De drie Torens van San Marino (eigen foto’s 7-8-2007)

Een van de kleinste landjes ter wereld is San Marino en volgens de aan legende grenzende geruchten ook de oudste nog functionerende republiek ter wereld, die in 2001 zijn 1700’ste verjaardag vierde. Toen was het immers de heilige Marinus die zich, vluchtend voor de legers van keizer Diocletianus, terugtrok op de Monte Titano, een 749 meter hoge steenpuist in de verder hooguit heuvelachtig uitlopers van de Apennijnen. In 2007 bezocht ik het, een jaar voordat de berg met de hoofdstad, eveneens San Marino geheten, en zijn drie verdedigingstorens met inschrijvingsnummer 1245 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO kwam.

Zoals de Cerro Rico bij Potosí in Bolivia als nationaal symbool op het wapenschild van dat land terecht is gekomen, zijn de drie torens (Le Tre Torri) het symbool van San Marino. Niet alleen op het wapen komen ze voor, maar ook op de vlag en op het overgrote merendeel van de oudere postzegels die er sinds 1877 worden uitgegeven. Ook hebben de drie kastelen ieder hun eigen euromunt: ze komen voor op de 1, de 5 en de 50 cent.

Zegel van de vierde serie ‘Wapen van San Marino’ uit 1984

De torens hebben alle namen. De eerste, die vrij dicht bij de stad San Marino staat, heet La Rocca of ook wel Guaita en is de oudste en grootste van de drie en al in de 10’de eeuw gebouwd, maar in de 15’de eeuw herbouwd en sindsdien een aantal malen vergroot. Het kasteel heeft een klokkentoren die tot op de dag van vandaag de Sammarinezen waarschuwt voor gevaar. Tot 1970 diende La Rocca als staatsgevangenis, nu is het een museum over de geschiedenis van San Marino.

De middelste toren heet ook wel La Cesta of Fratta en is de hoogst gelegen van de drie en bijna op de top van de berg. Hier was in de Romeinse tijd al een uitkijkpost, maar de huidige toren stamt waarschijnlijk uit de vroege 13’de eeuw en werd in 1253 voor het eerst genoemd in een document. In 1956 werd La Cesta ingericht als museum voor oud wapentuig.

Na alle herdrukken van de eerste zegels verscheen in 1903 een nieuwe serie.

De laatste toren is La Montale, de jongste van de drie en uit het begin van de 14’de eeuw. Ooit was dit met de andere kastelen verbonden door een dikke verdedigingsmuur met weergangen en zo, maar nu is daar niet veel meer van over. Deze toren is niet toegankelijk voor publiek, maar zeker imposant.

De eerste postzegels kwamen dus in 1877 naar ontwerp van een Enrico Repettati, hoofdontwerper en graveur van de Officina Carte Valori in Turijn, dat ook verantwoordelijk was voor alle Italiaanse en Sammarinese zegels. Tot die tijd werden Italiaanse postzegels gebruikt en vóór de stichting van het koninkrijk in 1861 waren het zegels van de Kerkstaat. Een postkantoor bestond al in 1826 in het Palazzo Pubblico, vervangen in 1833 door een eigen gebouw er naast. De post werd er verzameld en toen vooruitbetaling noodzakelijk werd werden de kosten eerst in dat kantoortje voldaan en vervolgens de post naar Rimini gebracht. In deze 20 kilometer verderop gelegen Italiaanse badplaats werden de postzegels erop geplakt.

Een cover door Otto Bickel verzonden van San Marino naar Cincinnati (Worthpoint.com). NB Leonie Berger was zijn echtgenote

In het begin werden de postzegels maar weinig gebruikt en uitsluitend binnen Italië, maar in 1891 arriveerde de Duitse postzegelhandelaar Otto Bickel (1862-1946) in San Marino en hij ging het landje filatelistisch organiseren. Hij stichtte een tijdschrift, dat hij de wereld rond zond met de Sammarinese postzegels. Het was zo erg dat op zeker moment de zegels van 5 centesimi op waren en nieuwe nog niet geleverd konden worden, maar Bickel vond een lokale drukker en zo verschenen de eerste opdrukken. Na het vertrek van Bickel in 1894 had hij wel wat voor elkaar gekregen, hij had de postzegels van het buiten Italië bij velen weinig bekende dwergstaatje op de kaart gezet en dat leidde tot een langdurige erfenis: San Marino gaf nooit heel veel uit, maar was in de jaren 60 en 70 wel de eerste met thema’s als prehistorische dieren en Disneyfiguren die later door allerlei vage agentschapjes uitgemolken werden ten behoeve van Afrikaanse landen en Caribische eilanden. Vanwege zijn rol werd Bickel in 1997 afgebeeld op een postzegel bij het 120-jarig bestaan van de Sammarinese postzegels.

Volgende keer zien we een echte indiaan op een postzegel.

López y Planes en Vélez Sársfield

In mei 1877 was de start van een serie van 7 postzegels met nieuwe waardes, waarvan de laatste in september 1880 verscheen. Naast Rivadavia, Belgrano, San Martin en Alvear op zegels van 8, 16, 24 en 25 centavos kwamen er twee nieuwelingen bij.

2 centavos – Vicente López y Planes 

Voor Vicente López y Planes was het in 1877 precies 50 jaar geleden dat hij gedurende 6 weken president van de Verenigde Provincies van Rio de la Plata was, als opvolger van Rivadavia.

López werd geboren op 3 mei 1785 in Buenos Aires en was getraind als jurist, meestal een beroep waarmee je toentertijd makkelijk de politiek in kon gaan. Daarnaast was hij een verdienstelijk schrijver en daarmee is hij waarschijnlijk het meest bekend in Argentinië: hij was namelijk de bedenker van de tekst van het volkslied, dat op muziek gezet werd door Blas Parera, een immigrant uit Spanje. Op 11 mei 1813 werd ‘Oíd, mortales’ als officieel volkslied aangenomen en nu, ruim 200 jaar later, is het dat nog steeds. Dichten deed hij overigens al eerder: toen de Britten uit Buenos Aires waren verdreven publiceerde hij El triunfo argentino, een lofdicht op de overwinning in meer dan 1100 regels.

Na de Meirevolutie was hij de eerste revolutionaire burgemeester van Buenos Aires en zijdelings bij een aantal van de coalities  betrokken. In 1826 werd hij minister in het kabinet van Bernardino Rivadavia en een jaar later ook diens opvolger, toen Rivadavia ontslag nam vanwege de slecht verlopen vredesonderhandelingen met Brazilië na de onderlinge oorlog over het gebied wat nu Uruguay is.

Zoals gezegd bleef López maar zes weken aan en gaf toen het stokje over aan gouverneur Manuel Dorrego van Buenos Aires. Tot 1854 zouden de gouverneurs van Buenos Aires de feitelijke macht in de Argentijnse confederatie uitoefenen, López was daar in 1852 ten slotte nog enkele maanden één van, voordat in september van dat jaar de provincie Buenos Aires zich afscheidde van de rest van Argentinië, een situatie die tot 1861 zou duren. Dat zou Vicente López echter niet meer meemaken: hij overleed op 10 oktober 1856 in zijn geboortestad.

20 centavos – Dalmacio Vélez Sársfield

Anders dan deze en vorige keren besproken Argentijnen speelde Dalmacio Vélez Sársfield veel later een rol in de Argentijnse geschiedenis.

Hij werd op 18 februari 1800 geboren in het plaatsje Amboy in de provincie Cordoba. Zoals gebruikelijk in Spaanstalige landen had hij de achternamen van zijn beide ouders en zijn moeder was van Ierse komaf, wat in dit geval het Engels klinkende matroniem verklaart.

Vélez was een goed student die naast zijn moedertaal vier talen vloeiend sprak (waaronder Latijn) en een uitstekend wiskundige was. De juridische wereld trok hem echter het meest aan en daarmee kwam de politiek in beeld. Hij werd al op 25-jarige leeftijd verkozen in de Kamer van Afgevaardigden en steunde openlijk de centralistische politiek van Bernardino Rivadavia, die in 1826 tot eerste president werd verkozen. Daarna werd hij juridisch adviseur van de gouverneur van Buenos Aires – en de facto president van de confederatie – Juan Manuel de Rosas, maar toen de relatie tussen de twee verslechterde zocht Vélez zijn heil in Uruguay en later in Europa, waar hij medestanders voor een centralistische regering onder leiding van de provincie Buenos Aires vond. Ook maakte hij kennis met generaal Bartolomé Mitre, die in 1861 de eerste president van de Argentijnse republiek werd, nadat Buenos Aires met de rest van het land herenigd was.

In 1854 had Vélez voor de toen onafhankelijke staat Buenos Aires een grondwet geschreven en deze gebruikte hij vanaf 1864 als basis voor een Burgerlijk Wetboek, dat na vier jaar noeste arbeid gepresenteerd kon worden aan de regering en aangenomen werd. Van 1 januari 1871 tot de recente vervanging in 2015 was dit het wetboek dat leidend was in de Argentijnse gerechtshoven.

Na het voltooien van deze arbeid trok Vélez Sársfield zich terug uit de politiek. Op 30 juni 1875 overleed hij in Buenos Aires. Hij werd geëerd in de naam van een wijk en een treinstation, welke laatste op zijn beurt weer zijn naam doorgaf in de sportclub Vélez Sársfield, een van de bekendere voetbalclubs in de hoofdstad en een van de 15 die in de Argentijnse hoogste divisie meespelen.

De serie

De serie, ingezet in 1868, zou gebruikt worden tot 1888, toen oude bekenden en nieuwe gezichten in nieuwe kaders verschenen.

 

Volgende keer ik terug naar Europa en een van de kleinste staten van de wereld: San Marino.

 

Belgrano, Alvear, Posadas en Saavedra

Ik vervolg met de 10 centavos en enkele hogere waardes:

10 centavos – Manuel Belgrano

Na José de San Martin is Belgrano een goede nummer 2 op Argentijnse postzegels. Belgrano werd op 3 juni 1770 geboren in Buenos Aires en was dus al iets ouder toen hij deel ging nemen in de onafhankelijkheidsstrijd in Argentinië. Zijn vader, Domingo Belgrano, kwam uit Ligurië, de landstreek rondom Genua aan de Middellandse Zeekust, wat Belgrano’s Italiaans klinkende naam verklaart. Domingo deed goede zaken in Buenos Aires, zodat hij het geld had om zijn beide zoons naar Europa te sturen om te studeren. Manuel ging rechten studeren en kreeg zelfs van paus Pius VI toestemming om door de kerk verboden boeken te bestuderen.

In 1794 keerde Belgrano terug naar zijn geboortestad en trad daar in dienst van het nieuw opgezette Handelsconsulaat, dat adviseerde over de economische ontwikkeling van Rio de la Plata. Hij zou er tot 1810 werken.

De eerste daden van verzet kwamen in 1806 toen de Britten kortstondig Buenos Aires bezetten. Hoewel Belgrano geen enkele militaire ervaring had, werd hij als sergeant opgenomen in een legereenheid en begon aardigheid te krijgen in het militaire stiel. De Britten moesten al gauw bakzeil halen.

Toen in 1808 de Fransen Spanje bezetten, schaarde Belgrano zich achter een groep die de soevereiniteit over wilde dragen aan prinses Carlota, de zus van de verbannen koning Ferdinand VII. Manuel werd de voornaamste correspondent met de in Rio de Janeiro wonende prinses, maar het voornaamste obstakel was dat ze getrouwd was met de toekomstige Portugese koning Joao VI, dus het feest ging niet door.

Na de Meirevolutie werd Belgrano in de eerste junta gevraagd, waarin hij een medestander werd van Mariano Moreno. Vanaf dat moment ging het ook zeer voortvarend met zijn militaire carrière. In de zomer van 1810 werd hij met een legereenheid naar Paraguay gezonden om daar de lokale bevolking voor de Argentijnse revolutie te winnen. In Paraguay had men echter andere ideeën: ze riepen er een separate onafhankelijkheid uit en Manuel moest zich terugtrekken naar Buenos Aires, waar hij betrokken raakte bij de inmiddels uitgebroken Argentijnse onafhankelijkheidsoorlog. Omdat bleek dat zowel de koningsgezinden als hun tegenstanders oorlog voerden onder dezelfde vlag, ontwierp Belgrano een nieuwe vlag met de lichtblauwe banden die we nu nog kennen. Aanvankelijk werd de vlag niet erkend, maar toen Manuel een belangrijke overwinning behaalde werd hij in 1813 uitgezonden naar Peru om onder ‘zijn’ vlag de Slag bij Salta te vechten. Het werd een groot succes, waarna de zegevierende Belgrano de vrije hand kreeg in alle activiteiten in Peru. Dat ging echter een stapje te ver en na enkele verliezen werd José de San Martín gestuurd om de leiding op zich te nemen, met Belgrano als zijn rechterhand.

Belgrano op de langlopende serie uit 1935

Vanaf 1814 was Belgrano betrokken bij de ontwikkeling van een nieuwe staatsvorm in Argentinië. Hij stelde dat die het meeste draagvlak zou hebben op het wereldtoneel als het een vorm van constitutionele monarchie zou zijn. In 1816 werd tenslotte de Argentijnse onafhankelijkheidsverklaring uitgesproken, zonder dat er een besluit over de regeringsvorm was gevallen.

In 1819 werd Belgrano opgeroepen om een leger te leiden tegen José Artigas, de rebellerende generaal uit Uruguay, maar zijn gezondheid liet te wensen over, want hij leed al enige tijd aan oedeem. Na een mislukte campagne keerde hij doodziek terug in Buenos Aires waar hij op 20 juni 1820 overleed, nog slechts 50 jaar oud.

Tot op de dag van vandaag wordt 20 juni gevierd als Vlaggendag als eerbetoon aan Belgrano. Ook werden meerdere schepen van de Argentijnse marine naar hem genoemd, het meest bekend de kruiser General Belgrano, die door Britse torpedo’s tot zinken werd gebracht in de Falklandoorlog van 1982.

30 centavos – Carlos Maria de Alvear

Een kleine 20 jaar jonger dan Manuel Belgrano was Carlos Maria de Alvear. Hij werd geboren op 25 oktober 1789 in Santo Ângelo in de provincie Rio Grande do Sul in het zuiden van het huidige Brazilië, maar toen nog in Spaanse handen. In 1804 reisde hij met zijn ouders, broers en zussen naar Spanje waar hij voor Cadiz gevangen werd genomen door de Engelsen. Dit viel in zo slechte aarde in Spanje, dat samen met bondgenoot Frankrijk de oorlog aan Engeland verklaard werd, waaruit de Slag bij Trafalgar volgde. In 1805 werd het gezin vrijgelaten en keerde terug naar Spanje, waar Carlos meevocht in de Napoleontische oorlogen. Hij leerde er ook José de San Martín kennen, waarmee hij een moeizame relatie ontwikkelde.

Eenmaal terug in Argentinië werd hij een op zich succesvol legerleider, maar hij was niet populair, zodat hij weggepromoveerd werd naar de positie van opperste directeur, wat niet veel opleverde: al na een paar maanden werd hij via een militaire coup afgezet. Korte tijd sloot hij zich aan bij Artigas, maar omdat deze zijn eigen plan trok, nam Alvear de wijk naar Rio de Janeiro. Pas in 1822 keerde hij terug, waar hij in genade werd ontvangen door Bernardino Rivadavia. Met hem kon Alvear goed overweg en hij werd op een diplomatieke missie gestuurd om voor de Argentijnse zaak te pleiten.

In 1826 werd Alvear tot minister van oorlog benoemd en kreeg de organisatie van het leger in handen, dat succesvol was in de oorlog tegen Brazilië een jaar later.

Toen in 1829 Juan Manuel de Rosas voor de eerste keer de leiding nam in Argentinië ging Alvear in de oppositie. Rosas mocht Alvear vanaf het begin al niet en om hem politiek op een zijspoor te zetten benoemde hij hem tot ambassadeur in de Verenigde Staten. Die functie bekleedde hij vanaf 1838 tot zijn dood in New York op 3 november 1852.

60 centavos – Gervasio Antonio de Posadas

Gervasio Antonio de Posadas was een oom van Carlos Maria de Alvear en diens voorganger als opperste directeur gedurende het jaar 1814. Hij werd geboren op 18 juni 1757 in Buenos Aires. Hij werd opgeleid als jurist en kwam pas na de Meirevolutie van 1810 in aanraking met de leiders ervan, zoals Cornelio Saavedra. Hij speelde geen rol van betekenis in de eerste junta’s maar nam op 19 augustus 1813 zitting in het Tweede Driemanschap, dat op 8 oktober 1812 was ingesteld. Na het opheffen van de driemanschappen in januari 1814 werd het ambt van Opperste Directeur ingesteld en Posadas was de eerste daarvan.

Aanvankelijk werd Posada als medestander van juntaleider Cornelio Saavedra gezien, maar was naderhand een verklaard tegenstander van hem en degene die zorgde dat Saavedra Argentinië moest ontvluchten.

In het begin van 1815 werd Posadas opgevolgd door zijn neef Alvear, maar het politieke tij keerde zich tegen oom en neef en de volgende 6 jaar sleet Posadas voornamelijk in de gevangenis.

Hij overleed op 2 juli 1833 in Buenos Aires.

90 centavos – Cornelio Saavedra

Cornelio Saavedra kan beschouwd worden als het eerste staatshoofd van Argentinië, als é;en van de leiders van de Meirevolutie. Hij was van geboorte geen Argentijn, maar kwam uit het dorpje Otuyo, dichtbij Potosí in het huidige Bolivia, waar hij op 15 september 1759 het levenslicht zag. Toen hij 8 was vertrok het grote gezin, met Cornelio als jongste, naar Buenos Aires.

Saavedra speelde een kleine rol in de succesvol afgeslagen Britse invasie van 1806, maar werd wel gekozen als regimentsleider bij de verdediging van Buenos Aires tegen een eventuele nieuwe aanval.

In het voorjaar van 1810 kwam het nieuw vanuit Spanje dat dat land bijna geheel was veroverd door Napoleon. Onmiddellijk werd stelling genomen tegen de laatste onderkoning Baltasar Hidalgo de Cisneros. Aanvankelijk werd besloten dat Cisneros kon aanblijven, maar dan als leider van een junta met Saavedra als een van zijn medestanders, maar het volk was het daar niet mee eens. Onder druk trad Cisneros af en droeg de leiding over aan Saavedra: de Primera Junta was geboren.

In deze junta zat ook Mariano Moreno en gaandeweg waren deze en Saavedra het steeds minder met elkaar eens, wat leidde tot de vorming van de Junta Grande, waar Moreno niet meer in zat, maar wel vertegenwoordigers van de provincies zitting namen. Deze was werkzaam vanaf 18 december 1810 en bleef dat tot 23 september 1811, toen de junta vervangen werd door een driemanschap. Saavedra was op 26 augustus afgetreden dankzij de toenemende oppositie van Moreno. Het feit dat hij hierop Buenos Aires verliet maakte hem in de ogen van de zittende regering een verrader, waarop hij naar het buitenland moest vluchten, dat was eerst Chili, maar toen een koningsgezinde coup daar slaagde, keerde hij terug en vestigde zich in San Jose in de provincie Mendoza, waar José de San Martin gouverneur was.

Uiteindelijk werd Saavedra weer in ere hersteld en kon terugkeren naar Buenos Aires. Hier overleed hij op 29 maart 1829. Omdat dit vanwege politieke problemen in 1829 niet mogelijk was kreeg Saavedra pas in het begin van 1830 de staatsbegrafenis die hij volgens de sterke man van die dagen, Juan Manuel de Rosas, verdiende.

Volgende keer deel drie van het drieluik, met aanvullende waardes uit 1877