1876 – Naser ed-Din van Perzië

Shah Naser ed-Din

Personen op postzegels van islamitische landen zijn tegenwoordig niet zeldzaam meer. Zolang er een aangetoond belang is voor de cultuur van een land zal niemand er om malen. Die tijden waren ooit anders en in de meeste moslimlanden werden allerlei symbolen gebruikt, maar vooral geen mensenportretten.

Perzië, dat pas in 1935 de modernere en algemenere naam Iran kreeg, brak als eerste met de traditie. De toenmalige heerser Naser ed-Din Kadjar was het eerste islamitische staatshoofd dat op de postzegel kwam. Het land was in 1865 begonnen met het uitgeven van postzegels en de eerste 18 tonen het Perzische symbool van de leeuw met het kromzwaard.

Naser ed-Din Kadjar was de vierde heerser uit de Kadjaren-dynastie, welke in 1794 aan de macht kwam dankzij het Azerbaidziaanse stamhoofd Mohammad Khan, die de Zand-dynastie omverwierp. De Kadjaren waren de één na laatste dynastie van de lange lijst die Perzië bestuurd hebben sinds de stichting van het rijk in de 6de eeuw voor Christus door Cyrus de Grote. Diens overlijdensjaar 530 v.Chr. wordt als stichtingsdatum gezien en in 1970 werd het 2500-jarig bestaan van het rijk gevierd.

Naser werd op 16 juli 1831 geboren in Teheran als zoon van Mohammed Mirza, die drie jaar later zelf shah zou worden. Op 17-jarige leeftijd, na het overlijden van zijn vader aan jicht, kwam Naser op de Zonnetroon en zou maar liefst 48 jaar het land besturen, wat de langste regeringsperiode van de moderne tijd en de twee na langste van de hele 2509 jaar dat het rijk bestaan heeft.

Het werd een niet al te turbulente periode, want Naser was geen erg hervormingsgezinde shah. De vele stammen binnen de Perzische grenzen hadden grotendeels hun zelfverklaarde autonomie, zodat de wetten van de shah en zijn regering nauwelijks buiten Teheran en Isfahan golden. Daarnaast had hij een rechterhand, Amir Kabir geheten, die zo ambitieus was in zijn hervormingen dat deze al in 1851 in een coup door de elite werd afgezet en vervolgens geëxecuteerd. Naser, die hevig steunde op diezelfde elite, aangevoerd door zijn eigen moeder, trachtte er nog het beste van te maken, maar uiteindelijk gaf hij toe aan een dictatoriale regeringsstijl.

In 1856 riskeerde hij oorlog met de Britten over Afghanistan en met name Herat, waar Naser een oogje op laten vallen. Het Brits-Indische leger was oppermachtig, veroverde een flink stuk van Perzië en na vijf maanden werd de vrede getekend en de grenzen van voor de oorlog hersteld. De relaties met Engeland waren daarna opperbest en driemaal bezocht Naser het land en werd door koningin Victoria zelfs als eerste Perzische monarch in de Orde van de Kousenband verheven. Dat gebeurde in 1873 en is rijk gedocumenteerd dankzij het reisdagboek dat de shah bijhield. In 1889 maakte hij zijn laatste Europese reis en deed daarbij ook Nederland aan. Hij bezocht Amsterdam, Den Haag en Haarlem.

Mi 19 uit 1876

Na de pogingen tot hervormingen in de eerste jaren van zijn bewind gebeurde er de volgende 45 jaar vrijwel niets meer van betekenis. In de laatste jaren gaf Naser concessies uit aan degenen die daar wat voor over hadden. Zo werd de tabaksindustrie in 1890 aan een Britse majoor verkocht, eerder was een groot deel van de infrastructuur en de mijnbouw in handen gekomen van de Duits-Britse journalist en ondernemer Paul Reuter, beter bekend als de grondlegger van het persbureau.

Het gebrek aan democratisch bestuur en het weggeven van concessies aan buitenlanders brak Naser ten slotte op. Op 30 april 1896 werd hij benaderd door Mirza Reza Kermani, een aanhanger van de radicale moslimleider al-Afghani, die hem, naar verluid met een roestig en nauwelijks werkend pistool van dichtbij neerschoot. De kogel trof desondanks doel en de shah overleed de volgende dag aan zijn verwondingen. Hij werd opgevolgd door zijn 45-jaar oude zoon Mozaffar ed-Din. Deze wist de gevluchte Kermani aan de Ottomaanse grens op te pakken, waarna deze op 10 augustus in Teheran werd opgehangen.

Tussen 1876 en 1903 verschenen er 49 zegels met het portret van Naser ed-Din, in de laatste jaren, na zijn dood, met overdruk. Deze 49 waren de enige die er met zijn portret verschenen.

Volgende keer gaan we naar Bhopal in India.