Berrío in Medellin (detail)

1875, de postzegel beleefde zijn 35ste verjaardag, er waren er inmiddels al bijna 3700 wereldwijd uitgegeven en de meeste staten van die dagen hadden al postzegels, net als veel van hun koloniën, vooral de Britse. Op 9 oktober 1874 was bovendien de Wereldpostvereniging (UPU) in Bern opgericht op voorspraak van de Duitse ‘Generalpostdirektor’ Heinrich von Stephan. De UPU beoogde standaardisatie van de posterijen wereldwijd en in 1875 werden de eerste landen lid, Nederland incluis.

In 1875 werden postzegels meestal door een regering voor een heel land uitgegeven, maar er waren uitzonderingen. Beieren en Württemberg bleven bijvoorbeeld na de creatie van het Duitse Keizerrijk tot 1920 eigen zegels uitgeven, hoewel de laatste dat na 1875 beperkte tot dienstzegels. Een ander land dat per deelstaat postzegels uitgaf was Colombia. Het ging om Bolivar (al sinds 1863), Antioquia, Cundinamarca en Tolima, later gevolgd door Santander en Boyaca. Deze postdiensten werden in 1904 gestaakt, maar in Santander verschenen tot 1907 nog postzegels.

De grote meerderheid van de postzegels toonde het wapen van Colombia, maar ook daar waren uitzonderingen op, zoals in Antioquia, die in 1875 de dat jaar overleden oud-gouverneur Pedro Justo Berrío afbeeldde.

Berrío werd op 28 mei 1827 geboren in Santa Rosa de Osos, een mijnstadje op zo’n 40 kilometer ten noorden van Antioquia’s hoofdstad Medellin. Zijn vader was koopman en onderwijzer en hoorde tot de elite van de stad, waardoor Pedro kon studeren. Het was eerst nog niet duidelijk wat voor carrière hij zou najagen, want hij studeerde zowel theologie als rechten, maar uiteindelijk werd het dat laatste, waarna hij in de voetsporen van zijn vader trad en ook koopman, onderwijzer en – in zijn geval – jurist werd.

Tijdens de studie was hij ook in aanraking gekomen met de politiek van die dagen. Hij koos voor het conservatieve kamp en in 1854 trad hij op als verzetsleider tegen de liberale generaal José María Melo, die in dat jaar een staatsgreep had gepleegd. Mede dankzij Berrío werd Melo verslagen waarna een conservatieve president werd gekozen. Dat bleef echter niet zo. De tegenstellingen tussen liberalen en conservatieven leidde zelfs tot een burgeroorlog tussen 1860 en 1862, die gewonnen werd door de liberalen. In 1863 werd een liberale grondwet geïntroduceerd, waar de conservatieve leiders van Antioquia zich sterk tegen verzetten, Berrío voorop. Na een felle strijd erkende de centrale regering Antioquia als een conservatieve staat binnen de Verenigde Staten van Colombia. Daarmee hield de strijd niet op, maar er was in ieder geval een soort van gewapende vrede.

Antioquia Mi 25

In 1865 werd Pedro Justo Berrío voor het eerst en zonder oppositie als gouverneur van Antioquia gekozen en na vier jaar ook herkozen. In deze periode deed hij veel aan de reorganisatie van zijn departement door de stichting van vele scholen en infrastructurele werken zoals een spoorwegverbinding tussen Medellin en de Rio Magdalena, de grensrivier met het departement Santander. Na het voltooien van deze spoorweg werd de nieuwe rivierhaven Puerto Berrío genoemd.

In 1873 eindigde zijn tweede en grondwettelijk laatste termijn van 4 jaar als gouverneur. Hierna werd hij rector van de Universiteit van Antioquia, waarvan hij nog een eerste botanische tuin organiseerde. Berrío overleed, slechts 47 jaar oud, op 14 februari 1875 in Medellin. In 1895 werd een centraal in de stad gelegen marktplein omgevormd tot het Parque Berrío. Daar is sinds die tijd ook een standbeeld van hem te vinden.

De postzegel ter ere van hem is de enige die zijn portret draagt.

Volgende keer volgen we de geschiedenis van een Duitse rederij, die zelfs eigen postzegels had.

 

 

Vorst Nikola van Montenegro in 1882

Het momenteel jongste land van Europa is Montenegro. Na het uiteenvallen van Joegoslavië in de eerste helft van de jaren 90 bleef er een soort rompstaat over bestaande uit Servië en Montenegro, die geregeerd werd vanuit Belgrado en formeel nog Joegoslavië heette. In 2003 werd de confederatie van Servië en Montenegro gesticht en werd de oude landsnaam verlaten. In 2005 volgde na een referendum de definitieve scheiding van tafel en bed en Montenegro is nu volledig zelfstandig. Het voerde de Euro als betaalmiddel in, werd lid van de NAVO en kandidaatlid van de EU.

Eeuwenlang werd Montenegro verdeeld tussen het kustgebied dat als handelsgebied van Venetië gold en het binnenland waar al sinds 1516 een Orthodox prins-bisdom bestond. De opvolging was erfelijk geregeld en aangezien bisschoppen niet mogen trouwen ging die vererving over van oom op neef. Dat bleef zo tot 1852, toen de een jaar eerder tot prins-bisschop gekroonde Danilo II besloot zijn kerkelijke functie neer te leggen, te trouwen en van Montenegro een prinsdom te maken, waarvan hij de regerend vorst werd. Het Ottomaanse Rijk, dat al sinds het begin van de 18e eeuw weinig te zeggen had in Montenegro, zag hierin een kans om alsnog de touwtjes in handen te nemen, maar Danilo bevocht met succes zijn onafhankelijkheid. Ook wist hij banden met Rusland, Oostenrijk en Frankrijk te smeden en onderhouden.

Op 1 augustus 1860 (volgens de Juliaanse kalender) werd Danilo vermoord toen hij aan boord wilde gaan van een ship in Kotor. De dader was een zekere Todor Kadic. Het motief was een oude familievete: de families van de prins en zijn moordenaar lagen al jaren met elkaar overhoop. Danilo wilde in 1854 een daad stellen en overviel het leefgebied van de Bjelopavlici-clan, waar Kadic lid van was, en liet zijn lijfwachten een veertigtal meisjes verkrachten, waaronder Kadic’s zus. De moord was dus een wraakoefening op de gebeurtenis van zes jaar eerder.

Met de dood van Danilo werd Nikola de nieuwe regerend vorst van Montenegro. Hij was een neef van zijn voorganger en geboren op 7 oktober 1841 (j.k.) in Njeguši, nu een stadswijk van Cetinje. Zijn vader was Mirko Petrovic, een oudere broer van Danilo. Nikola groeide op in Triest en studeerde later aan het Lycée Louis le Grand in Parijs. Daar was hij ook toen het nieuws van de moord op zijn oom bekend werd.

In 1862 waren het weer eens de Turken die aan de deur klopten bij Montenegro. Nikola was echter niet zo succesvol als zijn oom en moest delen van zijn land uit handen geven, maar ondertussen smeedde hij wel een alliantie met Servië om zich in het vervolg tegen de Turken te kunnen weren, wat uiteindelijk succes had. Dit samenwerkingsverdrag had officieel tot doel ‘de Servische volken te verenigen tegen de Turkse overmacht’. In 1876 leidde dit tot de Montenegrijns-Turkse oorlog, een van de deeloorlogen van de Russisch-Turkse oorlog. Montenegro was succesvol in deze oorlog, het verdriedubbelde zijn grondgebied en verdubbelde het aantal inwoners, maar gedeeltelijk ten koste van Oostenrijkse belangen, die dan ook bij de vredeonderhandelingen dwars lagen. Uiteindelijk wist Nikola op de Conferentie van Berlijn de erkenning van zijn staat door de grootmachten af te dwingen en het behoud van de juist veroverde havenstad Bar, terwijl andere delen weer bij Oostenrijk-Hongarije terug kwamen.

Mi 4 uit 1874

De periode van 1881 tot 1912 was er een van rust en vrede in Montenegro. Nikola regeerde als autocraat en deed er alles aan om zijn land op te stuwen in de vaart der volkeren, iets wat echter niet tot grote vooruitgang leidde: Montenegro bleef een van de minder ontwikkelde landen van Europa.

Nikola had twaalf kinderen, waaronder negen dochters, die hij onder andere uit wist te huwelijken aan de Romanovs. Zijn vijfde dochter, Jelena, trouwde met de Italiaanse kroonprins Victor Emmanuel, die vanaf 1900 koning zou zijn. Nikola werd in zijn tijd als de Vader van Europa gezien. Met deze reputatie had hij goede contacten in heel het werelddeel, zelfs met de Turken, aan wie hij in 1886 een verzoenend bezoek bracht.

In 1905 kreeg Montenegro voor het eerst een grondwet en een parlement, dat mee mocht denken met het beleid. Nikola bleef in deze constructie echter wel de eindverantwoordelijke, niet van plan iets van zijn autocratische bewind te laten varen. Dit leidde uiteraard tot botsingen met de nieuwe volksvertegenwoordiging dat vond, nu het er eindelijk was, ook daadwerkelijk het beleid wilde bepalen. Politieke fracties ontstonden en in de eerste jaren versleet Montenegro meerdere eerste ministers.

In 1908 kreeg Nikola de kans om zich te ontpoppen als dé leider van de Zuid-Slavische volken. Oostenrijk-Hongarije had besloten Bosnië en Hercegovina te annexeren en daarmee stond de dubbelmonarchie letterlijk aan de grens van Montenegro. In 1909 leidde dit tot een nieuwe alliantie met Servië, waar Nikola’s schoonzoon Peter I aan de macht was, maar waarmee de banden aanzienlijk verslapt waren.

Mi 71 uit 1907

In 1910 kwam (letterlijk) de kroon op het werk van Nikola: bij zijn gouden regeringsjubileum en onder het oog van vertegenwoordigers uit Servië, Griekenland, Italië, Rusland en Bulgarije werd hij in hoofdstad Cetinje tot koning gekroond. Voor die gelegenheid was er zelfs elektrisch licht aangelegd.

In 1912 sloot Montenegro zich aan bij Griekenland, Bulgarije en Servië in de Eerste Balkanoorlog tegen de Turken. Deze oorlog werd een groot succes en de Turken werden teruggedrongen tot aan hoofdstad Constantinopel, waarbij ook Montenegro zijn grondgebied weer mocht uitbreiden

Lang zou Montenegro niet van de nieuwe situatie kunnen genieten. De inmiddels 73-jarige koning Nikola was immers een bondgenoot van Servië en volgde Belgrado dus in de Eerste Wereldoorlog. De strijd tegen Oostenrijk was aanvankelijk succesvol en in Belgrado begon men al de filosoferen over een nieuwe Zuid-Slavische staat, na het verslaan van Oostenrijk-Hongarije. Nikola stond hier allerminst positief tegenover, maar veel tijd om daarover na te denken kreeg hij niet, want in 1915 veroverde het Oostenrijks-Hongaarse leger flinke delen van Montenegro en Nikola moest zijn land ontvluchten. Hij zou het nooit meer terugzien, het koninkrijk Montenegro hield op te bestaan en zou in 1918 zonder slag of stoot opgenomen worden in de Zuid-Slavische staat.

Nikola vluchtte via Italië naar Frankrijk, waar hij in Bordeaux een regering in ballingschap opzette, met als voornaamste punt Montenegro niet op te laten gaan in de nieuwe staat. Alleen Italië stond achter de zelfstandigheid van Montenegro, maar aan het eind van de oorlog, toen Oostenrijk-Hongarije op de knieën gedwongen werd, nam Servië het grondgebied van zijn voormalige bondgenoot in, verklaarde Nikola tot verrader en ontzegde hem de toegang tot zijn land. De oude hoofdstad Cetinje werd ingeruild door Podgorica, wat ook tegenwoordig nog de hoofdstad is.

Propagandaopdruk op nooit uitgegeven zegel, gemaakt in opdracht van de regering in ballingschap.

Tot zijn dood, op 2 maart 1921 in Antibes, bleef hij oppositie voeren tegen het Koninkrijk der Serven, Kroaten en Slovenen, waarna geen van zijn overlevende kinderen nog een claim erop legden. Zijn dochter Jelena liet hem in de Russische kerk in San Remo begraven. In 1989 werden zijn resten bijgezet in het familiegraf in Cetinje.

Op 19 april 1874 (volgens de Juliaanse kalender) verschenen de eerste zegels van Montenegro, tegelijkertijd met de opening van het eerste eigen postkantoor in het land. Van de bijna 100 zegels die verschenen zijn toont het overgrote deel het portret van Nikola, gedeeltelijk met opdrukken voor 400 jaar boekdrukkunst in Montenegro (1893) en het invoeren van de grondwet (1905). Alleen in 1896, bij het 200-jarig bestaan van de Petrovic-dynastie, kwam er een serie van 12 met een gezicht op de kloosters van Cetinje.

Volgende keer gaan we naar 1875 en de provinciale politiek van Colombia.

Radja Raghubir Singh van Jind (1834-1887)

In 1874 verschenen de eerste postzegels van Jind, een kleine Indiase staat – ongeveer 8 % van Nederland – op zo’n 120 kilometer van de huidige Indiase hoofdstad New Delhi. Naast de stad Jind zelf hoorde ook Sangrur, nog eens 120 kilometer verder en de eigenlijke hoofdstad er bij.

De staat was als onderdeel van het Maratharijk ontstaan in 1763, maar in 1809 ging het over in Britse handen, dit na de tweede oorlog tegen de Maratha’s. De staat werd geregeerd door een radja uit de Sikh-dynastie van Pulkhia, die ook in het nabijgelegen Patiala regeerde en in 1874 was dat de 40-jarige Raghubir Singh, deze had tien jaar eerder het ambt overgenomen van zijn overleden vader. Voor die tijd had hij samen met zijn vader gevochten tegen de rebellen van de Grote Opstand van 1857, die door de Britten hardhandig neergeslagen werd. India werd tot dan toe bestuurd door de Britse Oostindische Compagnie, maar deze werd opgeheven en de leiding werd overgenomen in Londen die de kolonie omvormde tot een rijk met, vanaf 1876, Victoria als keizerin. Ook in deze periode leverde Raghubir Singh een bijdrage aan de expansie van het Indiase rijk, zoals bijvoorbeeld in de Tweede Afghaanse oorlog. Hij mocht daarna de titel Raja-i-Rajgan dragen, een soort van ereradja.

Jind Mi 1, in een verbeterde druk van 1876 (bron)

Tijdens de regering van Raghubir Singh vonden veel hervormingen plaats ten behoeve van zijn onderdanen. Ook een eigen interne postdienst hoorde daartoe met postzegels. De eerste vijf verschenen in 1874. Tot een paar jaar voor het eind van Raghubirs leven en regering verschenen er 18, allemaal met hetzelfde motief, een omgekeerde hartvorm of andere vorm met in Urdu de waarde van het zegel en daarboven een letter R, het initiaal van de radja. De meeste zijn ongetand, aan het eind van de periode van eigen zegels kwamen er een paar getande uit. Alle zegels kwamen van een lithografische pers in Sangrur.

In 1885 sloot Jind een verdrag met de Britse Raj, waarna er alleen nog Indiase zegels met opdruk van de staatnaam (Jhind State en later ook Jind State) verschenen. Deze waren ook geldig voor post naar buiten Jind.

Na een regering van 23 jaar overleed Raghubir Singh op 7 maart 1887 en daarmee ging zijn titel over op zijn kleinzoon Ranbir Singh, die de laatste heerser van Jind zou zijn. Hij overleed kort na het uitroepen van de onafhankelijke staat India, in 1948.

Volgende keer duiken we laten we het aan de neven.