Werelderfgoed op postzegels: 1896

Het jaar 1896 bracht ook niet veel zegels op. Het zijn er slechts 9 in drie uitgiftes.

De eerste serie kwam op 6 april uit in Griekenland, want op die dag, volgens de Gregoriaanse kalender – Griekenland hanteerde nog de Juliaanse waar het 25 maart was – begonnen de allereerste moderne Olympische Spelen. Het evenement, dat tot 15 april zou duren, werd gevierd met een serie van 12 zegels, in waardes lopend van 1 lepton tot wel 10 drachmen, een enorm bedrag voor een postzegel in het toenmalige Griekenland. Leuk hebbedingetje dus voor de bezoekers van het evenement. De zegels werden ontworpen door een zekere Émile Gilleron (1850-1924) en gegraveerd door …. zie later in het verhaal.

De laagste waardes van 1 en 2 lepta laten twee klassieke vuistvechters zien. Het vuistvechten, noch het moderne boksen, maakte deel uit van de Spelen. Op de 5 en 10 lepta de Discobool van Myron, naar het verloren gegane beeld dat ca 450 voor Christus gegoten werd door Myron van Eleutherae. Het atletieknummer discuswerpen stond wel op het programma, Amerikaan Bob Garrett (1875-1961) troefde twee Grieken af en won daarnaast ook het kogelstoten. Op de 20 en 40 lepta vinden we een klassieke amphora, op de 25 en 60 een vierspan, aangevoerd door de Zegegodin.

De drachmewaarden tonen voor het eerst de Acropolis, met aan de voet ervan het Panatheense Stadion, waar de meeste sportevenementen plaatsvonden. Het wordt ook wel het Averoff-stadion genoemd naar de Griekse magnaat George Averoff (1815-1899), die een flink deel van de fondsen binnenbracht voor het evenement.

Op de 2 Drachme zien we het beeld van Hermes met de kleine Dionysos, gemaakt door de beeldhouwer Praxiteles. Het beeld was in 1877 bij een opgraving teruggevonden. De 5 drachme toont de zegegodin Nikè, gebeeldhouwd door Paionios.

Op de hoogste waarde van 10 drachme krijgen we een kijkje van dichtbij op de Acropolis. Deze zegel vertegenwoordigt een hoge cataloguswaarde, dus zal vermoedelijk wel niet in de collectie terecht komen, al kan het soms meezitten. De 1 drachme is wel bereikbaar en die zal ik denk ik nog wel eens op de kop kunnen tikken. Over de Acropolis ga ik het later hebben.

De tweede uitgifte betrof een lokale uit het Chinese Nanjing. Op de zegels die vanaf 20 september verschenen zien we diverse afbeeldingen uit de stad en op de nabijgelegen heilige berg Zhongshan (in het Nederlands Purperberg), waar de oude keizergraven uit de Ming-dynastie op liggen. In 2000 werden deze, samen met andere keizersgraven rondom Beijing en in Mantsjoerije, als werelderfgoed aangewezen. Op een vijftal zegels zien we de bewakers van het graf van keizer Hongwu (1328-1398), de eerste Ming-keizer. Het zijn twee stenen mannetjes op de 1/2 cent (in drie verschillende kleuren) en twee olifanten op de 2 cent (in twee verschillende kleuren).

Uitgifte van 15 oktober

De laatste uitgifte met werelderfgoed van het jaar kwam van onze zuiderburen. Op 15 oktober kwamen er twee zegels uit ter gelegenheid van de in 1897 te organiseren Wereldtentoonstelling in het Brusselse Jubelpark. Een maand later kwam de 10 centimes in een gewijzigde kleur uit en in een wat scherpere en meer herkenbare tekening. De 5 centimes werd door de toentertijd bekende kunstenaar Gérard Portielje (1856-1929) ontworpen, de 10 door de nog jonge kunstschilder Alfred Van Neste (1874-1969), al even weinig bekend meer.  Beide zegels werden in plaat gezet door de Franse graveur Louis-Eugène Mouchon (1843-1914), die al vanaf 1876 actief was, eerst met het type Sage, maar daarna breidde hij zijn werkzaamheden uit naar Luxemburg, België, Monaco, Griekenland (inderdaad, de hierboven genoemde zegels!), Portugal en ten slotte ook Nederland waar hij in 1899 betrokken was bij de Bontkraag-serie van koningin Wilhelmina.

Uitgifte van 15 november

Op de 5 centimes zien we Sint Michaël, de patroonheilige van Brussel, als overwinnaar op de duivel die in de gedaante van een draak voor hem op de grond ligt. De 10 centimes heeft een iets ander ontwerp. Nu is Michaël in gevecht met de duivel als duivel, maar het decor wordt gevormd door twee bekende gebouwen in Brussel. Rechts zien we het Justitiepaleis, dat in 1883 voltooid werd, het is te vinden aan het Poelaertplein dat zo genoemd is naar de hoofdarchitect van het gebouw.

Aan de linkerkant vinden we het stadhuis aan de Grote Markt en dat is daar, samen met het ertegenover gelegen Broodhuis, een van de blikvangers en ook de oudste bouwwerken aan dit stadsplein. Vrijwel alle huizen zijn in het begin van de 18’de eeuw gebouwd nadat de legers van de Franse koning Lodewijk XIV in 1695 een groot deel van de stad gebrandschat had.

Wat nu het stadhuis is werd rond 1450 gebouwd als bestuurszetel van het hertogdom Brabant, waar inmiddels de Bourgondische hertog Filips de Goede de scepter over zwaaide. De oudste zoon van Filips, de toekomstige Karel de Stoute, mocht in 1444 de eerste steen leggen en daarna kon stadsbouwmeester Willem de Voghel ermee aan de slag, terwijl Jan van Ruisbroeck verantwoordelijk werd voor de 96 meter hoge toren. Na de brand van 1695 werd de restauratie uitgevoerd onder Cornelis van Nerven (1660-1715) en toen werden er gelijk een paar vleugels aangebouwd. In 1795 ging het stadhuis over op de gemeente Brussel en nam het de rol van het Broodhuis als stadhuis over. Vanaf 1841 werd een omvangrijke restauratie uitgevoerd door Tieleman Suys (1783-1861) en Victor Jamaer (1825-1902). Suys had als hofarchitect van koning Willem I al diverse bouwprojecten in noordelijk Nederland voltooid zoals de Amsterdamse Mozes-en-Aäronkerk. Met deze restauratie werden de vele beelden van beroemde Belgen toegevoegd in de gevels.