Morazán tijdens zijn presidentschap

Bijna ieder Zuid-Amerikaans land heeft zijn eigen held, Centraal-Amerika heeft er ook een: Francisco Morazán. Morazán had een ideaal om de kleine Centraal-Amerikaanse landen te verenigen en zo een tegenwicht te bieden aan de grote buren. Alleen: niet iedereen was het er mee eens. De naam van Morazán leeft het meest voort in Honduras en El Salvador, waar in  Guatemala en Nicaragua het eerbetoon al minder is. In Costa Rica halen ze op zijn best hun schouders over hem op.

Geboortehuis van Morazán in Tegucigalpa

José Francisco Morazán Quesada werd op 16 oktober 1792 geboren in het stadje Tegucigalpa, sinds 1937 de hoofdstad van Honduras, toen onderdeel van het Kapiteinschap-Generaal van Guatemala. Zijn ouders waren invloedrijke Creolen, en hadden dus het bloed van de Spaanse kolonisatoren en de Afrikaanse slaven. Morazáns grootvader van vaderskant was overigens een Italiaan: Giovanni Batista Morazzani. Dankzij zijn opvoeding kwam Francisco in contact met gestudeerde vrienden van zijn ouders, die hem juridische kennis bijbrachten. Ook werd hij vertrouwd met de werken van Voltaire en Montesquieu. Dit bepaalde zijn liberale koers in zijn jaren als politicus.

In de jaren vanaf 1821 kregen de Centraal-Amerikaanse landen hun definitieve onafhankelijkheid. In Mexico, waar Augustin Iturbide tot keizer was verkozen, liet men al gauw het oog vallen op Guatemala, waar Honduras een deel van uitmaakte. In 1822 had een meerderheid besloten tot aansluiting bij het grote buurland, maar toen Iturbide afgezet werd kwamen de landen met de schrik vrij, wat vooral in Honduras gevierd werd. In 1823 sloten Guatemala, Honduras, El Salvador, Nicaragua en Costa Rica een verbond en vormden de Verenigde Provincies van Centraal Amerika, in 1824 verder geformaliseerd als de Federale Republiek van Centraal-Amerika. Binnen dat raamwerk hadden de vijf deelstaten hun eigen president en Morazán werd in 1827 voor de eerste keer in Honduras gekozen. In 1830 werd hij president van de centrale regering, een zwaar bevochten positie die hij bereikte na het onderdrukken van conservatieve opstanden in El Salvador en Guatemala om mee te beginnen. Hij bleef met een kleine onderbreking tot 1839 aan, waarna het verbond uiteindelijk uit elkaar viel, na 15 jaar van haat en nijd tussen conservatieve en liberale facties.

Standbeeld in San Salvador

De nieuwe president wist met wisselend succes enkele liberale hervormingen door te drukken, zoals vrijheid van meningsuiting en drukpers, maar conservatieve krachten zaten hem steeds dwars. Toen in 1837 cholera uitbrak in Guatemala zagen de conservatieven onder leiding van de kerk hun kans schoon om een volksopstand tegen de liberale regering te ontketenen. Het vuur sloeg over naar Honduras en Nicaragua en op 1 februari 1839 moest Morazán aftreden en was de Federatie ten einde. Zijn aanhangers in El Salvador kozen hem vervolgens tot staatshoofd. Een conservatief leger uit Guatemala trachtte de Salvadorianen nog aan hun kant te krijgen, maar Morazán versloeg ze en deed in 1840 nog een vergeefse poging om de federatie te herstellen door op te trekken naar Antigua, de toenmalige hoofdstad van Guatemala. Dat had hij beter niet kunnen doen want Morazán vond er zijn Waterloo.

In 1840 ging hij in ballingschap, eerst in Panama, daarna in Peru, om in 1842 weer terug te keren, nu als zelfverklaard leider van het verzet tegen de Britse claim op de Miskitokust, een strook land aan de noordkust van Nicaragua en Honduras, waar de Miskito-indianen hun reservaat hadden. Eenmaal ter plaatse besloot hij zijn pijlen echter te richten op een andermaal vergeefse poging de Centraal-Amerikaanse federatie te herstellen. Dit keer was Costa Rica het doel: hier had president Braulio Carrillo namelijk besloten dat zijn land nooit meer iets met samenwerking in enige vorm met zijn buurlanden te maken wilde hebben (een politiek die tot op de dag van vandaag stand houdt). Aanvankelijk had Morazán succes en hij wist de leiding in San José over te nemen, maar angst voor oorlog met de voormalige bondgenoten maakten dat hij geen welkome gast was.

Morazán op een zegel uit 1878

Na vier maanden in het zadel gezeten te hebben kwam een samenzwering tegen zijn regime tot stand. Morazán probeerde nog te ontsnappen, maar het was al te laat. Op 15 september 1842 stierf de gewezen president voor het vuurpeloton. Hij werd in San Salvador begraven.

Postzegels met het portret van Morazán zijn er in diverse Latijns-Amerikaanse landen, met name in zijn geboorteland Honduras en in El Salvador. Zelfs in de grote presidentenserie van Costa Rica uit 1945 zit een zegel met zijn portret en ook Nicaragua beeldde hem (in 2009) af. Guatemala nam die stap als enige betrokken land (nog) niet. In Chili, de Dominicaanse Republiek en Cuba verschenen series waarin Morazán een plekje had.

Volgende keer bezoeken we Scandinavië weer eens.

Guatemala Mi 14

Guatemala stond sinds 1871 op het postzegeltoneel. De eerste zegels die er verschenen toonden het toenmalige wapenschild van het land dat tevens een afscheid ervan was. Nog in dat jaar werd bij wet een nieuw blazoen ingevoerd, datgene wat het nu nog is. In 1872 probeerde men het nieuwe schild uit, maar het leende zich kennelijk nog niet zo voor de postzegel, want werd spoedig afgedankt, om pas in 1886 terug te keren.

In de tussentijd moest er natuurlijk wel af een toe een postzegel komen. In 1875 waren het een viertal vrijheidskoppen en drie jaar later weer iets nieuws: vier postzegels met daarop een Indiaanse vrouw. In sommige bronnen wordt ze ook wel een prinses genoemd, al zijn de trekken van de vrouw op de postzegel eerder die van een 50-jarige dan van een 20-jarige, wat niet veel associaties met een prinses oproept.

Veel is er niet over de achtergrond van deze zegels bekend, maar het lijkt wel duidelijk dat men in Guatemala terug wilde grijpen op het verleden, de periode voor en tijdens de intocht van de Spaanse kolonisatoren. Je moet dan bedenken dat de Spanjaarden, voor ze uiteindelijk het gebied pas ver in de 17’de eeuw onder de duim hadden, te maken hadden met enkele tientallen inheemse stammen, die in het gebied woonden, en ook nu nog beschouwt bijna 40 procent van de bijna 17 miljoen inwoners zichzelf als afstammeling van de oorspronkelijke bewoners, meer dan in ieder Latijns-Amerikaans land behalve Bolivia en Peru.

In 1878 waren de indianen net zo geïntegreerd in de maatschappij als dat je na drie eeuwen kolonisatie en vervolgens onafhankelijkheidsstrijd mag verwachten, de meeste presidenten en andere hoogwaardigheidsbekleders hadden vaak op zijn minst enige procenten indiaans bloed in de aderen, want vermenging van Spaanse en Indiaanse genen was aan de orde van de dag. Een Indiaanse vrouw met veren in haar kapsel zag je in ieder geval niet meer rondlopen en moet wel teruggrijpen naar een tijd voordat de grote verandering in 1524 inzette, toen Cortés en Alvarado er voet aan land zetten. En moet, in de nieuw ontstane wereld na de onafhankelijkheid ook een soort van afrekening geweest zijn met het koloniale verleden.

Guatemala was het enige land dat deze stap aandurfde, maar lang duurde dit experiment ook niet. In 1879 stapte het land over naar het nationale symbool, de Pharomachrus mocinno, beter bekend als de quetzal. Daarop kom ik binnenkort terug.

Maar eerst een bewonderde maar ook verguisde staatsman in Midden-Amerika. Hiervoor ga ik de volgende keer naar Honduras.