Vrouwe Justitia

In de loop van meer dan 175 jaar zijn er niet alleen frankeerzegels verschenen maar allerlei soorten postzegels. Het dichtst bij frankeerzegels staan luchtpost- en expressezegels, die in de Duitse Michel-catalogus dan ook onder de hoofdnummers gerangschikt worden, maar in de Franse Yvert & Tellier standaard onder aparte kopjes worden vermeld. Andere categorieën zijn de portzegels, die rond 1870 voor beginnen te komen om de adressant te bewegen het door de afzender niet of minder betaalde porto alsnog en met toeslag te voldoen. Ook zijn er dienstzegels, bedoeld om in de frankering van officiële instanties te voorzien. In Nederland zijn die er nog altijd voor het Internationaal Hof van Justitie, gesymboliseerd door het Vredespaleis in Den Haag.

Fiscale zegels van Bolivia Mi 1 en 2 (ebay)

Een wat afwijkende categorie zijn fiscale zegels. Tot voor niet zo lang geleden meden ‘echte’ filatelisten die als de pest, want niet te gebruiken voor het versturen van post, maar doorgaans om aan te geven dat er belasting betaald was. In Nederland heb je ze in allerlei soorten, maar de bekendste zijn de legeszegels die vroeger op gemeentelijke documenten werden geplakt om aan te geven dat de kosten voor het aanmaken van een paspoort, rijbewijs of welk officieel stuk voldaan waren.

Andere landen gingen daar wat vrijer mee om. Sommige Engelstalige gebieden bijvoorbeeld hebben jarenlang zegels uitgegeven met inschrift ‘postage and revenue,’ kortom ze konden voor beide gebruikt worden. Maar daar bleef het niet bij, want uit onderzoek bleek dat er in sommige landen ook zegels waren, bedoeld als fiscaal zegel, maar die wel postaal gebruikt mochten worden! Vandaar dat de meeste fiscale zegels niet, maar sommige wél in de postzegelcatalogi terecht gekomen zijn (en ze zijn het onderling absoluut niet eens wat er nu wel of niet bij hoort).

De Egyptische godin Maät (bron)

Wie de eerste was met deze postaal gebruikte fiscale zegels? Geen idee, maar de eerste die ik tegenkom in mijn Michelcatalogus is Oostenrijk in 1857, in 1863 gevolgd door Tasmanië. In 1868 volgt Bolivia. Tot voor kort meende men dat deze pas in 1870 verschenen, maar ik zie ze nu staan op 13 juni 1868. Daarmee zet het Zuid-Amerikaanse land zich op plek 3, Natal in 1869 naar 4 verwijzend.

Waar in de meeste landen een gebruikelijk ontwerp (zoals cijfer of koningin Victoria) gekozen werd was Bolivia op zijn minst origineel met de keuze van het ‘zinnebeeld der gerechtigheid’ oftewel Vrouwe Justitia, getooid met blinddoek, weegschaal en zwaard.

Weegschalen op een Italiaanse zegel uit 1946 (Mi 698) en een Franse uit 1900 (Mi 87)

In de Romeinse mythologie is Iustitia een nogal jonge godin: zijn de meeste Romeinse goden in de eerste eeuwen na de stichting van de stad Rome (753 v.Chr) ontstaan, Iustitia is pas door keizer Augustus aan het goddelijk arsenaal toegevoegd. Hij gaf haar een plaatsje op zijn ceremoniële schild. Hij baseerde zich daarbij op Egyptische en Griekse voorbeelden. In de Egyptische mythologie kende men bijvoorbeeld Maät, een tot godin geworden symbool dat stond voor onder andere rechtvaardigheid en kosmische orde. De Griekse tegenhangers van Iustitia zijn de Titane Themis en een van haar dochters (met Zeus) Dikè. De laatste trad als de godin van het recht op als een van de Horae, waarbij haar directe zusters Eunomia en Eirene respectievelijk de wetgeving en de vrede bewaakten.

Hoewel je het wel verwacht komt Justitia niet al te vaak voor op postzegels en de Boliviaanse versie mag zeker tot de betere ontwerpen gerekend worden: hier staat Justitia precies op zoals ze hoort te zijn. Het voornaamste attribuut, de weegschaal, zien we met grotere regelmaat terug, zoals op welbekende Italiaanse en Franse postzegels.

Volgend jaar ga ik 1869 in.

President Jan Brand van Oranjevrijstaat

Een gevleugelde uitspraak van een van de invloedrijkste politici in Zuid-Afrika in de tweede helft van de 19e eeuw. Voor de volledigheid, de persoon in kwestie zei: “Alles sal reg kom as ons almal ons plig doen.”  Alles komt goed als we allemaal maar ons best doen.

Nee het was niet Paul Kruger die het zei, maar – één generatie eerder – de president van Oranjevrijstaat, Johannes Henricus Brand, roepnaam Jan. In 1863 werd hij verkozen als vierde president van het land dat zich in 1854 los had gemaakt van de Britse overheersing van de Kaapkolonie. Hij zou tot zijn dood in 1888 aan de macht blijven.

Al vanaf het einde van de 17e eeuw waren er boeren die rond Kaapstad gevestigd waren, die ‘verderop’ wat meer vrijheid zochten en als pioniers de binnenlanden van Zuidelijk Afrika in trokken. De VOC-verversingsplaats, in 1652 gesticht door de Culemborgse arts en koopman Jan van Riebeeck, groeide al binnen 50 jaar uit zijn voegen, dus waarom niet? Tot het einde van de 18e eeuw groeide de Kaapkolonie uit tot een gebied dat ongeveer een derde van het huidige Zuid-Afrika besloeg. Toen kwam echter de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aan zijn eind en in het kielzog daarvan ook de failliete VOC. De opvolger, de Bataafse Republiek, werd op zijn beurt in 1806 vervangen door het geheel van Frankrijk afhankelijke Koninkrijk Holland en eveneens in 1806 stelde Napoleon het Continentaal Stelsel in zijn hele rijk dus inclusief Holland. Dat betekende dat handel met Engeland verboden was en Engelse producten geboycot werden, maar in Londen zat men uiteraard niet stil en alle koloniën van de voormalige Republiek werden ingenomen. Zo verloren we de Kaapkolonie en Ceylon definitief, en kregen we Suriname en Indië na veel gesoebat na de Franse tijd weer terug.

Andries Potgieter

Het nieuwe bestuur in Kaapstad was de boeren niet erg welgezind en na verloop van jaren kwamen er steeds meer stemmen op om nieuwe, Nederlandstalige staten te stichten, ver weg van de Britse overheersing. De grote voorman van de Boeren in die tijd was Andries Hendrik Potgieter, die samen met andere ‘bekenden’ uit de na 1900 her en der gestichte Transvaalbuurten, zoals Gerrit Maritz en Piet Retief, naar het noordoosten trok om het ideaal gestalte te geven. De tocht, die de geschiedenisboeken is ingegaan als de Grote Trek, begon in 1835 en kende hoogte- en dieptepunten. Veel van de Boeren, die zich Voortrekkers gingen noemen, kwamen door ziektes en vijandelijkheden van de inheemse bevolking om, maar Potgieter slaagde in zijn opzet en in 1836 stichtte hij de nederzetting Winburg, in het noorden van de Oranjevrijstaat. Later trok hij de Vaalrivier over en stichtte de republiek Potchefstroom, waar hij de eerste president werd. Piet Retief trok over de Drakensbergen en wist in het huidige Natal een schijnbaar gunstige overeenkomst met koning Dingaan van Zoeloeland te sluiten, maar het wantrouwen van de Zoeloekoning was daarmee niet weg en Retief en zijn kameraden werden omgebracht tijdens de viering van het gehoopte verdrag.

In 1840 hadden de Voortrekkers zich dus gevestigd in de Zuidafrikaansche Republiek (in de wandeling Transvaal genoemd) en Oranjevrijstaat. In de naar Andries Pretorius vernoemde stad Pretoria werd ter herinnering aan de Grote Trek in 1949 het enorme Voortrekker Monument onthuld.

Wapen en vlag van Oranjevrijstaat

Oranjevrijstaat was niet vanaf het begin onafhankelijk: in 1848 werd het zelfs onder Brits bestuur gesteld als de Orange River Sovereignty, met als hoofdplaats het net gestichte Bloemfontein, maar in 1854 werd het alsnog als een autonome republiek erkend. Dat betekende dat er dingen als een wapen en een vlag moesten komen. De vlag was in alles een verwijzing naar de Nederlandse roots: zeven afwisselend wit en oranje banen met in de linkerbovenhoek ons eigen rood-wit-blauw. Een wapen werd zelfs in Nederland ‘besteld’ en de eerste versie werd gemaakt door niemand minder dan koning Willem III: de drie jachthoorns die in het wapen voorkomen zijn nog overgebleven van zijn ontwerp, dat verder drastisch veranderd is.

Centraal in het wapen staat de boom op een eilandje, samen met drie schaapjes en een oranje leeuw. De boom is een vrijheidsboom, maar in alternatieve versies aangekleed als oranjeboom, met vruchten. Verder zien we een Voortrekkerskar, waarmee de Boeren hun hebben en houwen over de vlakten trokken.

De aangeklede versie van de boom stond, samen met de jachthoorns, ook centraal op de eerste – en uiteindelijk alle – postzegels van Oranjevrijstaat. Ze werden gemaakt door De La Rue in Londen, die ook de eerdere zegels van de Kaap produceerde. Dat de zegels zo’n lange staat van dienst hadden was zeker een verdienste van Jan Brand, die in de Eerste Boerenoorlog in 1880 zijn land wijselijk neutraal hield en een voor Transvaal gunstige vrede uit het vuur wist te slepen. Zodoende kwamen er geen Engels-georiënteerde ontwerpen op de markt.

Oranjevrijstaat Mi 1 en 17 uit 1868 resp 1894

Na de dood van Brand kwam Oranjevrijstaat meer onder invloed van Transvaal te staan en gingen er stemmen op om de republieken samen te voegen tot een geheel. Dat gebeurde niet, maar een eerdere gebeurtenis, in 1885, legde wel de kiem voor een nieuwe oorlog: de vondst van goud aan de Witwatersrand  – de Zuid-Afrikaanse munteenheid Rand dankt er zijn naam aan – en de daarmee gepaard gaande migratiestromen. In 1899 brak de Tweede Boerenoorlog uit omdat de Engelstalige goudzoekers, gesteund vanuit Kaapstad, meer rechten wilden. Ditmaal moesten Oranjevrijstaat en Transvaal hun meerdere erkennen in de Britse suprematie. In 1910 gingen de voormalige republieken op in de Unie van Zuid-Afrika met als bestuurlijke hoofdstad Pretoria.

De laatste Zegelgek van 2017 gaat terug naar Bolivia.

Wapen van Bolivia op een regeringsgebouw in Sucre (eigen foto)

Een van de meest bijzondere steden in Zuid-Amerika is het Boliviaanse Potosí. Ooit was het de zilverstad van het Spaanse wereldrijk en dat vanwege de vondst van een zilverader in de Cerro Potosí, beter bekend als Cerro Rico (‘rijke berg’) in de vroege jaren 40 van de 16e eeuw.

Al in 1545 werd er een mijnwerkersnederzetting aan de voet van de berg gebouwd en deze groeide in de volgende eeuw uit tot een van de grootste steden van Zuid-Amerika met uiteindelijk zo’n 200.000 inwoners. Maar een klein deel daarvan was werkzaam in de mijnen, de andere inwoners waren vooral ‘facilitair’ bezig. Gezien de hoogte – met ca. 4000 meter kan Potosí claimen de hoogstgelegen stad ter wereld te zijn! – is enige vorm van landbouw immers onmogelijk en alles moest dus vanuit vruchtbaarder streken naar de stad verhandeld worden.

Casa de Moneda in Potosí, links de voorgevel, midden het ‘logo’, rechts de binnenplaats (eigen foto’s, klik voor vergroting)

In 1572 begon de bouw van de Casa Real de la Moneda: in plaats van het zilver rechtstreeks voor bewerking naar Spanje te brengen werden er ter plekke munten van geslagen. Men vermoedt dat zeker driekwart van Piet Hein’s zilvervloot, welke hij in 1628 op de Spanjaarden veroverde, uit materialen bestond die in Potosí gedolven waren. Dat was ondertussen niet alleen zilver meer: in de loop van de volgende eeuwen werden ook lood, koper, wolfraam, tin en zink gevonden en gedolven.

De Cerro Rico torent hoog uit boven de rechtbank van Potosí (eigen foto)

In het begin van de 19e eeuw kwam de mijnbouw tot een abrupt eind vanwege de onafhankelijkheidsoorlogen en uitputting van de mijnen. De Spanjaarden namen zo’n beetje alles mee wat ze nog konden vinden, Potosí achterlatend als een arme stad, waar nog maar zo’n 10.000 mensen woonden. Sindsdien heeft de stad zich aardig kunnen herstellen en tegenwoordig is het een levendige plaats met veel koloniale architectuur en 140.000 inwoners. De mijnbouw maakt nog maar een klein deel van de nijverheid van de stad uit, er worden vooral mineralen gedolven voor verzamelaars en toeristen vinden hun weg in de stad en in de publiekelijk opengestelde mijnen. Ook Zegelgek mocht, in 1998, het genoegen smaken in Potosí te verblijven. Toen stond de stad met de mijnen inmiddels al weer elf jaar ingeschreven op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.

Munt van 50c uit 1991, ook hierop het wapen.

De eerste verschijning van Potosí (lees de Cerro Rico) op een postzegel was in 1868. Sinds jaar en dag immers is de berg het hoofdonderdeel van het wapen van Bolivia en daarin goed herkenbaar.

Bolivia Mi 10 uit 1868 met 9 sterren (ebay).

 

Dit wapen bestaat naast de Cerro Rico uit wat kleinere onderdeeltjes. Allereerst is daar de zon die boven de top staat. Op de zegels staat deze linksboven, naast de top. Dit is een variant die in 1851 vastgelegd werd als officieel wapen. Verder is er een alpaca op de berg. Wat hij daar te zoeken heeft is puur symbolisch want op deze hoogte is er geen hap te eten. Een derde onderdeel is iets wat op een kerkje lijkt, maar in feite de toegang tot de mijn symboliseert. Ten slotte vinden we nog een korenschoof en een broodboom, symbolen van welvaart, maar op de postzegels zijn deze moeilijk of niet te zien.

Rondom het schild stonden in 1868 negen sterren, staande voor de departementen van het land. Dit veranderde al gauw naar elf, maar na de oorlog met Chili en Peru rond 1880 verloor Bolivia zijn verbinding met de kust en waren het er weer negen. Tegenwoordig staan er tien sterren bij het wapen. Dit wordt verder ondersteund voor zes vlaggen aan zes speren, twee kanonnen, vier geweren en een Incabijl en bovenop zetelt een condor in een krans. In de laatste versie zijn er twee geweren verdwenen en is er een Frygische muts bij gekomen.

Mi 226 (1933), Mi 20 (1878), Mi 39 (1894), Mi 125 (1923), Mi 102 (1916), Mi 26 (1891), Mi 22 (1887, 11 sterren) en Mi 113 (1919)

In 1866 begon het in Bolivia met een wat gestileerde condor, maar vanaf 1868 was er dus voor het eerst het wapen. Tot 1897 kwam het op ieder zegel voor, maar in dat jaar kwam er een serie beroemdheden uit met alleen één waarde met het wapen. In 2001 kwam het wapen voor het laatst in een serie postzegels met drie historische versies.

Volgende keer ga ik sinaasappels plukken in Zuid-Afrika.

De sfinx met de piramide van Chefren (Adrie Steenbrink, 1989)

Van de piramides is inmiddels vrij veel bekend. Voor wie ze gebouwd zijn en waarom, door wie en waarmee, het is goed te plaatsen en voor te stellen.

De sfinx in 1867 (Félix Bonfils)

Anders is het met de sfinx. Dit mysterieuze wezen is veel lastiger te duiden. Ook over de ouderdom gaan wilde discussies tussen egyptologen, archeologen en vooral geologen.

Wie of wat is de sfinx? Een mensenkop op een leeuwenlijf en dan van enorme afmetingen, 73 meter lang, 20 meter hoog en zes meter breed. Wat breder dan een gemiddelde eengezinswoning zoals waar Zegelgek in woont, maar dan wel ook twee keer zo hoog en zeven keer zo lang.

Mi 11 uit 1867

De sfinx ligt voor de piramide van Chefren, naast de daarbij horende dodentempel. Het leeuwenlichaam is, maar het zich laat aanzien, gevormd uit een al duizenden jaren eerder gevormde rotspartij. Volgens sommigen, zoals met name John Anthony West *), zou de sfinx al zo’n 12.000 jaar geleden uitgehouwen zijn door vroeg Egyptische beschavingen. West ging hierbij uit van de verticale groeven in de steen, die volgens hem gevormd waren door langdurige regenval in die periode. Of deze beschavingen zich al van de mythologie bedienden van de farao’s en hun onderdanen lijkt echter wel twijfelachtig, dus de vorming van de beeltenis zoals hij nu is kan het beste toegeschreven worden aan de tijdgenoten van farao Chefren.

Mi 17 en 15 uit 1872

De meeste egyptologen gaan ervan uit dat de mensenkop opdrachtgever Chefren voorstelt, maar bewijzen hiervoor zijn niet te vinden. Anders dan bij de veelvuldig in hiëroglyfen beschreven piramides is er van de sfinx namelijk geen enkele geschreven bron uit die tijd. Alles is dus giswerk, ook over hoe het enorme beeld gemaakt is. Het uithouwen van het tamelijk precies geproportioneerde hoofd met de primitieve gereedschappen van toen moet welhaast vele jaren geduurd hebben. Wel lijkt het zo te zijn dat tot in de Romeinse tijd er beschermende steenlagen zijn aangebracht om de simpele reden dat toen ook al bekend was dat kalksteen makkelijk erodeert.

De sfinx vanuit het noorden gezien (Adrie Steenbrink, 1989)

Nadat de Romeinen Egypte verlaten hadden bleven de piramides en de sfinx alleen achter. Tot ver in de 19e eeuw was alleen de kop zichtbaar. Pas zo’n 140 jaar geleden werden de eerste uitgravingen gedaan van de steenmassa en de tempelstructuren die we nu kennen. Toen was de neus van de sfinx allang verdwenen. Deze zou in de 14e eeuw door een moslimfundamentalist afgehakt zijn toen hij merkte dat lokale boeren zich tot het beeld richten voor een goede oogst. Alle bekende afbeeldingen van vroege reizigers geven een neusloos beeld.

Mi 38 uit 1888

De eerste postzegels met de sfinx en een piramide kwamen op 1 augustus 1867 uit en laten een tamelijk getrouwe beeltenis van de grote kop zien. Het lijkt wel een gecomponeerd beeld te zijn, want de plaatsing van de piramide is vreemd en stelt zeker niet die van Chefren voor (deze heeft een ‘hoedje’), maar waarschijnlijk Cheops. Wie de zegels ontworpen en gedrukt heeft is niet bekend, maar vermoedelijk is er een Europese (Italiaanse) drukker betrokken geweest. Dat is wel anders bij de tweede uitgifte uit 1872. Deze toont een geografisch betere plaatsing van de sfinx en de piramide van Cheops, maar de druk komt duidelijk uit Egypte zelf, een eerste oplage in steendruk werd gemaakt bij drukkerij V. Penasson in Alexandrië, een tweede oplage in boekdruk kwam van Bulaq in Cairo. Vanaf 1879 komen er nieuwe zegels uit met een gemodificeerd plaatje, gebaseerd op de zegels van 1872. Hierin heeft de sfinx een echt menselijk gezicht gekregen met duidelijke ogen en een neus, mogelijk naar aanleiding van de uit- en opgravingen in die jaren, waarbij ook de eerste speculaties werden gedaan hoe de sfinx er 4300 jaar eerder uitgezien zou kunnen hebben.

Fujeira Mi 52 uit 1966

Mi 48 uit 1914

Tot 1914 bleef deze afbeelding gemeengoed. In dat jaar verscheen een nieuwe serie waarin ook andere Egyptische monumenten een plaats kregen. In deze serie zien we de sfinx voor het eerst zonder piramides, zoals hij later nog vele malen is afgebeeld.

Piramides en sfinxen, ze hebben samen met de andere grote werken in Egypte, voor een belangrijk deel de aantrekkelijkheid van Egyptische postzegels bepaald. Nog regelmatig komen nieuwe zegels uit, zoals in 2015 nog een zegel voor de 150ste verjaardag van de ITU waarop het drietal (zonder sfinx) te ziens is. De laatste sfinxzegel is uit 2012, wel samen met de piramides, maar dan met het beeld achter die van Menkaure.

De volgende keer gaan we 1868 in.

Zegels uit 1993 en 1994 (vlnr Mi 1783, 1818, 1758)

 

*) West was naast geoloog en auteur van fictie en non-fictie ook nog astroloog en werkte samen met Jan Gerhard Toonder, met wie hij in 1970 Het astrologisch argument uitbracht.