet veel gescheeld of in 1837 moest er ook een versie 5 komen, omdat door een brand het totale interieur vernietigd werd. De kunstcollectie, grotendeels door Catharina de Grote bijeengebracht, kon gelukkig behouden worden en zou in 1852 voor het publiek geopend worden in de naastgelegen Hermitage.

De laatste tsaar die het Winterpaleis als residentie gebruikte was Alexander II, vermoord in 1881. Zijn opvolgers Alexander III en Nicolaas II gebruikten het alleen nog als werkpaleis en voor speciale gelegenheden. Dit bleef zo tot het einde in 1917. Na de Oktoberrevolutie bestemden de nieuwe leiders het complex als uitbreiding van de kunstcollectie van de Hermitage. Dat ging niet zonder slag of stoot, want het paleis moest eerst met de nodige schade veroverd worden op de voorlopige regering van Alexander Kerenski, die plaatsgenomen had in een vleugel van het gebouw.

In het andere deel van 1913 ga ik in op uitgiften van Griekenland en het Ottomaanse Rijk.

Ook over 1912 kan ik heel kort zijn, slechts vier zegels, maar toch ook een nieuw onderwerp. Drie van de vier heb ik er.

Dit korte jaar begon op 25 april met de uitgifte van twee zegels in Italië. Deze kwamen er ter gelegenheid van de opening van de herbouwde campanile van de San Marco-basiliek in Venetië op die dag.

Venetië, ooit een vluchtplaats voor door invallende buurvolken verdreven Romeinen, kwam als stadstaat op in de 7’de eeuw en nam als snel in belang toe. In 810 verhuisde doge Agnello Participazio, de leider van Venetië, naar het eiland Rialto en liet daar een eerste dogepaleis bouwen. Niet veel later gaf zijn zoon Giustiniano, doge vanaf 825, opdracht voor een kerk naast dit paleis, gewijd aan St. Marcus en met de bedoeling om de stoffelijke resten van de in het jaar 65 gestorven evangelist onder te brengen. Deze waren door enkele kooplieden gestolen uit Alexandrië, waar de heilige tot dan toe was begraven.

Nadat de kerk een aantal malen was verbrand en weer opgebouwd werd in 1063 het begin gemaakt met de huidige kerk, die al in het jaar 1117 gewijd kon worden. Al in de eerste eeuw na de bouw werd de inrichting aangevuld met kunstwerken die simpelweg tijdens de kruistochten veroverd waren in onder andere Byzantium.

De eerste klokkentoren werd in de loop van de 10’de eeuw gebouwd als uitkijkpost die diende om zicht te hebben op eventuele invallers. Pas in de tweede helft van de 12’de eeuw werden er klokken in gehangen. Verdere her- en verbouwingen, vooral als gevolg van blikseminslagen en aardbevingen duurden tot in 1514, toen de campanile uiteindelijk zijn huidige aanzicht kreeg. In de eeuwen die volgden kreeg de toren nog te maken met vele blikseminslagen en de bijbehorende reparaties.

1902 was een rampjaar voor Venetië en met name de campanile. Al in 1874 was geconstateerd dat de fundering in slechte staat was, maar een structurele oplossing was volgens de bouwkundigen van die dagen nog niet echt nodig, dus het beleef bij kleinere reparaties. In juli 1902 was men bezig aan het herstellen van de het dak van de Loggetta del Sansovino aan de voet van de toren. Tijdens het vervangen van een verbindingsbalk op 12 juli merkten de werklieden al op dat de toren stond te trillen, maar men weet dat aan het geweld waarmee een nieuwe balk op zijn plaats geslagen werd. Toch werd besloten het bouwwerk nauwlettend in de gaten te houden. Op zondag 13 juli bleek de situatie ernstiger dan gedacht en werden zondagse bijeenkomsten op het San Marcoplein al verboden. In de ochtend van 14 juli ging het mis, er liet pleisterwerk van de toren los en om 9:30 werd bevolen dat iedereen het plein moest ontruimen. Dit was net op tijd, want om 9:53 stortte de gehele toren in, waarbij slechts één dodelijk slachtoffer viel te betreuren: de kat van een bewaker. De materiële schade bleef beperkt tot de campanile zelf en de loggetta. Nog dezelfde dag besloot de gemeenteraad dat beiden herbouwd moesten worden. Voor dit project hoestten de stad en de Italiaanse belastingbetaler 500.000 lire op. Koning Victor Emanuel III legde daar uit eigen zak nog 100.000 lire bij.

De herbouw gebeurde in de volgende 10 jaar en op de feestdag van St. Marcus, 25 april 1912 werden de campanile en de loggetta heropend. Volgens overlevering was dit ook exact 1000 jaar na de start van de bouw van de wachttoren.

De postzegels van 5 en 15 centesimi zoals hierboven weergegeven werden ontworpen door de Venetiaanse kunstenaar Augusto Sezanne (1856-1935), die ook verantwoordelijk was voor de rest van de merchandising rondom de heropening van de campanile, zoals hij ook deed voor de vele festiviteiten die in de stad plaats vonden. Posters van zijn hand brengen op veilingen flinke bedragen op.

We zien de toren over de koepels van de basiliek met op de top het beeld van de aartsengel Gabriël en verderop nog enkele beroemde gebouwen met het meest in het oog springend een van de ‘andere’ basilieken (er zijn er vier), die van Santa Maria della Salute, een barokke kerk uit de 17’de eeuw. De jaartallen 1902 en 1912 worden weergegeven en de tekst COME ERA, DOVE ERA (‘hoe het was en waar het was’), om aan te geven dat de campanile precies in dezelfde staat en op dezelfde plek teruggebracht was. Mooie zegels, al zeg ik het zelf.

Wat was er nog meer in 1912? In juni kwamen er drie aanvullende frankeerzegels uit in Bosnië-Hercegovina. Op de 72 heller zien we het stadje Višegrad met de laat-16’de eeuwse Mehmed Paša Sokolović-brug, die sinds 2007 op de werelderfgoedlijst staat.

Ten slotte in september weer een reeksje beroemdheden en het landswapen van Bolivia. De laatste zegel was gelijk aan de uitvoering van 1901, maar nu in de kleur zwart. Waarvan akte met een plaatje.