13 januari 1863 – De tugra

Tugra van sultan Abdulaziz

In 1861 was in Constantinopel de hervormingsgezinde sultan Abdülaziz aan de macht gekomen. Hij was de 32ste sultan van het Ottomaanse Rijk, nazaat van de eerste sultan, Osman I, die in 1281 heerser werd over het land rond de plaatsjes Domaniç en Söğüt. Bij zijn dood in 1321 was zijn grondgebied al uitgebreid tot aan steden als Bursa en Nicaea, toen nog vast in handen van het Byzantijnse Rijk, maar dat laatste zou niet lang duren: nog in de 14e eeuw konden de opvolgers van Osman al een groot deel van Anatolië en zelfs delen van Roemelië en Bulgarije al tot hun domeinen rekenen. In 1453 viel ten slotte ook Constantinopel en tot in de 17e eeuw groeide het rijk gestaag, tot in Algiers, Aden en Boedapest. Pas in 1693 wist de Poolse koning Jan Sobieski de Turken weg te jagen van de poorten van Wenen. Vanaf dat moment begon de langzame teloorgang van het rijk en dat proces begon in de 19e eeuw te versnellen, toen nationalistische bewegingen in afhankelijke gebieden als Griekenland, Egypte, Wallachije en Moldavië (samen later Roemenië) en Servië zich nadrukkelijker begonnen te roeren.

Turkije Mi 1

Turkije Mi 103, met de tugra van Abdulhamid II, uit 1901

Het werd dus tijd om het tij te keren en hiervoor werd in 1839 de Tanẓīmāt in het leven geroepen: hervormingen moesten ervoor zorgen dat het Ottomaanse Rijk mee kon blijven spelen op het wereldtoneel, waarbij tegelijkertijd de dissidente gebieden binnen boord gehouden moesten worden. Dit was geen onverdeeld succes, maar een aantal hervormingen zoals een modernere grondwet, toegankelijker onderwijs en afschaffing van slavernij vertraagden het proces van het uiteenvallen van het rijk in grote mate.

Abdülaziz was een westersgezinde hervormer. Hij was de eerste sultan die zich persoonlijk op de hoogte ging stellen hoe men het in Frankrijk en Engeland deed en werd in 1867 vriendelijk door koningin Victoria ontvangen. Onder zijn leiding werden de hervormingen van de Tanẓīmāt in een hoog tempo doorgezet, maar het rendement werd steeds kleiner: met het verlies van voorbeeldland Frankrijk in de oorlog tegen Pruisen begon de aftakeling die met de Tanẓīmāt gekeerd had moeten worden weer toe te nemen. Misoogsten, een te hoog bestedingspatroon met als gevolg oplopende schulden en de steeds geringere invloed van het rijk op de Balkan waren er tenslotte de oorzaak van dat op 30 mei 1876 Abdülaziz zijn biezen moest pakken. Vijf dagen later was de gewezen sultan dood en recent onderzoek heeft aangetoond dat hij hoogstwaarschijnlijk vermoord is.

Turkije Mi 151 uit 1908

Mi 632 uit 1917, met een monument voor vrijheidshelden en de tugra van Mehmet V

Een van de wel succesvolle daden van Abdülaziz was de modernisering van de postdienst. Op 1 januari 1863 leidde dit tot de eerste postzegels, met het monogram van de sultan, ook wel tugra. De islam stond immers, volgens de geestelijkheid, niet toe dat mens of dier op een openbare afbeelding kwam te staan. Pas in de nadagen van het rijk kwam daar verandering in, tot het door Atatürk geheel afgeschaft werd. De tugra mocht echter wel en dit is dan ook op vele Ottomaanse zegels terug te vinden.

Een tugra is een ingewikkeld ding. Als je er oppervlakkig naar kijkt zou je er een soort mythische vogel in kunnen zien, maar in feite is het een ineenstrengeling van Arabische tekst die aangeeft hoe de sultan heet, van wie hij een zoon is en wat de voornaamste deugd van hem is. In dit geval luidt de tekst altijd ‘muzaffer daima’ ofwel ‘altijd overwinnend’. Je leest hem van rechtsonder naar linksboven.

In de periode van Abdülaziz toonden alleen de eerste zegels (en portzegels!) een tugra, daarna verschenen ze pas weer in 1892, tijdens het bewind van Abdulhamid II. Tot en met 1921 komt op bijna iedere zegel er wel een voor. Was het daarmee afgelopen voor de tugra? Nee, nog niet, want in onder andere Afghanistan en Saoedi-Arabië zijn ze tot in de jaren 40 nog gesignaleerd:

Saoedi-Arabië Mi 16 uit 1934 (bron)

Volgende keer een stukje over de eerste president van Argentinië.