13 juli 1866 – Vorst Michaël III Obrenović

Michaël III Obrenovic ca 1860 (Johan Besa)

Op de Balkan heersten eeuwenlang twee rijken, het Habsburgse en het Ottomaanse. In de 19e eeuw kwam daar langzamerhand verandering in. Een aantal prinsdommen waren er onder de vlag van de een of de ander min of meer zelfstandig geworden. Roemenië kwam kortgeleden aan de beurt, nu het woord aan Servië.

Servië had zich in 1817 na twee revoluties los gevochten van eerst de Oostenrijkse en daarna de Turkse bezetters. Het was een kleine autonome staat geworden met hoofdstad Belgrado, tevens de belangrijkste grensstad tussen de twee grootmachten. De echte macht werd nog wel in Constantinopel uitgeoefend.

In 1815 werd Servië als vorstendom ingericht en Miloš Obrenović werd de eerste regerende prins. Hij werd daarmee de opvolger van zijn grote rivaal in de revolutie Djordje Petrović alias Karadjordje (Zwarte Joris) en dat had behoorlijke gevolgen voor Servië in de loop van de 19e eeuw.

Servië Mi 1 uit 1866 (bron)

Na een regering van 24 jaar werd Miloš met vervroegd pensioen gestuurd en de troon ging over op zijn oudste zoon Milan, die echter aan tuberculose leed en daar na ruim drie weken aan bezweek. De tweede zoon, Michaël, kwam zodoende op de troon.

Michaël werd op 16 september 1823 geboren in Kragujevac, gelegen in het zuiden van het toenmalige vorstendom. Hij kreeg een normale opleiding in Pozarevac, een stadje op zo’n 50 kilometer van Belgrado. Daarna vertrok hij met zijn moeder naar Wenen.

Op bijna 16-jarige leeftijd werd hij plotseling naar de troon geroepen na de dood van zijn oudere broer. Hij was nauwelijks voorbereid en daar maakte de rivaliserende familie Karadjordjević dankbaar gebruik van. Een oude medestander van Karadjordje, Toma Vucić Perisić (1787-1859), pleegde in 1842 een coup ten gunste van Karadjordje’s jongste zoon Alexander. Michaël trok zich terug in de Banaat, een voornamelijk door Hongaren bewoond gebied in het huidige grensgebied van Noord-Servië en West-Roemenië.

Alexander was een ambitieus leider, die met goedkeuring van Rusland en het Ottomaanse Rijk hervormingen wist door te voeren. In 1848 stond hij aan het hoofd van de in Belgrado weinig succesvolle revolutie. Toen hem gevraagd werd om in de Krimoorlog deel te nemen aan de kant van de Fransen en de Turken weigerde hij en koos voor de Russen. Dit kwam hem op afzetting te staan in 1858 en hierdoor kwam de familie Obrenović weer aan de macht.

Het was niet Michaël die de troon overnam, maar zijn oude vader Miloš. Deze overleed op 80-jarige leeftijd in 1860 en daarmee begon de tweede regeringsperiode van Michaël. Dit keer was hij beter voorbereid en meer ervaren.

Michaël regeerde als een verlicht despoot. Het parlement liet hij in zijn regeerperiode slechts 3 keer bijeenkomen. Ondanks dat was hij redelijk succesvol en zijn voornaamste wapenfeit was het bewerkstelligen van de terugtrekking van het Turkse garnizoen, een proces dat in 1867 voltooid werd met de feestelijke overdracht van de sleutels van de vesting Belgrado door de Turkse gouverneur . Toch zette Michaëls autocratische bewind kwaad bloed en in het bijzonder bij de broers Radovanović, van wie de advocaat Ljubomir (1834-1868) sinds 1865 wegens opruiing in de gevangenis zat. Zijn broers Kosta en Pavle zetten uit wraak een samenzwering op en op 10 juni 1868 benaderden zijn het rijtuig waarin Michaël, zijn minnares Katarina Konstantinović en diens moeder Anka Obrenović (Michaëls volle nicht) door het Košutnjak-park ten zuiden van Belgrado reden. De beide broers wisten de prins en Anka dodelijk te verwonden. Katarina raakte licht gewond. Michaël werd opgevolgd door zijn achterneef Milan, die in 1882 de eerste koning van het onafhankelijke Servië werd.

Mi 732, uitgegeven 13 april 2017 (bron)

De eerste postzegels van Servië kwamen op 13 mei 1866 uit en toonden het wapen van het vorstendom. Deze waren er in de waardes 1 en 2 Para, bedoeld als krantenzegels. Al gauw werden ook zegels voor de gewone post noodzakelijk en op 13 juli (1 juli volgens de in Servië nog gebruikte Juliaanse kalender) verschenen zegels van 10, 20 en 40 Para met het portret van de prins, in 1867 gevolgd door de kleine waarden voor kranten. Totaal zijn er tot Michaëls dood 8 zegels in vijf waardes, op verschillende soorten papier en in verschillende tandingen of ongetand verschenen. De eerste oplage kwam uit Wenen, de latere zegels op dun papier en met grove tanding 9 ½ werden in Belgrado geproduceerd.

Anders dan zijn vader, die als de bevrijder van Servië wordt gezien, verscheen Michaël bijna niet meer op postzegels. Het ruiterstandbeeld dat in Belgrado op het Plein van de Republiek staat zien we op een postzegel van Joegoslavië uit 1991, bij de 125ste verjaardag van de Servische postzegels en in het voorjaar van 2017 kwam er een zegel uit met een stadsgezicht van Belgrado en een velletje ter herdenking van het vertrek van de Turken uit Belgrado, 150 jaar eerder. Op het eerste, hier afgebeelde zegel, zien we het ruiterstandbeeld.

Volgende keer gluren bij de buren, van Servië om precies te zijn.