Fragment uit de KBS-bijbel uit 1977

Boeken doen het goed op postzegels, vooral als het beroemde boeken zijn. Zo kom ik in mijn stockboeken onder Portugal nog wel eens het grote epische dichtwerk Os Lusíadas van Luis Vaz de Camões tegen. Een ander, bij de Verenigde Naties afgebeeld exemplaar is dat van het handvest van de wereldorganisatie, zoals in 1945 opgesteld. En ga zo maar door.

Portugal Mi 333 uit 1924

Het meest op aarde verspreide boek is natuurlijk de bijbel. Ook daarvan zijn er al een aantal op postzegels verschenen. In Nederland in 1964 bijvoorbeeld voor het in 1814 opgerichte Bijbelgenootschap, een protestantse vereniging die zich bezighoudt met het vertalen van het heilige boek naar de nieuwste taalkundige inzichten. Tegenwoordig is het meer een oecumenische club: de katholieken mogen ook meedenken.

VN Mi 39 uit 1955

99 Jaar daarvoor was er de eerste bijbel op postzegels, deze keer een katholieke. Het boek maakt namelijk deel uit van het wapenschild van de Dominicaanse Republiek, die in oktober van 1865 de eerste postzegels sierde.

Zowel de landsvlag als het staatswapen van dit als één van de eerste door Columbus gekoloniseerde West-Indische eilanden worden gedomineerd door de kleuren vermiljoenrood en ultramarijnblauw. Dat vermiljoen is letterlijk de kleur van het bloed dat vergoten werd voor de moeizaam bereikte onafhankelijkheid: in 1844 scheurde de republiek zich pas los van Haïti, met welk land het vanaf 1822 één natie vormde. Het bleef echter in een zodanige staat van burgeroorlog dat de Spanjaarden in 1861 werd gevraagd de koloniale macht weer uit te oefenen. Twee jaar later waren ze dat ook weer zat en in 1863 kwam er een nieuwe, (iets) stabielere republiek. Na jaren van afwisselende opbouw en ellende besloot president Woodrow Wilson het land in 1916 te bezetten en dit duurde tot 1924 voordat er onder Amerikaanse leiding voor het eerst écht democratische verkiezingen kwamen. Maar de Dominicaanse Republiek bleef een zorgenkind: in 1930 kwam Rafael Trujillo, gesteund door de VS, aan de macht en die regeerde het land met ijzeren vuist. Na de moord op de dictator in 1961 volgden nog 4 onstabiele jaren en een burgeroorlog, maar na het uitroepen van de Vierde Republiek in 1966 is het een min of meer stabiele staat, waar onder andere het toerisme tot grote bloei gekomen is.

Nederland NVPH 820 uit 1964

Het ultramarijn staat voor de kleur van de hemel en de door God gegeven bescherming aan de Dominicanen en daar komt dan ook meteen de bijbel om de hoek kijken. Midden tussen de Dominicaanse kleuren en circa 30 graden tegen de klok in gedraaid vinden we het opengeslagen boek met ‘lijntjes’. Officieel gaat het, volgens de in 2010 herziene grondwet, om het evangelie van Johannes, hoofdstuk 8, vers 31 en 32: “Jezus zei dan tot de Joden die in Hem geloofden: als u in mijn woord blijft bent u waarlijk mijn discipelen en u zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken.” *) In de oorspronkelijke versie was de bijbel bij hoofdstuk 13 van hetzelfde evangelie opengeslagen.

Het wapen van de Dominicaanse Republiek

Dominicaanse Republiek Mi 1 uit 1865 (bron)

Het begon in 1865 met een zeer primitieve tekening van het wapen in zwart op gekleurd papier. Tot 1879 veranderde alleen het formaat van de zegel en bleven ze ook ongetand. Het valt te verwachten dat de eerste zegels voor de handel vrij prijzig zijn en daarom ook dat valse vaker voorkomen dan echte. Opmerkelijk is dat de vervalsingen een veel scherpere en herkenbaardere tekening vertonen dan het origineel.

Het wapen bleef tot in het begin van de 20ste eeuw dominant, pas in 1899, toen er een serie ten behoeve van het nog op te richten Columbus-mausoleum in Santo Domingo uitkwam, veranderde het plaatje voor het eerst, na 72 postzegels. Uiteraard komt het wapen nog maar zelden voor, in 2010 voor het laatst.

De volgende keer duiken we naar het zeeleven van Newfoundland.

 

*) Oorspronkelijke Spaanse tekst: “El Santo Evangelio según San Juan CAPITULO VIII 31 Y decía Jesús a los judíos que le habían creído Si vosotros permanecéreis en mi palabra, seréis verdaderamente mis discípulos; 32 Y Conoceréis la verdad, y la verdad os hará libres.”

Alexander Cuza, naar een foto van Carol Popp (1864, detail)

De prinsdommen Moldavië en Walachije waren eeuwenlang een speelbal van het Ottomaanse Rijk. Nominaal waren het autonome vorstendommen, maar vanuit Constantinopel werd alles bepaald. Het Russische en het Habsburgse Rijk hielden deze status quo min of meer in stand, maar na de Krimoorlog, waarin de Russen de vorstendommen in gijzeling hadden genomen, kwam er voorzichtig een kentering. Bij het Vredescongres van Parijs werd besloten dat Rusland als verliezende partij zijn troepen moest terugtrekken en de macht weer volledig moest overdragen aan de Turken, maar nationalisten maakten daar gebruik van door de onafhankelijkheid uit te roepen. Dat gebeurde in 1859. Een man uit de regionale adel, Alexander Jan Cuza, werd tot domnitor gekozen, zowel in Moldavië, waar hij vandaan kwam, als in Walachije. Twee jaar later verenigde hij de twee prinsdommen onder de naam Roemenië met als hoofdstad Boekarest, iets waar de  Oostenrijkse keizer Franz Josef mordicus tegen was, maar de andere westerse machten mee konden leven. De net aangetreden en vrij liberale sultan Abdulaziz gaf schoorvoetend toe en erkende de nieuwe staat, die tot 1877 nog steeds onder Ottomaanse soevereiniteit zou blijven.

De eerste, niet aan het loket gekomen zegel met portret van Cuza (Mi II, bron)

Alexander Cuza werd op 20 maart 1820 (volgens de Juliaanse kalender) geboren in het plaatsje Huși, een stadje met tegenwoordig zo’n 33.000 inwoners op een tiental kilometers van de rivier de Prut, die de grens vormt tussen Roemenië en (het huidige) Moldavië (andere bronnen geven Bârlad, dat ten zuiden van Husi ligt). Zijn familie hoorde tot de klasse van bojaren, de invloedrijke landadel die direct onder de grootvorsten viel. Zijn moeder stamde zelfs van de Byzantijnse adel af, de Fanarioten.

Mi 12 uit 1865 (bron)

In 1844 trouwde Cuza met een meisje uit een andere bojarenfamilie, maar dit werd een slecht huwelijk, weliswaar hield Elena Rosetti bij tijd en wijle van haar echtgenoot, maar Cuza bracht meer tijd door met zijn maîtresse(s) en na enige jaren leefden ze merendeels gescheiden.

Voor de Moldaviërs was Cuza een held. Toen in 1848 net zoals elders in Europa ook in hoofdstad Iaşi de revolutie uitbrak stond hij als opstandelingenleider bovenop de barricaden, maar de heersende prins van Moldavië, Michaël Sturdza, wist met steun van de Russen en zonder bloedvergieten de opstand neer te slaan. Cuza werd verbannen en verbleef tot 1852 in Wenen, waarna hij, onder het regime van de hervormingsgezinde prins Grigore Ghica terug kon keren. Onder Ghica kwam de carrière van Cuza pas goed op gang, ze waren het roerend eens over de toekomst van Roemenië. Na zijn termijn probeerde Ghica in Parijs bij de Franse keizer, de grootste overwinnaar van de Krimoorlog, steun te krijgen, maar die kreeg hij niet en gedesillusioneerd pleegde hij zelfmoord. Maar Cuza werd wel zijn opvolger.

Mi 2339 uit 1964 bij het eeuwfeest van de universiteit van Boekarest

In de rol van domnitor van Moldavië en Walachije, vanaf 1862 Roemenië, startte Cuza als liberaal en hij wist heel wat hervormingen in Roemenië door te voeren. Veel van die hervormingen waren echter zonder inbreng van het parlement doorgedrukt en dat was geheel in lijn met zijn grote voorbeeld Napoleon III. Een van zijn grootste verdiensten voor Boekarest was het plan voor de regulering van de rivier Dâmbovita na een grote overstroming in 1865.

Een nieuwe landhervormingswet waarmee hij de rijke landeigenaren aan zich hoopte te binden deed hem uiteindelijk de das om. Dit alles leidde op 22 februari 1866 tot een staatsgreep van de zogenaamde Monstercoalitie, bestaande uit conservatieve politici en liberale boeren. In de vroege ochtend drongen ze Cuza’s slaapkamer binnen, waar hij de nacht doorbracht met zijn minnares Marija Obrenovic (wettige moeder van de toekomstige Servische koning Milan I) en werd gedwongen om afstand van de troon te doen.

Mi 2835 uit 1970 bij de 150ste geboortedag van Cuza

Tot zijn dood op 15 mei 1873, slechts 53 jaar oud, leefde hij als banneling in Wenen, Parijs en Wiesbaden. Hij zou in Heidelberg overlijden. Onder het volk en met name degenen die Fransgezind waren bleef hij een held en de Pruisische prins Karl van Hohenzollern-Sigmaringen, die als opvolger gekozen was, werd het vuur meermalen aan de schenen gelegd, maar wist te overleven en een dynastie te stichten die tot 1947 aan de macht zou blijven. De inmiddels 96-jarige ex-koning Michael is een oud-oudneef van Karl en woont in het door zijn oud-oudoom gestichte kasteel Peleş.

Alexander Cuza staat, hoewel hij vergeten lijkt, op vele, met name Roemeense postzegels. De enige 3 zegels tijdens zijn leven kwamen in januari 1865 uit en volgden op een drietal uit december 1864 die nooit aan de loketten kwamen, maar wel in de stockboeken van diverse handelaren. Deze laatste zegels hebben een tamelijk lage cataloguswaarde. De zegels werden ontworpen, gegraveerd en gedrukt bij S. Sander & Co te Boekarest, die tot 1868 bij de Roemeense postzegelproductie betrokken was. Het waren ongetande zegels, wat tot 1872 gebruik bleef.

Bijna 70 jaar na zijn dood besteedde Roemenië in 1941 met een serie vorstenportretten onder andere aandacht aan Alexander Cuza. In 1948 werd zijn rol in de revolutie van 1848 herdacht, in 1959 de vereniging van Moldavië en Walachije en het eeuwfeest van de naar hem genoemde universiteit in Iaşi, in 1964 het eeuwfeest van de universiteit van Boekarest, waarvan Cuza ook aan de wieg stond. Vervolgens in 1970 een drietal bij zijn 150ste geboortedag, in 1973 bij zijn 100ste overlijdensdag, in 1984 bij de 125ste verjaardag van het verenigde Roemenië, in 1994 bij de 130ste verjaardag van de door Cuza ingestelde Rekenkamer, in 2006 voor de verdienste als stichter van de Roemeense politie en verder nog zegels in 2007, 2009, 2012, 2014 en 2015. In Moldavië was hij de belangrijkste in een serie Moldavische vorsten uit 2008, die op het souvenirvelletje mocht. Kortom: Alexander Jan Cuza was en is allerminst vergeten en is door zowel door het koninkrijk, de volksrepubliek als de moderne republiek met regelmaat herdacht.

Voor de verzamelaars van het thema ‘De bijbel op postzegels’ heb ik goed nieuws, volgende keer het eerste heilige boek.

Het banier van het Ottomaanse Rijk vanaf 1453

In het begin van de jaren 20 van de vorige eeuw veranderde er van alles in Turkije. Het enige dat niet veranderde was de vlag. De symboliek daarvan was immers niet door de staatsvorm bepaald, maar door de Turkse verbondenheid en de islam. In een aantal landen met een overwegend islamitische bevolking komt de wassende maan met de ster (of soms meer sterren) terug in wapen en vlag, naast Turkije zijn dat Azerbeidzjan, Oezbekistan en Turkmenistan, landen met een vooral Turkse bevolking, Libië, Tunesië en Algerije, die tot ver in de 19e eeuw onder Ottomaans bestuur stonden, en landen als Pakistan, Mauritanië, Maleisië en de eilandengroepen Comoren en de vanuit Australië bestuurde Cocos-eilanden in de Indische Oceaan, waar geen Ottomaanse of Turkse invloed was en de maan een iets andere betekenis heeft, namelijk die van vooruitgang.

Maan en ster uit Pakistan (1949, Mi 49)

De betekenis van de Turkse maan is een iets andere en heeft een veel oudere oorsprong: in 1453 werd het Ottomaanse Rijk door de verovering van Constantinopel de opvolger van het Byzantijnse Rijk. De sultan, Mehmet II, voelde zich ook werkelijk een opvolger van de Byzantijnse keizers, die op hun beurt weer het Romeinse Rijk voortgezet hadden. Om de nieuwe door hem vormgegeven heerschappij te onderbouwen nam hij ook Byzantijnse symbolen over. De maan werd ingezet als teken van verbinding tussen het oude en het nieuwe en daarom was er bijna 500 jaar later geen enkele reden voor de nieuwe regering van Atatürk om daar iets aan te wijzigen.

Mi 5 uit 1865 (bron)

Tot 1844 was de halve maan een nog niet officieel vastgelegd symbool, in dat jaar werd de vlag van het Ottomaanse Rijk ingevoerd als een rood vlak met in de linkerhelft de maan en iets uit het midden rechts de ster. In 1865 kwam de halve maan ook op de postzegels, in dit geval met een liggende maan en een erop stralende ster. Ze kwamen in 6 waardes en ook 6 verschillende kleuren. Tegelijk kwamen er nog eens 6 waardes uit in de kleur bruin, maar dit zijn portzegels. Tot 1891 was de maan, al of niet met ster, niet meer van de zegels te slaan, daarna werd de tugra weer belangrijk en maakten maan en ster hooguit nog een ondergeschikte rol uit binnen de zegels. Bij de overgang naar de Turkse republiek veranderde daar verder weinig aan, alleen in 1924 was er nog een serie met een prominente maansikkel en ster, zoals in 1865. In de loop van de jaren 30 verdwenen maan en ster definitief van de postzegels, maar op verplichte toeslagzegels bleven ze nog even.

Mi 816 uit 1923, een van de eerste zegels van de nieuwe republiek 

Er is trouwens nog wel een ‘grappige’ vergelijking met Zwitserland te maken. In 1863 werd daar immers het Rode Kruis opgericht en het embleem kwam rechtstreeks van de Zwitserse vlag maar dan met omgekeerde kleuren. In 1868 kwam de Turkse afdeling in het leven. Een symbool werd officieel nog niet afgesproken, maar toen in 1876 er oorlog uitbrak tegen de Russen, wilden de Turken graag hun halvemaan gebruiken om hun hulpverleners herkenbaar te maken. Zo werd het de Turkse Rode Halvemaan met als embleem, je raadt het al, een rode halvemaan in een wit vlak, geheel in overeenstemming met de Turkse vlag, maar dan met omgekeerde kleuren. Turkije had daarmee de eerste regionale hulporganisatie met een afwijkend, maar niet erkend, embleem binnen de koepel van Rode Kruisorganisaties, dat door alle islamitische landen na hun bevrijding werd overgenomen. Pas in 1929 werd deze vormgeving pas eerst erkend. Perzië had toen trouwens een Rode Leeuw met Zon, die tegelijkertijd werd werd vastgelegd en Israël heeft sinds de oprichting van de joodse staat in 1948 geijverd voor erkenning van de Rode Davidsster, maar kreeg dat er in 2006 pas door, op voorwaarde dat een neutraler symbool gekozen zou worden: het werd een rode ruit, het Rode Kristal geheten.

In 1861 erkende de Turkse sultan het vorstendom Roemenië, over de eerste leider daarvan heb ik het de volgende keer.