Dominica gaf in 1908 de derde versie van zijn serie Gezicht op Roseau uit. Deze keer in andere kleuren, die in de catalogus worden omschreven als Nyasakleuren. Wat hiermee bedoeld wordt is niet helemaal duidelijk, zeker gezien de afstand tussen het West-Indische eiland en de toenmalige Britse kolonie in zuidelijk Afrika, die we nu kennen als Malawi. Nyasaland gaf pas eerst in 1908 postzegels uit, wel in dezelfde kleurstelling.

Maar goed, een geluk bij een ongeluk: de verkrijgbaarheid is iets hoger en zowaar: ik heb er een! Deze zegel is meestal wel voor hooguit een paar dubbeltjes te vinden, maar toch.

Net zoals St. Lucia en Réunion is Dominica op de werelderfgoedlijst gezet vanwege zijn pitons. Dat gebeurde in 1997 onder nummer 814 en daarmee was dit eiland de eerste (St. Lucia volgde in 2004, Réunion in 2010). Officieel heet het park Morne Trois Pitons en het werd geopend in 1975. Prominent op de zegel is Watt Mountain (alias Morne Watt) te zien, met 1224 meter de derde hoogste berg van Dominica. De hoogste, Morne Diablotin, ligt buiten het park op het noorden van het eiland, terwijl de Morne Trois Pitons, waar het park naar vernoemd is, niet zichtbaar is, tenzij dat de verhoging is aan de linkerkant van het zegelbeeld. Nabij Morne Watt vind je twee bijzondere aandachttrekkers: het zogenaamde Boiling Lake, waar het water constant tegen het kookpunt is en dodelijke vulkanische gassen af en toe opstijgen. Het werd voor het eerst gezien door buitenstaanders in 1875, toen een zekere Edmund Watt (ja die…) onderzoek deed in het gebied. Vlakbij Boiling Lake ligt de Valley of Desolation, prachtig, maar zonder gedegen voorbereiding kan een bezoek dodelijk uitpakken.

Zanzibar was in 1908 vrij nieuw in de postzegelwereld, in 1895 kwamen de eerste zegels uit, zegels van India en Brits Oost-Afrika met opdruk, in 1896 gevolgd door het portret van de regerende sultan. In 1908 was dat Ali bin Hamoud (1884-1918). De hogere waardes tonen het sultanspaleis in Stone Town, maar deze rupeewaardes, 7 stuks maar liefst, werden slechts in kleine oplages uitgegeven, grotendeels voor fiscale doeleinden gebruikt en zijn voor de gewone portemonnee onbetaalbaar.

Op 14 juli gaf Brazilië twee zegels uit voor verschillende doeleinden. De eerste, hier rechts te zien, vierde het eeuwfeest van het openstellen van de Braziliaanse havens voor niet-Portugese schepen. De opening van de havens hield ook nauw verband met het verhuizen van het Portugese hof naar Rio vanwege de oorlog op het Iberisch schiereiland, wat in november 1807 plaatsvond. Napoleon zou op 1 december van dat jaar Lissabon bezetten, dus ze waren maar net op tijd weg en zouden er deels tot 1821 blijven, toen Brazilië als keizerrijk onder Pedro I verder zou gaan en Portugal Maria II als koningin kreeg.

Dat een en ander groots gevierd werd blijkt wel uit de enorme hoeveelheid informatie die op de zegel te zien is en voornamelijk allegorisch van aard is. Naast landsnaam, waarde-inschrift en jaartallen zien we de portretten van koning Carlos I en president Afonso Pena. Wat de eerste betreft: de koning was niet op de viering aanwezig en zelfs op het moment van uitgifte van de zegel geen koning meer, aangezien hij op 1 februari 1908 in een republikeinse poging tot een coup werd vermoord. Ook Pena zou het niet lang meer maken, hij overleed op 14 juni 1909, 61 jaar oud, in het harnas.

Links en rechts staan de wapenschilden van Portugal en Brazilië. Verder zien we verpersoonlijkingen van Portugal en Brazilië in de vorm van een geharnaste conquistador en een vrouwenfiguur gehuld in een doek met sterren en iets wat lijkt op de moderne vlag met de hemelglobe waarin het Zuiderkruis een prominente plaats inneemt. Op de achtergrond voor die tijd moderne schepen, feestelijk versierd met vlaggen. En achter het laatste schip rechts, ja hoor, het is even zoeken: de Pão de Açucar.

Deze staat duidelijker in beeld op de andere zegel, uitgegeven voor de nationale tentoonstelling van Rio de Janeiro, die op 11 augustus 1908 stond te beginnen, overigens om de gebeurtenissen van een eeuw eerder nog eens te benadrukken en ook werd het eeuwfeest van de Botanische Tuinen van Rio, waar een deel van het programma werd uitgevoerd, gevierd. Het begon allemaal een maand te laat, duurde uiteindelijk tot 15 november en trok ongeveer een miljoen betalende bezoekers. Naast de – nu liggende – vrouwenfiguur zien we symbolen van industrie en welvaart.

De oudste stad van Canada is Quebec en dat vierde zijn 300-jarig bestaan in 1908. Op 16 juli verscheen een serie van 8 zegels van 1/2 tot 20 cents. De hoogste waardes zijn vrij duur. Op de zegels vooral koninklijke en kroonprinselijke portretten als mede die van Jacques Cartier, de eerste Europeaan die Canada bezocht en Samuel Champlain, die de stad stichtte. Op de 5 cents zijn residentie in Quebec en op de 10 een stadsgezicht van ongeveer 1700.

Net als in bijna alle andere Franse koloniën kwam ook Indochina met een serie lokale bezienswaardigheden. Hier werden vrouwen uit de delen van Indochina (Laos, Cambodja, Vietnam en delen van zuidelijk China) geportretteerd. Anders ging het met de portzegels. Hier maakte koloniaal ontwerper Puyplat gebruik van het bekendste erfgoed dat de kolonie rijk was: Angkor Wat in Cambodja (668, 1992). Prominent in beeld een drakenbeeld uit dit tempelcomplex. Deze drakenbeelden waren, samen met vele andere dierenbeelden, bedoeld om de westelijke toegangsbrug over de brede hoofdgracht te bewaken.

Angkor Wat, het beste te vertalen als stadstempel werd in de eerste helft van de 12’de eeuw gebouwd als een aan Vishnu gewijde hindoeïstische tempel. Dit was tijdens de regering van de Khmer-koning Suryavarman II. Na een eerste verwoesting door de Champa, de traditionele vijanden van de Khmer, werd de tempel herbouwd door Jayavarman VII. Deze was boeddhist en zo ging Angkor over van religie.

Om het complex werd een brede gracht gegraven en dat is waardoor de tempels eigenlijk door de eeuwen heen nooit ‘weg’ is geweest, zoals andere die in de loop van de tijd opgenomen werden in het oerwoud om pas bij moderne expedities weer gevonden te worden. Zodoende is Angkor Wat vele generaties in de herinnering gebleven. Reizigers uit vele landen kwamen er al vanaf de 16’de eeuw en tegenwoordig is het de grootste toeristische hotspot van de regio.

In 1908 waren er nog eens twee zegels meer dan in 1907, maar uiteindelijk heb ik er slechts zeven met wél vier verschillende nieuwe onderwerpen, dus ga er maar eens goed voor zitten! Ik doe deze weer in tweeën

Het eerste deel is gewijd aan Oostenrijk, een nieuwkomer op de lijst die tot dan toe wapenschilden, Mercuriuskopjes (voor de krantenzegels) en – vooral – keizer Franz Joseph I had afgebeeld. Maar 1908 was een bijzonder jaar, want de keizer zat 60 jaar op de troon en was hard op weg om koningin Victoria met haar 64 jaar regering te passeren. Franz Joseph zou inderdaad tot zijn dood in 1916 de 68 vol maken.

In dezelfde art-nouveau-achtige stijl als de Bosnische frankeerzegels van 2 jaar eerder kwam een serie van 18 zegels uit, ontworpen door Koloman Moser (1868-1918), een van de grootste moderne kunstenaars van zijn tijd en in 1897 mede-oprichter van de Wiener Secession waar ook Gustav Klimt deel van uitmaakte. Moser verliet in 1905 de Wiener Secession, maakte nog korte tijd deel uit van de Wiener Werkstätte, maar werkte in 1908 als zelfstandig kunstenaar. Zijn partner bij deze serie was de schilder en graveur Ferdinand Schirnböck (1859-1930). Deze was jarenlang in Argentinië actief geweest en had daar ook meegewerkt aan twee frankeerseries. Na zijn terugkeer in Oostenrijk was hij verantwoordelijk voor de eerder genoemde en besproken Bosnische zegels en naderhand graveerde hij voor tal van landen, zoals Zweden, Montenegro en Luxemburg tot Thailand en Turkije aan toe. De laatste zegels, die drie jaar na zijn dood verschenen, kwamen uit het Vaticaan.

Verhouding middenpartij Schönbrunn ten opzichte van Gloriette op Google Earth

Op zes van de zegels zien we portretten van de voorgangers van Franz Joseph, tussen 1711 (Karl VI) en 1848 (Ferdinand I). De andere tonen portretten van de keizer zelf in 1848, 1878 en 1908 en een viertal statieportretten. Twee van de zegels zijn gewijd aan paleizen in en buiten Wenen.

Op de 2 kronen is dat het slot Schönbrunn, in 1996 als nummer 786 ingeschreven op de werelderfgoedlijst. Dit paleis werd gebouwd en voltooid in dezelfde periode als Versailles en ons eigen Paleis het Loo, in een tijd dat heersers als Lodewijk XIV, Leopold I en dus ook onze stadhouder Willem III graag wilden laten zien wat ze in huis hadden qua macht en rijkdom. In Oostenrijk was er een bijkomende reden: een ouder paleis, dat tussen 1638 en 1643 gebouwd was op dezelfde plek werd tijdens het beleg door de Ottomanen in 1683 verwoest en daarom moest er iets nieuws komen. In 1696 startte de bouw van het nieuwe paleis, waarvan de opdracht in 1686 al was gegeven aan bouwmeester Johann Bernhard Fischer von Erlach (1656-1723). Deze kwam aanvankelijk met een bouwplan dat Versailles in de schaduw moest stellen, maar dat was financieel niet haalbaar. In 1701 kwam een veel kleiner paleis klaar, dat in gebruik werd genomen door toekomstig keizer Joseph I (1678-1711). Na diens dood was het pas eerst zijn nicht Maria Theresia (1717-1780) die Schönbrunn tot haar officiële buitenverblijf maakte en het fors liet uitbreiden. Ook liet zij tussen 1775 en 1780 de Gloriette bouwen, een paviljoen voor de keizerlijke feesten en partijen, waar Franz Joseph graag zijn ontbijt gebruikte. Na de val van het Habsburgse keizerrijk heeft het paleis diverse functies gehad, onder andere zat de Britse bezettingsmacht er na de Tweede Wereldoorlog, maar tegenwoordig is het grootste deel ingericht als museum en een kleiner deel wordt gebruikt voor bewoning. Op de postzegel is een vooraanzicht te zien met boven het paleis de Gloriette, dat vanwege de afstand tot het paleis, zo’n 750 meter, niet erg in verhouding getekend is. Bovendien kun je vanaf grondniveau de Gloriette niet eens zien. Artistieke vrijheid dus.

Is Schönbrunn met zijn 1441 kamers en zalen al best wel groot, het officiële regeringspaleis van de keizer (en tegenwoordig de Oostenrijkse president) is de Hofburg en dat is het één na grootste in zijn soort in Europa, slechts voorbijgestreefd door de moderne barakken waar vanuit buurland Hongarije wordt bestuurd. De Hofburg in het centrum van Wenen (nr 1033, 2001) is niet zozeer een paleis, maar een complex aan gebouwen, waarvan de oorsprong al in de 13’de eeuw ligt. Ook de beroemde Spaanse Rijschool hoort bijvoorbeeld bij het ensemble.

Op de postzegel staan we op het grote binnenplein. In der Burg geheten. Rechts de zogenaamde Reichskanzleitrakt, tussen 1722 en 1726 gebouwd door Joseph Emanuel Johann Fischer von Erlach (1693-1742), zoon van de bouwer van Schönbrunn. Dit barokke gebouw verving een kleinere voorganger dat rechts op het schilderij van de Dordtse kunstenaar Samuel van Hoogstraten (1627-1678) te zien is (Van Hoogstraten was enkele jaren in Wenen werkzaam).

Gezicht op de Hofburg te Wenen, door Samuel van Hoogstraten, 1652 (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Frontaal op het schilderij en links op de postzegel zien we de Amalienburg, een van de oudste nog bestaande gebouwen van de Hofburg en gebouwd in de 16’de eeuw. Het kreeg pas zijn naam in 1711 toen de weduwe van keizer Joseph I, Amalia Wilhelmina van Brunswijk-Lüneburg (1673-1742), hier kwam wonen. Bijzonder aan het gebouw is dat er twee uurwerken boven elkaar op zitten, beneden een zonnewijzer en daarboven een mechanische klok.

Ten slotte is op de zegel nog het standbeeld voor keizer Franz I (1768-1835) te zien. Hij was de laatste keizer van het Heilige Roomse Rijk, dat in 1806 werd opgeheven. Franz was daarna ‘gewoon’ keizer van Oostenrijk. Het beeld werd in 1846 hier geplaatst en gemaakt door de Italiaan Pompeio Marchesi (1789-1858).

De serie zou twee jaar later, bij de 80’ste verjaardag van de keizer, in zijn geheel herhaald worden, maar dan in een groter formaat om het jaartal 1910 toe te laten.

Recent zijn de volgende zegels in de collectie toegevoegd (tot en met 1907)

Egypte 1872

Kaap de Goede Hoop 1902

Tunesië 1906

Tunesië 1906