Michaël III Obrenovic ca 1860 (Johan Besa)

Op de Balkan heersten eeuwenlang twee rijken, het Habsburgse en het Ottomaanse. In de 19e eeuw kwam daar langzamerhand verandering in. Een aantal prinsdommen waren er onder de vlag van de een of de ander min of meer zelfstandig geworden. Roemenië kwam kortgeleden aan de beurt, nu het woord aan Servië.

Servië had zich in 1817 na twee revoluties los gevochten van eerst de Oostenrijkse en daarna de Turkse bezetters. Het was een kleine autonome staat geworden met hoofdstad Belgrado, tevens de belangrijkste grensstad tussen de twee grootmachten. De echte macht werd nog wel in Constantinopel uitgeoefend.

In 1815 werd Servië als vorstendom ingericht en Miloš Obrenović werd de eerste regerende prins. Hij werd daarmee de opvolger van zijn grote rivaal in de revolutie Djordje Petrović alias Karadjordje (Zwarte Joris) en dat had behoorlijke gevolgen voor Servië in de loop van de 19e eeuw.

Servië Mi 1 uit 1866 (bron)

Na een regering van 24 jaar werd Miloš met vervroegd pensioen gestuurd en de troon ging over op zijn oudste zoon Milan, die echter aan tuberculose leed en daar na ruim drie weken aan bezweek. De tweede zoon, Michaël, kwam zodoende op de troon.

Michaël werd op 16 september 1823 geboren in Kragujevac, gelegen in het zuiden van het toenmalige vorstendom. Hij kreeg een normale opleiding in Pozarevac, een stadje op zo’n 50 kilometer van Belgrado. Daarna vertrok hij met zijn moeder naar Wenen.

Op bijna 16-jarige leeftijd werd hij plotseling naar de troon geroepen na de dood van zijn oudere broer. Hij was nauwelijks voorbereid en daar maakte de rivaliserende familie Karadjordjević dankbaar gebruik van. Een oude medestander van Karadjordje, Toma Vucić Perisić (1787-1859), pleegde in 1842 een coup ten gunste van Karadjordje’s jongste zoon Alexander. Michaël trok zich terug in de Banaat, een voornamelijk door Hongaren bewoond gebied in het huidige grensgebied van Noord-Servië en West-Roemenië.

Alexander was een ambitieus leider, die met goedkeuring van Rusland en het Ottomaanse Rijk hervormingen wist door te voeren. In 1848 stond hij aan het hoofd van de in Belgrado weinig succesvolle revolutie. Toen hem gevraagd werd om in de Krimoorlog deel te nemen aan de kant van de Fransen en de Turken weigerde hij en koos voor de Russen. Dit kwam hem op afzetting te staan in 1858 en hierdoor kwam de familie Obrenović weer aan de macht.

Het was niet Michaël die de troon overnam, maar zijn oude vader Miloš. Deze overleed op 80-jarige leeftijd in 1860 en daarmee begon de tweede regeringsperiode van Michaël. Dit keer was hij beter voorbereid en meer ervaren.

Michaël regeerde als een verlicht despoot. Het parlement liet hij in zijn regeerperiode slechts 3 keer bijeenkomen. Ondanks dat was hij redelijk succesvol en zijn voornaamste wapenfeit was het bewerkstelligen van de terugtrekking van het Turkse garnizoen, een proces dat in 1867 voltooid werd met de feestelijke overdracht van de sleutels van de vesting Belgrado door de Turkse gouverneur . Toch zette Michaëls autocratische bewind kwaad bloed en in het bijzonder bij de broers Radovanović, van wie de advocaat Ljubomir (1834-1868) sinds 1865 wegens opruiing in de gevangenis zat. Zijn broers Kosta en Pavle zetten uit wraak een samenzwering op en op 10 juni 1868 benaderden zijn het rijtuig waarin Michaël, zijn minnares Katarina Konstantinović en diens moeder Anka Obrenović (Michaëls volle nicht) door het Košutnjak-park ten zuiden van Belgrado reden. De beide broers wisten de prins en Anka dodelijk te verwonden. Katarina raakte licht gewond. Michaël werd opgevolgd door zijn achterneef Milan, die in 1882 de eerste koning van het onafhankelijke Servië werd.

Mi 732, uitgegeven 13 april 2017 (bron)

De eerste postzegels van Servië kwamen op 13 mei 1866 uit en toonden het wapen van het vorstendom. Deze waren er in de waardes 1 en 2 Para, bedoeld als krantenzegels. Al gauw werden ook zegels voor de gewone post noodzakelijk en op 13 juli (1 juli volgens de in Servië nog gebruikte Juliaanse kalender) verschenen zegels van 10, 20 en 40 Para met het portret van de prins, in 1867 gevolgd door de kleine waarden voor kranten. Totaal zijn er tot Michaëls dood 8 zegels in vijf waardes, op verschillende soorten papier en in verschillende tandingen of ongetand verschenen. De eerste oplage kwam uit Wenen, de latere zegels op dun papier en met grove tanding 9 ½ werden in Belgrado geproduceerd.

Anders dan zijn vader, die als de bevrijder van Servië wordt gezien, verscheen Michaël bijna niet meer op postzegels. Het ruiterstandbeeld dat in Belgrado op het Plein van de Republiek staat zien we op een postzegel van Joegoslavië uit 1991, bij de 125ste verjaardag van de Servische postzegels en in het voorjaar van 2017 kwam er een zegel uit met een stadsgezicht van Belgrado en een velletje ter herdenking van het vertrek van de Turken uit Belgrado, 150 jaar eerder. Op het eerste, hier afgebeelde zegel, zien we het ruiterstandbeeld.

Volgende keer gluren bij de buren, van Servië om precies te zijn.

Pedro II in 1887, door Alphonse Liébert (1827-1913)

Keizerrijken zijn altijd vrij dun gezaaid geweest. Op het ogenblik is alleen Japan nog een keizerrijk, in 1866 waren het er ook niet zoveel: Rusland, Frankrijk, China, Japan, Korea, Ethiopië, Oostenrijk-Hongarije, Perzië, Annam (Vietnam) en… Brazilië. Oké, er was er in 1866 nog eentje, waar ik het binnenkort nog over heb, maar dat duurde maar 3 jaar en het Duitse keizerrijk stond in 1866 nog in de steigers en zou in 1871 uitgeroepen worden.

Het Braziliaanse keizerrijk bestond van 1822 tot 1889, ook niet zo’n heel lange periode. Waar het grootste deel van Zuid-Amerika republiek werd, bleef Brazilië onder leiding staan van een lid van het Huis Bragança, waaronder het land al sinds 1640 viel. In 1807 was koningin Maria I met de hele hofhouding verhuisd naar Rio de Janeiro om te ontsnappen aan de Napoleontische oorlogen. Zij overleed in 1816 en werd opgevolgd door haar enig overlevende zoon João VI. Hoewel hij het geen bezwaar zou vinden om vanuit Brazilië te regeren keerde hij in 1821 toch terug naar Portugal en stelde zijn zoon Pedro aan als regent, maar in het kielzog van de revoluties overal op het continent besloot die Brazilië de onafhankelijkheid te schenken en er zelf keizer van te worden.

Mi 26 (1866)

In 1826 overleed João VI en hij had geen opvolger aangewezen, aangezien zijn beide zonen uit de gratie waren geraakt. Pedro regeerde formeel 6 weken over Portugal en stelde toen zijn dochter Maria II als koningin aan, onder de voorwaarde dat die met haar oom Miguel zou trouwen. Miguel had echter andere plannen, eiste het koningschap van Portugal op en stelde Pedro voor een dilemma. In 1831 besloot hij voor Portugal te kiezen om de troon van zijn dochter te verdedigen. Hij zou nooit meer terugkeren naar Rio, want in 1834 overleed hij aan de gevolgen van tuberculose, 36 jaar oud.

Mi 28 (1866)

Pedro had in 1831 zijn nog maar 5 jaar oude zoontje Pedro junior als regent op de troon van Brazilië gezet. Hij werd op 2 december 1825 geboren in het Sint Christoffelpaleis (Paço de São Cristóvão) in Rio de Janeiro, een in 1803 gebouwd landhuis, dat in 1807 door de rijke koopman Elias António Lopes ter beschikking was gesteld aan kroonprins João. Deze had het in 1819 laten verbouwen tot koninklijk paleis. Na het afschaffen van het keizerrijk werd het paleis in 1892 bestemd tot Nationaal Museum en dat is het nog steeds.

Mi 37 (1878)

Tot zijn meerderjarigverklaring in op 23 juli 1840 stond Pedro onder toezicht van een bonte verzameling regenten van divers politiek allooi, die geen richting kon geven aan het bestuur van het land. Bijna een jaar later, op 18 juli 1841, volgde de kroning. Het afschaffen van het regentschap was een zegen voor Brazilië, het volk en ook de meeste politici hadden gezag voor de keizer, ook al was hij nog maar jong. Een periode van rust en voorspoed brak dan ook aan.

Nog voor zijn 18e verjaardag was hij getrouwd met de Napolitaanse prinses Teresia Cristina, dochter van Francesco I van de Twee Siciliën. Het was een gearrangeerd huwelijk en Pedro was aanvankelijk niet erg blij met zijn kleine, licht gezette en zeker niet knappe bruid. Later werd de verstandhouding beter, maar wat belangrijker was, de Brazilianen waren gek op haar. Ze kregen samen 4 kinderen waarvan de dochters Isabel en Leopoldina de volwassen leeftijd behaalden. Isabel werd later regent voor haar vader bij zijn afwezigheid – hij reisde veel – en schafte in zijn naam de slavernij af. Het proces van de geleidelijke emancipatie van de slaven was overigens pas in 1888 voltooid.

Mi 42 (1877)

Pedro was, net als zijn vrouw, zeer populair bij het volk. Hij was net zo min een liberaal als een autocraat, werkte goed samen met de politici van dienst, ook al stonden ze soms zijn plannen met Brazilië in de weg. Hierom verwierf hij zich de bijnaam ‘o Magnânimo’ (‘de goedmoedige’).

Naast zijn rol als staatshoofd had Pedro bijzonder veel plezier in cultuur en wetenschap. Zijn boekenverzameling was enorm, zijn talenkennis groot: hij schreef en sprak 12 talen waaronder het Zuid-Franse Occitaans en de indianentaal Guarani. Hij was de eerste fotograaf van Brazilië met een in 1840 aangekochte camera en correspondeerde met vele bekende schrijvers en wetenschappers als Friedrich Nietzsche, Louis Pasteur en Victor Hugo. In de voetsporen van Peter de Grote en Napoleon werd hij tot lid benoemd van de Franse Academie van Wetenschappen.

Mi 48 (1881)

In 1864 raakte Brazilië in oorlog met Paraguay. Dit land was uitgegroeid tot een zelfverklaarde belangrijke macht en wilde gebruik maken van de eeuwige ruzie tussen Brazilië en Argentinië over Uruguay. Dictator Solano López hoopte Uruguay aan zijn kant te krijgen om via dat land concessies te krijgen voor een eigen zeehaven en zodoende Argentinië en Brazilië tegen elkaar uit te spelen. Een mislukt plan, want Uruguay kreeg een regering die vrede met zijn buurlanden nastreefde en als gevolg daarvan kwam Paraguay tegenover een coalitie van drie landen te staan. Op zich was Paraguay een militair sterk land, maar tegen deze overmacht was geen kruid gewassen. In 1870 werd de vrede getekend en Paraguay als een verwoeste natie achtergelaten. Pedro kwam zich in 1866 hoogstpersoonlijk aan het front melden, wat zijn populariteit alleen nog maar vergrootte.

Na alle gloriejaren kwam na 1881 het verval. De toen 56-jarige keizer begon in toenemende mate te twijfelen over hoe het verder moest met Brazilië. Een mannelijke opvolger had hij niet en hij vond zijn enige nog levende dochter Isabel niet geschikt om het grote rijk te leiden. Bovendien liet zijn gezondheid hem in toenemende mate in de steek, maakte hij een vermoeide en overwerkte indruk en liet steeds vaker doorschemeren dat hij zijn kroon aan de wilgen wilde hangen. Dit was natuurlijk koren op de molen van de republikeinse beweging die rond 1870 was ontstaan. Tot dan toe waren ze geen factor van betekenis, maar in 1884 wisten ze voor het eerst een paar zetels in Braziliaanse Huis van Afgevaardigden te veroveren.

In 1889 klapte het keizerrijk in elkaar. De republikeinse beweging, hoewel niet betrokken bij de actieve politiek, bleek groter te zijn dan gedacht. Daar hadden zich namelijk ook invloedrijke koffieboeren bij aangesloten, nog steeds woedend over de afschaffing van de slavernij. Delen van het leger waren ook aangetast en op 15 november 1889, kort na terugkeer van een reis door Europa, merendeels om artsen te raadplegen en vrienden en kennissen te bezoeken, werd de staatsgreep gepleegd die van Brazilië een republiek maakte. De keizer deed geen moeite om zijn troon terug te nemen.

Mi 510 (1939)

Pedro, Teresa, een deel van de hofhouding en wat naaste vrienden gingen in goed overleg naar hun verbanningsoord Porto, waar Teresa kort na kerst overleed. Pedro zelf woonde de laatste jaren van zijn leven in Parijs, waar hij nog altijd een graag geziene gast met veel vrienden was. Eind november 1891 liep hij na een rijtoer door de stad een longontsteking op. Hij overleed 3 dagen na zijn 66ste verjaardag, op 5 december. Hij werd bijgezet in het familiegraf nabij Lissabon. In Brazilië kwam het volk in opstand na het horen van het nieuws. De nieuwe republikeinse regering had immers een aantal vrijheden die Pedro had ingesteld, zoals de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, weer ingetrokken. Door in ieder geval hun best te doen de monarchisten niet tegen zich in het harnas te jagen wist de regering de rust voor enige tijd te bewaren. Sommige republikeinen wilden Pedro zelfs hun grote voorbeeld maken. Uiteindelijk, in 1921, leidde dit sentiment ertoe dat de resten van Teresa en Pedro terug naar Brazilië werden gehaald. Ze zijn bijgezet in de kathedraal van het naar Pedro I en II vernoemde Petrópolis, waar het paar een zomerverblijf had.

Na 23 jaar van uitsluitend cijferzegels was het middenin de Paraguayaanse Oorlog dat er voor het eerst postzegels met het portret van Pedro kwamen. Er waren twee soorten van, een in halfprofiel, waarbij de dan 40-jarige keizer nog een zwarte baard heeft en een in profiel, waarbij dat niet te zien is. Deze zegels kwamen uit New York, net zoals alle uitgiftes voor 1881. Tot 1884 waren alle zegels voorzien van zijn portret, daarna ging het meer variëren.

Als zeer gewaardeerde persoonlijkheid is Pedro II ook in de republiek nog met enige regelmaat afgebeeld, net als zijn vader, die als bevrijder wordt gezien.

De postzegel-puzzelstukjes van de Balkan worden langzamerhand aangelegd, daarover de volgende keer.

 

Eerste bekende foto van Lincoln, ca 1860

Er wordt soms druk gespeculeerd in postzegelland wat de eerste herdenkingspostzegel is geweest. Sommigen noemen het portret van prins Edward van Engeland in New Brunswick in 1860, omdat hij in dat jaar Canada bezocht, anderen wijzen fijntjes op een in 1871 uitgegeven locomotiefje in Peru, die voor de 20ste verjaardag van de lokale spoorwegen zou zijn. Inderdaad, de vermelding van het begin- en eindpunt van het lijntje, Chorrillos, een wijk van Lima, en Callao, de belangrijke havenstad, maken het een verdacht goede kandidaat. Maar misschien een betere keuze is de Amerikaanse 15 cents zegel met het portret van de een jaar eerder vermoorde president Lincoln.

VS Mi 657 uit 1954

Ja het was een zwarte dag in de Amerikaanse geschiedenis, Goede Vrijdag 14 april 1865. Vijf dagen eerder, Palmzondag 9 april 1865, werd de laatste slag van de Amerikaanse Burgeroorlog uitgevochten bij de Appomattox Courthouse, middenin de staat Virginia. De verliezende generaal Robert E. Lee gaf zich na de slag over aan zijn tegenstander Ulysses S. Grant, waarmee de oorlog tot een einde was gekomen na vier jaar felle strijd. De Verenigde Staten konden de wonden likken en de president, Abraham Lincoln, had wat te vieren.

Lincoln werd op 12 februari 1809 geboren in het plaatsje Hodgenville in Kentucky, zo’n 200 kilometer van het Fairview waar Jefferson Davis een jaar eerder het levenslicht zag. Abraham’s grootvader, ook Abraham geheten, was een landeigenaar die in 1780 van Virginia naar Kentucky verhuisd was, maar hij stamde op zijn beurt uit Pennsylvania en daarvoor hadden de Lincolns zich gevestigd in het in 1635 gestichte Hingham in Massachusetts. De puriteinse wever Samuel (en iets eerder zijn broer Thomas), was een van de vele immigranten die uit het in Norfolk gelegen plaatsje Hingham kwamen, waarschijnlijk als religieuze vluchtelingen, puriteinen waren in die dagen nog niet erg geliefd in Engeland. Vóór Samuel en Thomas zijn de Lincolns nog generaties lang terug te vinden in Norfolk, voordat het spoor rond 1400 doodloopt bij een zekere Adam de Lincoln.

Rwanda Mi 97 uit 1965

Op 7-jarige leeftijd verhuisde Abe met zijn ouders, broer en zus naar Indiana, dat in december van dat jaar 1816 de 19e staat van de Verenigde Staten werd. De familie zou tot 1830 in Indiana blijven en verhuisde toen naar Illinois, waar Abraham zijn vader hielp een nieuwe boerderij op te zetten en allerlei baantjes uitvoerde voor hij in 1834 jurist werd. Een bijzondere, dat wel, want een schoolopleiding had de jongeman niet genoten en alle kennis kwam uit de boekenkast van het gezin. Intelligent was hij dan ook zeker.

Suriname NVPH 424 uit 1965

Nadat hij een aantal dames het hof had gemaakt kwam het huwelijk van de inmiddels 33-jarige plattelandsjurist op 4 november 1842. De uitverkorene was Mary Todd, met wie hij vier zoons kreeg, waarvan er slechts één, de latere minister van oorlog Robert Todd Lincoln, de volwassen leeftijd bereikte. Mary kwam ook uit Kentucky. Saillant detail was dat haar (half)broers in de Burgeroorlog alle aan de kant van de Confederatie stonden.

In dezelfde periode ging Lincoln, op aanraden van zijn nieuwe echtgenote, ook de politiek in. Hij koos voor de Whigs, die met name stonden voor een door de overheid gestimuleerde markteconomie, in tegenstelling tot de Democraten die achter de landeigenaren en plantagehouders stonden. De president namens de Whigs was in die dagen John Tyler, die het ambt van William Harrison, overleden in de eerste maand van zijn presidentschap, overgenomen had. Tyler was echter uit de partij gegooid en de nieuwe Whig-kandidaat werd Henry Clay, een gelouterd politicus, die twee maal vergeefs een gooi deed naar het Witte Huis. Lincoln werd goed bevriend met Clay en voerde in 1844 campagne voor hem, maar de Democraat James K. Polk werd de nieuwe president.

De partij begon echter steeds meer scheuren te vertonen. Oud-generaal Zachary Taylor wist zijn nominatie in 1848 nog wel waar te maken, maar hij was wel de laatste Whig-president, want daarna viel de partij uiteen om een issue dat meer en meer ging spelen: de legitimiteit van slavernij. Gevolg was dat in 1854 de Republikeinse Partij werd opgericht, met naast het oude economische gedachtegoed een sterke voorkeur van de afschaffing van de slavernij. Lincoln, die van huis uit tegen het houden van slaven was, werd één van de kaderleden. In een speech in Peora, Illinois, later dat jaar, zette hij zijn argumenten tegen slavernij voor het eerst in het openbaar uiteen.

Togo Mi 374 uit 1963 herdenkt de afschaffing van de slavernij

De presidentsverkiezingen van 1856 werden een harde strijd tussen voor- en tegenstanders van de slavernij. De gematigde Democraat James Buchanan won uiteindelijk, maar zijn presidentschap werd een nachtmerrie, omdat de discussie binnen de partij steeds heftiger en furieuzer werd en hij zich niet wilde vervreemden van kiezers met welke mening ook. Dat Lincoln in 1860 dan ook met gemak won lag in het bijzonder aan de verdeeldheid van de tegenstanders. Kort na de verkiezing van de 16e president gooide de staat South Carolina de lont in het kruitvat en scheidde zich formeel af. In februari 1861, nog voor de inhuldiging van Lincoln, waren de Geconfedereerde Staten van Amerika geboren. Later dat voorjaar brak de Burgeroorlog uit.

Na een aanvankelijk gelijke strijd werd het in 1863 duidelijk dat de legers van George G. Meade uit het industriële noorden beter voor de dag kwamen dan de zuidelijke van Robert E. Lee, die op zich een betere tacticus was. In de Slag bij Gettysburg werd het voordeel van het noorden duidelijk, in deze slag, die begin juli geleverd werd, kwam de opmars van de zuidelijke legers definitief tot staan.

Lincoln tijdens de Gettysburg Address (Honduras Mi 570 uit 1959)

In de tussentijd was Lincoln begonnen zijn belangrijkste agendapunt uit te rollen: de emancipatie van de slaven: op 1 januari 1863 vaardigde hij een proclamatie uit waarin gesteld werd dat in de nabije toekomst de slavernij verleden tijd zou zijn. In november 1863 hield Lincoln zijn beroemde Gettysburg Address waarin hij zijn toekomstvisie van de Unie uiteenzette en daarin kwam ook het einde van de slavernij ter sprake. Vanaf 1864 pasten de staten Maryland en Missouri als eerste hun wetgeving aan en andere staten volgden al gauw.

John Wilkes Booth in 1865

Eind 1863 stond Lincoln op het hoogtepunt van zijn populariteit en in 1864 wist hij met gemak de nominatie voor een tweede termijn in de wacht te slepen. Vanwege de oorlog was een tijdelijke partij opgericht, bestaande uit Republikeinen, noordelijke Democraten, zoals toekomstig (vice-)president Andrew Johnson, en wat voormalige Whigs uit het zuiden, die tegen het uiteenvallen van de Verenigde Staten waren. De National Union Party won met groot gemak de verkiezingen en op 4 maart 1865 werd Abraham Lincoln voor de tweede maal ingehuldigd.

Op vrijdagavond 14 april 1865 besloot Lincoln, samen met zijn vrouw, vice-president Johnson en enkele anderen het toneelstuk Our American Cousin in het Ford’s Theatre in Washington bij te wonen. Eén van de acteurs in dienst van de schouwburg, een zekere John Wilkes Booth, een verklaard aanhanger van de Confederatie en dus vijand van Lincoln, hoorde dit en wist dat het moment gekomen was om met de president af te rekenen. Hij volgde hem ent al een tijdje en had in 1864 het plan opgevat om hem te ontvoeren, wat niet gelukt was. Maar op deze vrijdagavond kwam alles bij elkaar. Hij had een klein clubje samenzweerders opgetrommeld en de taken verdeeld, Booth zou Lincoln vermoorden, Lewis Powell zou minister van buitenlandse zaken William H. Seward thuis opzoeken en doden, een poging die verijdeld werd, en George Atzerodt, een Duitse immigrant, moest zich ontfermen over Andrew Johnson. Hij kreeg echter op het laatste moment spijt en wist de trekker niet meer over te halen. De vierde samenzweerder was David Herold, die de aftocht moest dekken van de drie moordenaars.

De moord op Lincoln

Uiteindelijk wist Booth als enige te slagen in zijn plan: hij drong de loge in en schoot Lincoln in het achterhoofd. De president zou hieraan de volgende ochtend om 7:22 overlijden, 56 jaar oud. Na de aanslag wist Booth te paard naar Maryland en later Virginia te ontkomen. Hij werd uiteindelijk op 26 april opgespoord, maar een poging om hem levend in handen te krijgen mislukte. Zijn medesamenzweerders werden alle gearresteerd en ter dood veroordeeld. Het vonnis werd op 7 juli uitgevoerd.

Abraham Lincoln is, na Washington en Franklin, het vaakst afgebeeld op Amerikaanse postzegels. Dat begon in april of juni 1866. Deze zegel was eigenlijk een onderdeel van de in 1861 begonnen serie presidentsportretten.

De eerste Lincolnzegel uit 1866, VS Mi 22

Tot 1909 waren het steeds portretten in een langlopende serie, maar in dat jaar werd de 100ste geboortedag van Lincoln gevierd. In 1940 kwam er een postzegel voor de 75ste verjaardag van de afschaffing van de slavernij, in 1948 voor de 85ste verjaardag van de Gettysburg Address. In 1958 werden de Lincoln-Douglas debatten herdacht (Stephen A. Douglas was tegenstander namens de Democraten in de verkiezingen van 1860), in 1959 was het de beurt aan Lincoln’s 150ste geboortedag en in 2009 de 200ste. De laatste zegel was in 2016, een zelfklevende replica van de zegel uit 1866.

Uiteraard is, in 1927, Lincoln samen met George Washington, Theodore Roosevelt en Thomas Jefferson uitgehouwen in Mount Rushmore. Vijf jaar eerder werd in Washington het Lincoln Memorial ‘onthuld’.

In de serie Gekroonde Hoofden in 1866 gaan we volgende keer naar Brazilië.

 

 

*) Verschillende bronnen geven verschillende data. De Michelcatalogus geeft 17 juni als datum, www.mysticstamp.com 14 april en een derde bron meldt 21 april.

Foto van Kamehameha V, tweede helft jaren 60 van de 19e eeuw

Twee postzegels, meer zijn er niet van de Hawaiiaanse koning Kamehameha V. Hij was de laatste die de naam droeg van zijn illustere voorvader Kamehameha I, die de staat Hawaii gesticht had.

Lot Kapuāiwa werd op 11 december 1830 geboren in Honolulu als zoon van Mataio Kekūanāoʻa, de gouverneur van hoofdeiland O’ahu. Omdat Kamehameha III in 1855 kinderloos stierf had hij zijn neef Alexander Liholiho uitgekozen om hem op te volgen als Kahehameha IV, maar toen Alexander op zijn beurt al in 1863 de pijp aan Maarten gaf, wederom zonder kinderen, was het diens oudere broer die hem op zou volgen. En dat was Lot, die de naam van Kamahameha V aannam. Hij zou het land iets meer dan 9 jaar, tot zijn eigen overlijden, leiden.

Hawaii Mi 17 uit 1866

In die korte periode wist hij wel een nieuwe, door hem zelf opgestelde grondwet erdoor te drukken, iets waar zijn broer, met wie hij tot diens koningschap veel optrok en waarmee hij de VS en Europa bezocht had, niet aan toe gekomen was. Hij was in zekere zin conservatief en een groot voorstander van de oude Hawaiiaanse gebruiken (waaronder tovenarij!), maar zeer geliefd bij het volk. Een zekere Samuel Clemens, die in 1866 Hawaii bezocht en later bekend werd onder zijn pseudoniem Mark Twain, beschreef hem als een wijze monarch, die zich graag onder het volk placht te begeven.

Dat duurde niet heel lang. De koning leed, net zoals zijn voorgangers, ook wel weer ergens aan: vetzucht en in de laatste jaren van zijn leven kon hij, inmiddels ‘gegroeid’ tot 170 kilo, nauwelijks meer zijn bed verlaten. Omdat ook hij geen kinderen had – hij was overigens ook niet getrouwd – en op de dag van zijn overlijden, toevallig ook zijn 42ste verjaardag, nog geen besluit had genomen over de opvolging, brak er een heel gevecht uit over wie de volgende koning van Hawaii moest worden. In 1868 was immers Lot’s jongere zus Victoria ook al kinderloos gestorven. Verkiezingen kwamen eraan te pas en een oudneef van Kamehameha de Grote, Lunalilo, werd gekozen.

Hawaii Mi 21 uit 1871 (bron)

Twee postzegels zijn er dus en de eerste werd in mei 1866 uitgegeven, de andere in maart 1871, als onderdeel van een serietje portretten van Hawaiiaanse persoonlijkheden – lees familieleden van de koning – waaronder Lot’s vader Kekūanāoʻa.

De zegel van 1866 had hetzelfde kader als dat van de zegel met beeltenis van Kamehameha IV uit 1864. Dat was de eerste in zijn soort en ontworpen door een ambtenaar op het postkantoor in Honolulu, William J. Irwin, die de kunst had afgekeken van Victoriaportretten uit Nova Scotia. De postmeester van Hawaii, David Kalakaua (vanaf 1874 koning Kalakaua I), stond erop dat de zegels door een serieuze partij geproduceerd zouden worden en benaderde de National Bank Note Company in New York (die in 1879 op zou gaan in de American Bank Note Company). Het resultaat was een stuk beter dan de in Boston gedrukte lithografieën en tot 1891 zou de NBNC en zijn opvolger verantwoordelijk blijven voor de Hawaiiaanse postzegels.

Ondertussen was er in de Verenigde Staten ook weer heel wat gebeurd, maar daarover de volgende keer.