13 maart 1870 – Amerikaanse staatslieden (III)

Winfield Scott (Robert Walter Weir), Alexander Hamilton (Ezra Ames), Oliver Hazard Perry (Edward L. Mooney naar John Wesley Jarvis)

In het laatste deel komen nog drie bekende Amerikaanse staatslieden aan bod.

24 cents – Winfield Scott

In het vorige deel schreef ik al dat Winfield Scott in 1852 presidentskandidaat was, maar verslagen werd door de Democraat Franklin Pierce. Wie was deze Scott precies?

Winfield Scott werd op 13 juni 1786 geboren in Virginia als boerenzoon. Zijn vader, William Scott, was ook veteraan van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog, maar stierf, 44 jaar oud, toen Winfield 5 was.

Aanvankelijk studeerde hij voor jurist, maar zijn carrière zou in 1807 een heel andere wending nemen, toen hij gevraagd werd voor het leger. Dreiging van een oorlog met Engeland maakte dat president Thomas Jefferson er alles aan gelegen was een groot en competent leger te hebben. Scott werd kapitein van Lichte Artillerie en stond aan het begin van een 53-jarige succesvolle loopbaan in het leger.

De eerste grote inzet van Scott was in de Oorlog van 1812. Hoewel de oorlog voor hemzelf niet heel goed liep waren zijn inspanningen zodanig dat hij in 1814, nog geen 28 jaar oud, tot brigadier-generaal gepromoveerd was, de jongste tot dan toe in het Amerikaanse leger.

Na de oorlog had Winfield Scott een aantal bureaubaantjes in het leger, maar ook was hij de generaal van dienst in de oorlogen tegen de indianen. Dankzij zijn inzet werd hij in 1841 generaal-majoor. In de Mexicaanse oorlog leidde hij de aanval op Mexico-Stad en dit leidde, na een aantal gewonnen veldslagen, tot de overgave van de Mexicanen. De Hertog van Wellington, de grote winnaar van Waterloo, verklaarde Scott de grootste generaal van zijn tijd, een echte zwaargewicht. Dat was hij overigens ook letterlijk.

Al voor de Mexicaanse oorlog was Scott ook al politiek actief. In 1839 werd hij derde in de nominatie voor de Whigs, achter William Harrison en Henry Clay, die Scott ervan beschuldigde stemmen van hem afgesnoept te hebben. Tot een duel kwam het net niet: Clay bond in. Ook in 1848 werd de generaal gepasseerd, dit keer om collega Zachary Taylor te zien winnen. Bij de laatste poging, in 1852, werd Winfield Scott wel genomineerd, maar verloor met grote cijfers van Franklin Pierce en won slechts 4 staten.

In 1861 kwam, bij het begin van de Burgeroorlog, het einde van Scott’s militaire carrière. Hij was fysiek al niet meer in staat een leger te lijden vanwege zijn overgewicht en de daarmee samenhangende kwalen. Daarvoor in de plaats stelde hij kolonel Robert E. Lee voor als de leider van de legers van de Unie. De afscheiding van hun beider thuisstaat Virginia gooide echter roet in het eten. Scott was tegen afscheiding en als het erop aan kwam zou hij de Unie altijd blijven steunen. Lee daarentegen had helemaal geen zin om tegen zijn eigen staat te vechten en liep over naar de Geconfedereerden, waar hij de meest succesvolle generaal werd, die echter niet opgewassen was tegen de betere strategische en tactische kwaliteiten van Ulysses Grant.

Scott nam in december 1861 ontslag uit het leger, maar bleef wel aan als adviseur van Abraham Lincoln. Hij overleed op 29 mei 1866 op de Militaire Academie van West Point, waar hij woonde na het overlijden van zijn vrouw in 1862.

30 cents – Alexander Hamilton

Waar Benjamin Franklin de meest invloedrijke Amerikaan was die nooit president is geworden, was Alexander Hamilton een goede tweede.

Hamilton werd, volgens de meeste bronnen, op 11 januari 1757 geboren op het eiland Nevis in de Caribische Zee. Zijn vader was een ongetrouwde Schotse koopman, zijn moeder een meisje van het eiland. Op jonge leeftijd verhuisde hij met zijn moeder naar St. Croix, een van de toen Deense – nu Amerikaanse – Maagdeneilanden, zijn vader had partner en twee bij haar verwekte zonen toen al verlaten. Niet heel goede referenties om het ver te schoppen in die tijd, maar met de jonge Alexander ging het anders.

Hij werd op 14-jarige leeftijd klerk bij een bedrijfje dat handel dreef met New York en de toen nog Engelse koloniën daar. Hier werd hij voor het eerst opgemerkt als buitengewoon intelligent, maar formeel onderwijs was, gezien zijn staat als buitenechtelijk kind, uitgesloten. In 1772 vertrok hij dus naar Boston en vervolgens naar New York, waar hij de door zelfstudie verkregen kennis aanvulde en zich inschreef op King’s College. In 1782, 25 jaar oud, studeerde hij af.

Naast studeren was hij ook verbonden aan het leger, die de onafhankelijkheidsstrijd voerde tegen de Britse koloniale overheersing. Na een paar succesvolle veldslagen werd Hamilton tot de staf van George Washington toegelaten, waar hij als adjudant de gelouterde legerleider ondersteunde. Later voerde hij enkele keren zelf een bataljon aan.

In 1783, na de vrede van Parijs, kon Hamilton zich gaan wijden aan zijn praktijk in Albany. Daarnaast zette hij de Bank of New York op en herstelde het in 1776 gesloten King’s College onder de naam Columbia College. Zowel de bank als de school bestaan nog.

In 1787 was hij medeverantwoordelijk voor de nieuwe grondwet. Hoewel zijn eigen ideeën over de organisatie van de staat hier en daar haaks stonden op wat er uiteindelijk uitkwam, verdedigde hij de constitutie met verve: samen met toekomstig president James Madison en de invloedrijke John Jay produceerde hij een serie van 85 artikelen, bekend als de Federalist Papers.

Een van de uit de grondwet voortvloeiende zaken was de aanstelling van een president voor een periode van vier jaar. Zonder verdere verkiezingen werd George Washington de eerste president en die stelde zijn vroegere adjudant aan als minister van financiën. Hamilton zou tot 1794 minister blijven. In zijn ambt zag hij de opkomst van politieke partijen. Hij was zelf de eerste leider van de Federalistische Partij, die een centraal gezag voorstond, waar de Democratisch-Republikeinen van Madison en Jefferson dat nu juist niet wilden.

Een ander probleem waar Hamilton mee te maken kreeg was het verzet tegen zijn maatregelen om een begrotingstekort te dekken door het heffen van belastingen op onder andere sterke drank. Vooral de lokale whiskeystokers waren woedend, maar bonden in toen een invloedrijke groep onder leiding van Hamilton en president Washington zelf orde op zaken kwamen stellen.

De eerste ‘echte’ presidentsverkiezingen, dat wil zeggen met meer kandidaten dan alleen George Washington, vonden plaats in 1796. Hierin namen vicepresident John Adams en Thomas Jefferson het tegen elkaar op. Hamilton stelde achter de schermen alles in het werk om zijn favoriet Thomas Pinckney dan wel Adams (met wie hij overigens op slechte voet stond) verkozen te laten worden en was daarin succesvol: laatstgenoemde werd president. Tijdens Adams’ ambtsperiode voerden de VS onder leiding van o.a. Hamilton een kleine handelsoorlog uit met Frankrijk, die besloten werd in 1800 en waarin beide landen besloten zich voorlopig niet meer met elkaar te bemoeien.

In de presidentsverkiezingen van 1800 lukte de truc van Hamilton niet meer: opnieuw stonden Adams en Jefferson tegenover elkaar, maar de persoonlijke vete tussen Adams en zijn partijgenoot maakte dat de goed geoliede machine van Jefferson en Aaron Burr de Federalisten bij voorbaat kansloos liet.

Het was ten slotte diezelfde Aaron Burr die het leven van Alexander Hamilton beëindigde. De twee hadden inmiddels een jarenlange vete en in 1804 kwam deze tot een climax. De vicepresident had zich kandidaat gesteld voor het gouverneurschap van New York en tijdens een diner had Hamilton hem zodanig daarover aangevallen dat de woedende Burr hem uitdaagde voor een duel, hoewel dat fenomeen in de noordelijke staten feitelijk al verboden was. Hamilton nam het aan en op 11 juli 1804 stonden de twee tegenover elkaar met geladen pistolen. Alexander schoot eerst, maar miste, Aaron schoot echter raak en op 12 juli overleed Hamilton aan de gevolgen van de wond. Aaron Burr’s politieke carrière was daarmee over.

90 cents – Oliver Hazard Perry

De hoogste waarde van de serie ging naar marinekapitein Oliver Hazard Perry. Hij is daarmee de eerste niet-staatsman die geportretteerd werd op een Amerikaanse postzegel, afgezien van de zeelieden in het tafereeltje van Columbus’ landing in 1869.

Perry werd geboren op 23 augustus 1785 in de staat Rhode Island. De families van allebei zijn ouders waren ware zeerotten, dus het lag voor de hand dat ook Oliver naar zee zou gaan. Op 13-jarige leeftijd werd hij dan ook aangenomen als adelborst (officier in opleiding) op de USS General Greene, waar zijn vader het bevel op voerde. Binnen 10 jaar was hij zelf de bevelhebber.

Perry’s grote roem kwam in de Oorlog van 1812 toen hij op Lake Erie een Britse vloot tot overgave wist te dwingen. Dit gaf hem de bijnaam Hero of Lake Erie. Interessant was dat hij de Britten met eigen middelen versloeg, hij had immers zoals velen met hem de successen van Horatio Nelson in o.a. de Battle of Trafalgar bestudeerd en dat kwam dus goed te pas. Vanaf dat moment was Lake Erie in Amerikaanse handen en dat gaf ze een goede onderhandelingspositie op de Vrede van Gent.

Na de Oorlog van 1812 was Perry betrokken bij wat kleinere conflicten, zoals de Tweede Barbarijse oorlog, een conflict tussen de VS en Noord-Afrikaanse piraten en in 1819 was hij op een missie naar Venezuela om daar piraten te bestrijden. Het lukte hem om met Simon Bolivar een verdrag te sluiten dat Venezuela verplichtte de piraterij te onderdrukken, wat voor beide landen een goede uitkomst was.

Het bezoek aan Venezuela bekwam Perry om een andere reden echter slecht want zowel de kapitein als een flink deel van de bemanning liep Gele Koorts op en hoewel ze Trinidad nog trachtten te bereiken was het leven van een deel van de zieken, waaronder Oliver Perry zelf, niet meer te redden. Hij stierf op 23 augustus 1819, zijn 34ste verjaardag, toen zijn schip, de USS Nonsuch, voor de haven van Port of Spain lag.

Volgende keer kijken we door het oog van de tijger.

 

NB afbeeldingen van de zegels van usphila.com