Koning Milan I in de jaren 1880

Enige tijd geleden zagen we hoe het afliep met de vorst van Servië, Michaël III Obrenović: Hij werd neergestoken tijdens een rijtoer door de broers Kosta en Pavle Radovanović, die het autocratische bewind van de prins meer dan zat waren.

Michaël werd, omdat hij zelf geen kinderen had, opgevolgd door zijn nog geen 14-jarige achterneef Milan. Deze was op 22 augustus 1854 geboren in het Moldavische Mărăşeşti, een plaats in het tegenwoordige oosten van Roemenië van zo’n 13000 inwoners. Daar had een deel van de familie een goed heenkomen gezocht in de tijd dat in Servië de familie Karadjordjević aan de macht was. Zijn ouders scheidden al toen hij 2 was en vervolgens kwam zijn vader om in de Roemeense onafhankelijkheidsstrijd tegen de Turken. Hieruit kwam Alexander Ioan Cuza als winnaar uit tevoorschijn, waarna Roemenië als autonome staat verder ging. Milans moeder Marija was daar kennelijk zo van onder de indruk, dat deze al gauw de minnares van Cuza was. De kleine Milan had vervolgens ook geen moeder meer, zodat achteroom Michaël besloot Milan als zijn eigen kind op te voeden. Zo geschiedde en zo werd Milan dus de opvolger na de moord op Michaël. Als het aan de gewezen premier Ilija Garašanin had gelegen had hij persoonlijk de leiding op zich genomen, maar Michaëls minister van oorlog Milivoje Blaznavac dacht daar anders over, pleegde ten gunste van Milan een staatsgreep en stelde een regentschap onder leiding van hemzelf in. Ook kwam er een nieuwe grondwet, die niet veel beter was dan de eerdere en die mogelijk de oorzaak was van twee aanslagen op het leven van de prins.

Servië Mi 14 met Milan op 14 jarige leeftijd

Op 22 augustus 1872 werd Milan 18 en meerderjarig verklaard. Zijn eerste jaren als regerend prins leunde Milan grotendeels op het leger, maar hij bleek wel een talentvol bestuurder. In 1875 brak in het zwaar onder het Ottomaanse juk levende Bosnië-Hercegovina een opstand uit, die zo hard vanuit Constantinopel werd onderdrukt, dat Milan, die zich er eerst niet in wilde mengen, in juni 1876 de oorlog verklaarde aan de Turken. Dit leverde hem grote populariteit in de regio op en de Russen stonden bovendien te springen om hem te helpen. Helaas leidde de onervarenheid van het leger tot een grote nederlaag en Servië mocht zich gelukkig prijzen dat de situatie van voor de oorlog hersteld werd. Dat was ook het meeste dat de Turken wilden bieden, want enige hervorming in Bosnië-Hercegovina kwam er niet, met als gevolg dat een maand na het sluiten van de vrede de Russen zelf de Ottomanen de oorlog verklaarden. Nu kwamen de Russen niet de Serviërs helpen maar de Serviërs waren wel een factor in de uiteindelijk in 1878 gewonnen strijd, die de kaart van de Balkan flink veranderde: Bosnië-Hercegovina kwam onder bestuur van Oostenrijk-Hongarije te staan, Bulgarije werd een autonome staat en Roemenië en Servië werden volledig onafhankelijk. Op grond van de Vrede van Berlijn mocht Milan zich koning gaan noemen en enige jaren later, op 6 maart 1882 werd Servië dus officieel een koninkrijk. Prins Milan IV werd koning Milan I.

In 1875 was Milan getrouwd met de adellijke Roemeense Natalia Keşco, die van moederszijde verwant was aan Milan. Een gelukkig huwelijk werd het niet en er kwam slechts één kind van, kroonprins Alexander. Verder hield Milan het met een aantal minnaressen, waarvan de meest opmerkelijke de Amerikaanse Clara Frewen was, een tante van Winston Churchill. Dit maakt Milan in de jaren 80 niet erg geliefd. Daar kwam nog bij dat hij uitgesproken pro-Oostenrijks was en de regering liever met de Russen samenwerkte. Als klap op de vuurpijl verloor Servië ook nog een korte oorlog tegen Bulgarije, dat door de verovering van en het samengaan met Oost-Roemelië een steeds gevaarlijker factor op de Balkan leek. Dankzij de inmenging van keizer Franz Josef kon erger worden voorkomen, maar voor Natalia was het genoeg. In 1886 werd de scheiding van tafel en bed definitief en de koningin vertrok naar Wiesbaden, mét Alexander. In 1888 wist Milan zijn zoon weer terug naar Servië te krijgen. In het begin van 1889 werd een nieuwe liberale grondwet afgekondigd en op 6 maart van dat jaar trad Milan af, ten gunste van de 12-jarige kroonprins. Nadat de ex-koning de regentschap voor zijn zoon geregeld had vertrok naar Parijs, maar bleef tot 1892 invloed op het bestuur uitoefenen. In dat jaar werd hem vriendelijk verzocht niet meer naar Servië terug te keren tenzij Alexander ziek zou worden.

Servië Mi 25 uit 1880

In 1893 besloot de jonge koning het recht in eigen hand te nemen en zijn regenten naar huis te sturen. Dit maakte in 1894 de weg vrij voor zijn vader om terug te keren. De grondwet van 1869 werd heringevoerd en er was mogelijk zelfs sprake van een verzoening tussen Milan en Natalia, maar toen deze in 1895 naar Belgrado terugkeerde, vertrok Milan spoorslags het land weer uit, om pas in 1897 weer terug te keren. In dat jaar kreeg hij van Alexander de eervolle titel van opperbevelhebber van het Servische leger, een taak die hij met verve uitvoerde.

Servië Mi 232 uit 2007

Toen in 1900 Alexander trouwplannen had met een hofdame van Natalia, Draga Mašin, schoot dat Milan zodanig in het verkeerde keelgat dat hij voor de laatste keer Servië verliet. Op 11 februari 1901 overleed de ex-koning, 46 jaar oud, in Wenen, waarschijnlijk als gevolg van een longontsteking. Twee jaar later kwamen Alexander en Draga om tijdens een aanslag. Het Huis Obrenović kwam daarbij definitief ten einde. Natalia zou zich bekeren tot het Rooms-Katholicisme en non worden. Ze overleed in 1941 in Saint-Denis bij Parijs, bijna 82 jaar oud.

De eerste postzegels met het portret van Milan verschenen ruim een jaar na zijn aantreden, een serie van 8 zegels in waardes van 1 tot 50 Para. Deze werden gevolgd door een tweetal ongetande zegels in 1872. Op 1 november 1880 kwam er een serie van 6 bij met waardes tot 1 Dinar. Alleen in 2007 verscheen er nog een zegel met zijn portret voor de 125ste verjaardag van een door Milan met de Japanse keizer Meiji gesloten handelsverdrag.

De laatste nieuwkomer van de jaren 60 komt uit België, volgende keer het veelbesproken leven van koning Leopold II.

Jesurun post Mi 2 (bron)

In 1864 kwamen de eerste postzegels uit ten behoeve van de pakketdiensten tussen La Guaira in Venezuela en het Maagdeneiland Saint Thomas. Hierover heb ik vorig jaar al eens geschreven. Ook kwam daar de op Curaçao gevestigde rederij van Jacob Abraham Jesurun (1806-1875) ter sprake, die in 1867 het contract van Venezuela overnam.

In april 1869 kwamen hier ook postzegels voor uit, in de waardes van ½ real in groen en 2 reales in rozerood, volgens de Venezolaanse munteenheid, die algemeen geaccepteerd werd op het postvervoer in het Caribisch gebied. Beide zegels tonen een scheepje, dat is ‘herkend’ als Jesuruns vlaggenschip de SS Honfleur.

De Honfleur, waar geen afbeeldingen van bekend zijn, werd in Millwall gebouwd. Millwall was een voorstadje van Londen op de noordoever van de Thames en bekend om zijn ijzer- en scheepbouwindustrie. De Millwall Iron Works ontstonden in 1824 uit een fusie van kleinere scheepsbouwers en metaalbedrijven en waren het grootste bedrijf in die sector in de Londense regio. Tot 1866 wisselde de werf meermalen van eigenaar en in die tijd was de ondernemer John Hughes verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van wat nu de Millwall Iron Works, Ship Building & Graving Docks Company heette. Hughes kon echter het faillissement van de werf als gevolg van de economische crisis van 1866 niet voorkomen en wist alleen de oorspronkelijke Iron Works te behouden. In 1870 vestigde hij zich in Rusland om daar zijn bedrijven voort te zetten op een door de Russen beschikbaar gesteld stuk land aan de Kalmius-rivier. Het plaatsje bij de fabrieken werd ter ere van Hughes Yuzovka genoemd. In 1924 werd het inmiddels tot stad gebombardeerde Yuzovka in een eerste vlaag van Stalins persoonsverheerlijking hernoemd tot Stalino en in 1961 kreeg het zijn huidige naam Donetsk, tegenwoordig in Oekraïne, maar onder bestuur van de Volksrepubliek Donetsk.

Om terug te keren naar de scheepswerf: op 12 oktober 1865 werd de Honfleur, genoemd naar het aardige Franse badplaatsje tegenover Le Havre aan de Seinemonding, te water gelaten en op 28 november kwam het in dienst van de London, Brighton & South Coast Railroad Co, een in die dagen snelgroeiende spoorwegmaatschappij in het zuiden van Engeland. Het was de bedoeling dat de scheepvaart een goede aanvulling van het spoorbedrijf zou worden, maar ook hier gooide de crisis roet in het eten en de Honfleur kwam al na enkele jaren te koop te staan. In 1868 werd Jacob Jesurun zodoende de nieuwe eigenaar en kreeg het zijn nieuwe thuishaven in Willemstad.

Lang heeft de Honfleur niet meer gevaren, in 1870 waren er al problemen in de relatie met de instabiele republiek Venezuela. De Honfleur zou uiteindelijk nog tot 1873 dienstdoen, al was het vrijwel niet meer op het post- en pakketvervoer op de Caribische Zee. In juni 1873 kwam er een einde aan het schip. Op de terugreis van Maracaibo naar Willemstad, moest kapitein Neuman aanleggen op het strand van Aruba vanwege een lek en dat bleek niet meer te repareren. Aan een korte, maar roemruchte geschiedenis was een einde gekomen…

De volgende keer keren we terug naar Servië, waar een nieuwe vorst aan de macht kwam.

 

De SS Adriatic, tekening van Charles Parsons (1821-1910)

In het eerste deel schreef ik hoe de uitgifte van deze serie tot een milde opleving van de burgeroorlog leek te leiden. Nadat de regering van Ulysses Grant een half jaar na de uitgifte besloten had de serie te vervangen leek de lucht geklaard en bleef het woord aan de filatelisten. Die kregen zeker waar voor hun geld, zeker voor wat de plaatjes betreft. Ook de tweekleurendruk van een paar zegels was tot dan toe nog niet vertoond.

12 cents – De SS Adriatic

USA Mi 31

Een opmerkelijke keuze was voor de SS Adriatic, maar toch ook weer niet zo gek. Deze pakketboot werd in 1857 in de vaart gezet door de New York & Liverpool United States’ Mail Steamship Company, maar beter bekend als de Collins Line, naar de oprichters Israel en zijn zoon Edward Knight Collins. Israel G. Collins had het bedrijf in 1818 al opgezet en vanaf 1848 werd een contract verkregen om post over de Atlantische Oceaan te vervoeren, mede om tegenwicht te bieden aan de succesvollere Britse Cunard Line. Het leek een succes te worden, want Collins’ schepen waren groter en voeren een stuk sneller de oceaan over, maar om dit te bereiken was veel meer brandstof nodig en dit leidde al na een paar jaar tot grote verliezen op de exploitatie. Daarnaast vergingen twee van de schepen met honderden doden tot gevolg, waaronder Edward Collins’ vrouw en dochter: de Arctic ging in 1854 ten onder na een botsing met een ander schip nabij Newfoundland en van de Pacific werd niets meer vernomen nadat deze in januari 1856 uit Liverpool vertrokken was.

De Adriatic was een laatste en vergeefse poging om het bedrijf weer levensvatbaar te maken na de rampen die het getroffen hadden. Het was met zijn 4145 ton het grootste schip wat tot dan toe gebouwd was en kwam van de helling bij de scheepswerf van W.H. Brown in New York. Het schip zou uiteindelijk maar één reis voor Collins maken, want in februari 1858 werd het faillissement getekend. De Adriatic werd net als de oudere Baltic verkocht aan de Britse North Atlantic Steam Ship Company en in 1871 doorverkocht aan een Afrikaanse reder die er kolen mee vervoerde. Het liep in 1885 aan de grond in het huidige Nigeria en toen bleek dat zij absoluut niet zeewaardig meer was werd de Adriatic afgebroken.

Hoewel trager, bleek de Cunard Line wel succesvoller: het bedrijf uit 1840 vaart, tegenwoordig met cruiseschepen, nog steeds de wereld rond.

15 cents – Columbus’ landing

Columbus’ landing (John Vanderlyn, 1847)

Tweekleurige zegels hadden we nog niet eerder gezien. Het was ook niet te makkelijk om in twee kleuren te drukken, want alles moest nog in twee drukgangen gedaan worden. Geen wonder dat er bij deze zegels ook de eerste kopstaande middenstukken voorkwamen.

USA Mi 32

Het beeld was van een van de heldenverhalen van het Amerikaanse continent, de landing van Columbus en zijn bemanning op het eiland met de naam Guanahani, een van de Bahama’s of wellicht de oostelijker gelegen Turks- en Caicoseilanden. Het was 12 oktober 1492. We zien een naar de hemel opkijkende Columbus met het vaandel van Castilië en Aragón, ook de broers Pinzon dragen vaandels: Martin kijkt een beetje misprijzend naar beneden, Vincent wat meer op de achtergrond. Alonzo de Ojeda, die in werkelijkheid niet eens mee was op de eerste reis, staat iets terzijde en staart, met een geweer over zijn schouder, wat dromerig voor zich uit. Matrozen verbazen zich over wat ze vinden op het strand, exotische schelpen? Rechts de nieuwsgierige, maar ook bange en/of argwanende opvallend blanke en naakte eilandbewoners (die overigens naar de mores van die dagen van het zegelbeeld verdwenen zijn).

Het werk, dat in het Capitool in Washington hangt, is van John Vanderlyn (1775-1852) en is een van de weinige schilderijen die een realistisch beeld proberen te schetsen van de landing, zoals die geweest zou kunnen zijn. Het berust uiteraard zwaar op fantasie, portretten van de zeevaarders waren er niet en het was ook nog niet gebruikelijk om kunstenaars in je bemanning op te nemen, zoals later Johan Maurits van Nassau naar Brazilië deed met Frans Post. De logboeken van Columbus geven ook geen opheldering over wat er nou precies en vooral waar gebeurde.

Zeker is dat het schilderij van Vanderlyn, die ondanks deze mooie opdracht, die hij vijf jaar voor zijn dood voltooide, in armoede stierf, nog diverse malen op postzegels gereproduceerd is.

24 cents – Declaration of Independence

The Declaration of Independence (John Trumbull, 1819)

Een ander schilderij dat vele malen op postzegels is afgebeeld is dat van de Declaration of Independence, gemaakt door John Trumbull (1756-1843). Trumbull was van oorsprong soldaat in de legers van Washington en bekeerde zich in 1780 tot de kunst. Hij wijdde zich bijna volledig aan de vastlegging van de hoogtepunten van de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd. In 1817 was de Onafhankelijkheidsverklaring op 4 juli 1776 aan de beurt en in 1819 was het schilderij voltooid, waarna het in 1826 een plek kreeg in het Capitool.

USA Mi 33

De gebeurtenis in de Independence Hall in Philadelphia is uiterst nauwkeurig vastgelegd en alle 47 getoonde personen zijn met naam en toenaam bekend. Dat waren overigens niet alle ondertekenaars van de verklaring, 14 personen komen op het schilderij niet voor, terwijl er 5 wel op staan, maar niet hun handtekening hebben gezet, zoals de staande man achter de tafel, secretaris Charles Thomson.

Het zou te ver gaan om de namen van de afgebeelde personen te noemen, verreweg de meeste van hen is in Europa niet of nauwelijks bekend. De meest bekende personen staan vóór de tafel: links John Adams, later ambassadeur in de Nederlanden en president, tweede van rechts Thomas Jefferson en rechts naast hem Benjamin Franklin.

Ook dit is een uiterst nauwkeurige gravure van James Smillie, die ook de 12 en 15 cents voor zijn rekening nam. Ondanks het minieme formaat zijn veel details van het schilderij nog te herkennen.

90 cents – Abraham Lincoln

Tot slot en bedoeld als eerbetoon op de hoogste waarde van de serie, zien we Lincoln. Ook dit werd niet gewaardeerd, want deze zegel werd vanwege zijn waarde nauwelijks gebruikt. In de serie van 1870 komt Lincoln terug op de 6 cents, en Washington waar hij volgens velen hoorde, op de 3 cents.

Die serie, die 5 nieuwe Amerikaanse persoonlijkheden toonde, bespreek ik later.  Volgende keer een kort stukje over het stoomschip Honfleur.

Trumbull’s schilderij werd nog vele malen gebruikt voor postzegels

Afgebeelde zegels uit deze serie alle van http://www.usphila.com