Vier tegels met arabesk-versieringen uit de 16e eeuw (Louvre)

Cirkels, bloemmotieven, ruiten, repeterende geometrische en vaak ook symmetrische vormen, de wiskundige is er gek op en de Arabische wereld met zijn afkeer van het afbeelden van mensenportretten was en is het paradijs voor de liefhebbers van deze versieringen.

De oudst bekende arabesken stammen uit de vroegchristelijke tijd: in Byzantium werden ze al toegepast. Toen in de 8ste eeuw de islam oprukte werden de arabesken vooral een door moslims toegepaste kunstvorm, maar de westerse boekilluminaties kun je ook als een afgeleide vorm beschouwen.

Islamitische landen waren vrij laat met het uitgeven van postzegels, maar erg veel zelfstandige moslimlanden waren er ook niet. De meeste lagen in de 19e eeuw in de invloedssfeer van een of andere koloniale macht en als dat nog niet zo was dan zou dat tussen 1880 en 1900 nog wel veranderen met de verdeling van de laatste restjes nog onontgonnen stukken Afrika en Azië. Nee, zo bleven alleen het Ottomaanse en het Perzische Rijk over.

Het Ottomaanse Rijk begon in 1863 dus en het Perzische Rijk startte in 1865 met een proefdruk met het veel herdrukte thema van de leeuw met kromzwaard en zon, waarna in 1868 de eerste officiële postzegels kwamen. Daar zat nog één moslimland, formeel nog afhankelijk van Constantinopel, tussen en dat was Egypte.

Nadat een Engels-Ottomaanse troepenmacht het leger van Napoleon in 1801 uit Egypte had verdreven nam een van de aanvoerders, Mohammed (of Mehmet) Ali, in 1805 het heft in eigen handen. Drie jaar later besloot de sultan hem tot wali, een soort van gouverneur, te verheffen, waarmee Egypte een semi-autonome staat werd. Mohammed Ali was een sterke leider, die geen oppositie duldde, maar die het land wel naar westers voorbeeld hervormde. Toen hij in 1848 overleed was het aan zijn kinderen en kleinkinderen om dat beleid voort te zetten, maar omdat de bodem van de schatkist in zicht was, werd, met name onder invloed van kleinzoon Ismail Pasha,  bijna alles met vooral Brits en Frans geld opgezet en deze grootmachten wilden daar natuurlijk wel wat voor terug zien. De Britten trokken uiteindelijk aan het langste eind en vanaf 1882 was Egypte een verkapte Britse kolonie, wat het land tot 1952 zou blijven. Ook hadden diverse andere landen handelskantoren in Egypte, zoals Frankrijk in Alexandrië en Port Said.

Egypte Mi 1 uit 1866 (bron)

Een van de nieuwigheden was de postzegel en het land, dat inmiddels van spoorwegen en het Suezkanaal voorzien was, was daar wel aan toe. Het eerste ontwerp waren de arabesken, die in aantal moslimgebieden naderhand nagevolgd werden, maar niet in Egypte zelf. Dat stapte in 1867 over op de sfinx en de piramides van Gizeh, waarover later. De eerste zegels werden niet in Egypte gedrukt, maar bij de drukkerij van de gebroeders Pellas in Genua. Doorgaans zijn ze van beroerde kwaliteit, wat vooral te wijten schijnt aan het slechte papier, dat de drukker uit Turijn betrok. Toch zijn er ook betere exemplaren te vinden als je daarvoor wilt betalen. De zegels kwamen in 7 waardes, van 5 paras tot 10 piaster, in evenzovele verschillende ontwerpen.

Turkse dienstzegels Mi 131 en 136 uit 1972 en 1974

Alle principes ten spijt werden de arabesken niet vaak meer gebruikt. Turkije had wat met maansikkels, Perzië ging aan de slag met de leeuw en zijn kromzwaard en verving die door een portret van de sjah in 1879 (hij wel!), en Egypte zoals gezegd toonde de komende tientallen jaren de piramides van Gizeh, al of niet met sfinx. Het enige land dat tegenwoordig nog wel eens arabeskachtige plaatjes uitbrengt is Turkije en wel op zijn dienstzegels.

Volgende keer weer terug naar Honolulu.

Gevelsteen in de Amsterdamse Barentszstraat (bron)

Tegen het eind van 1865, ruim 25 jaar na de eerste Britse Victoriazegels uit 1840, waren er wereldwijd al zo’n 1900 postzegels verschenen met een inmiddels rijke variatie aan onderwerpen. Canada had daarin al een bijzondere plek, zie de blogs over de uitgiftes van 1851.

Het Canada van 1865 was een Brits gebied in verandering. Er werd al druk onderhandeld over een eventuele samensmelting van de koloniën die op 1 juli 1867 een feit zou worden. Niet iedereen deed mee en Newfoundland zou pas in 1949 deel gaan uitmaken van Canada. In 1907 kreeg het een Dominion-status, wat zoveel wilde zeggen dat het een zelfstandig binnen het Britse Rijk opererend gebied werd zonder inmenging van Londen.

De economie van Newfoundland werd bepaald door visserij en bonthandel, niet heel vreemd in die streken. Reden om in 1865 de belangrijkste bronnen van verdienste op de postzegel te zetten.

De kabeljauw

Mi 16 uit 1865

Newfoundland en kabeljauw waren tot het eind van de vorige eeuw bijna synoniem. De gadus morhua kwam er met miljoenen tegelijk voor en de populatie leek lange tijd onuitroeibaar en een belangrijke voedselbron voor een flink deel van de wereldbevolking. Die tijd is over, uit tellingen en schattingen bleek de toekomst van de kabeljauw er veel minder rooskleurig uit te zien en de vis leek een bestaan als bedreigde diersoort tegemoet te zien. Die vrees is gekeerd, maar het spook van overbevissing is nog altijd aanwezig. De belangrijkste gebieden liggen nu bij de Lofoten bij Noorwegen en in onze eigen Noordzee, met name rondom de Doggersbank. Kabeljauwen zoeken immers vooral min of meer ondiep water (de Doggersbank is gemiddeld slechts 13 meter diep).

BRD Mi 415 uit 1964

Al in de 16e eeuw gingen de bewoners van Newfoundland op kabeljauw vissen. Tot in de 20ste eeuw groeide de jaarlijkse vangst gestaag, maar het ging in de jaren 60 een beetje mis toen verbeterde vangsttechnieken de opbrengst ruim verdubbelde, met als gevolg dat de populatie zich niet meer kon herstellen. Tegenwoordig wordt er nog maar op kleine schaal op kabeljauw gevist in de Newfoundlandse wateren.

Postzegels met kabeljauwen komen naast Newfoundland in andere noordelijke landen als Groenland, IJsland, Denemarken, Noorwegen, Letland en Duitsland voor. En uiteraard op het Franse eilandengroepje St. Pierre et Miquelon, maar deze eilandjes liggen dan ook vlak onder de zuidwestkust van Newfoundland.

De zeehond

Mi 17 uit 1865

De phoca vitulina, oftewel de gewone zeehond, was een ander dier dat voor de eilandeconomie van belang was. Dit dier komt voor langs de kusten van een groot deel van het noordelijk halfrond. De Nederlandse Waddenzee heeft bijvoorbeeld een populatie van ongeveer 3500 dieren. Inmiddels is in een aantal landen, waaronder ons land, de zeehond beschermd.

Zeehondenjacht vindt al duizenden jaren plaats. Net als de kabeljauw dreigde het dier in de 20ste eeuw ten onder te gaan aan overbejaging, maar bescherming en jaagquota’s hebben ervoor gezorgd dat dat niet gebeurd is.

NVPH 1339 uit 1985

Ik noem hier de phoca vitulina, maar in feite gaat het over verschillende soorten zeehonden en in Canada gaat het dan vooral om de zadelrob (phoca groenlandica) *). De jacht gaat vooral om vachten en het vlees, dat vitamine- en proteïnerijk is. Toen in de 16e eeuw de eerste Europeanen kwamen zagen die meer in het bont van het dier. In de periode dat de eerste zeehond op een postzegel verscheen doodden de Newfoundlanders er gemiddeld zo’n 400.000 per jaar. Tegenwoordig gaat het volgens een vastgesteld quotum, maar nog altijd ligt de jaarlijkse ‘productie’ in Canada op 250 à 300 duizend dieren. Canada staat onder voortdurende druk om het aantal te verminderen, maar de vraag naar zeehondenproducten neemt, met name in Oost-Azië, nog steeds toe.

De serie

Vanaf 15 november 1865 – de Michelcatalogus vermeldt januari 1866 – verscheen een serie van 6 postzegels. De kabeljauw wordt getoond op de laagste waarde van 2 cents en werd, net als de andere zegels, geproduceerd bij de American Bank Note Company in New York. De zegel werd ontworpen en gegraveerd door Henry S. Beckwith (1809-1895).

De zeehond staat op de 5 cents, deze is gemaakt door Joseph Ives Pease (1809-1883). Andere zegels tonen portretten van de in 1861 overleden prins Albert, twee stuks van koningin Victoria en, op de 13 cents, van een schoener, in deze periode voor een belangrijk deel voor de zeehondenjacht gebruikt. Ook de schoener is een kunstwerkje van Pease. **)

Arabische tierelantijnen, met een passender woord arabesken genoemd, komen de volgende keer aan bod.

 

*) De Michel-catalogus geeft als naam phoca vitulina, de site https://www.canadianpostagestamps.caHarp Seal’  wat feitelijk een zadelrob is.

**) Overigens bevatten zowel de kabeljauw als de zeehond ontwerpfouten: de kabeljauw werd met een onnatuurlijke rechte staart getekend, de zeehond met voorpoten in plaats van de gebruikelijke flippers. In een uitgifte van rond 1880 werden deze foutjes hersteld.