1 november 1858 – Keizer Franz Joseph I

Portret uit 1859 van een onbekende schilder

Portret uit 1859 van een onbekende schilder

Toch geen kwaaie kerel, moeten ze in augustus jongstleden gedacht hebben, toen de Oostenrijkse post de honderd jaar eerder overleden keizer Franz Joseph met een postzegel eerde. En inderdaad, afgezien van een nogal conservatieve natuur en het feit dat hij de Eerste Wereldoorlog begon door Servië de oorlog te verklaren na de aanslag op troonopvolger Franz Ferdinand op 28 juni 1914, was er weinig op de Oostenrijkse keizer aan te merken.

Oostenrijk Mi 37 uit 1867

Oostenrijk Mi 37 uit 1867

Franz Joseph Karl werd op 18 augustus 1830 geboren in paleis Schönbrunn. Hij was een zoon van aartshertog Franz Karl (1802-1878) en kleinzoon van Franz II, de laatste Heilig Roomse keizer. Zijn oom Ferdinand was als oudste zoon in 1835 Franz II opgevolgd, maar werd in het algemeen als een zwakke monarch gezien. Dat voelde Oostenrijk in 1848 toen in maart van dat jaar ook in Wenen de revolutie uitbrak. Ferdinand begon liberale hervormingen in te voeren, maar revolutionairen uit andere delen van het Habsburgse Rijk wilden niets meer of minder dan autonomie. De Hongaren waren daar het felste in en vormden onder Lajos Kossuth een volksleger om de onafhankelijkheid te bevechten. Ook in Praag, Venetië en Milaan was het zeer onrustig. Reden voor Ferdinand om Wenen te verruilen voor het rustiger Innsbruck. Een tegen de Hongaren gerichte Kroatische contrarevolutie en tweede revolutie in Wenen, in oktober 1848, bezegelde het lot van de keizer. Op 2 december trad hij af, niet ten gunste van zijn broer, maar van zijn neef: Franz Joseph werd de nieuwe keizer.

Keizerin Sisi, door Anton Einsle (1865)

Keizerin Sisi, door Anton Einsle (1865)

Zijn eerste daad was het neerslaan van de Hongaarse opstand en daarvoor werd de hulp van de Russen, toen nog een bevriende staat, ingeroepen. Vanaf 1849 was het weer rustig in het keizerrijk, en in maart van dat jaar was er zelfs een nieuwe grondwet, die op oudjaar 1851 ingetrokken werd (en zodoende het Sylvesterpatent genoemd wordt). Franz Joseph regeerde zijn verdere leven als een absoluut vorst, gesteund door een kleine groep ministers. In 1860 en 1867 kwamen er wel weer nieuwe grondwetten, die een aantal vrijheden definieerden die er eerder nog niet instonden of in 1851 vervallen waren.

Mi 72 uit 1899

Mi 72 uit 1899

Op 24 april 1854 trouwde Franz Joseph met zijn volle nicht, de toen nog 16-jarige Beierse hertogin Elisabeth, een door zijn moeder en tante gearrangeerd huwelijk. Sisi, zoals ze in de wandeling genoemd werd, was in 1853 samen met haar drie jaar oudere zus Helene (‘Néné’), aan de jonge keizer voorgesteld en onverwacht door hem uitgekozen. Het huwelijk was in het begin gelukkig en leverde tussen 1855 en 1868 4 kinderen op, drie meisjes, waarvan de eerste al na 2 jaar stierf, en een troonopvolger, Rudolf. Maar in de tussentijd kreeg Sisi last van heimwee en andere klachten, die ze weet aan het strakke hofprotocol. Vanaf 1860 was de keizerin in toenemende mate op reis, naar kuuroorden en andere plaatsen van vertier, terwijl haar man zich steeds vaker met minnaressen inliet, waar Sisi geen enkele moeite mee had. Ze zou zelfs in 1885 een ontmoeting gearrangeerd hebben tussen de keizer en de actrice Katharina Schratt (1853-1940), die hem tot zijn dood trouw zou blijven. Op 10 september 1898 kwam Sisi op noodlottige wijze aan haar einde: de 60-jarige keizerin werd na een bezoek aan de familie Rothschild in Genève met een scherpe vijl neergestoken door de zich anarchist noemende Italiaan Luigi Lucheni (1873-1910). Franz Joseph was, ondanks de verwijdering van zijn vrouw, zeer verdrietig om haar overlijden.

Mi 144 uit 1908, bij het 60 jarig regeringsjubileum

Mi 144 uit 1908, bij het 60 jarig regeringsjubileum

Eerder had hij al enkele andere tegenslagen moeten incasseren. In 1867 kwam zijn jongere broer Maximiliaan voor het vuurpeloton in Mexico, waar deze in 1864 op voorspraak van de Franse keizer Napoleon III tot keizer was gekroond. Een andere, zo niet zwaardere klap kreeg hij te verwerken in 1889. Toen pleegde zijn 30-jarige weinig stabiele zoon Rudolf zelfmoord. Hierdoor werd Karl Ludwig, een jongere broer van Franz Joseph de nieuwe troonopvolger en toen die in 1896 overleed diens zoon Franz Ferdinand. Die was uit een geheel ander hout gesneden dan zijn oom, maar dat mocht niet baten, getuige de gebeurtenissen van 1914.

In 1867 moest Franz Joseph alle zeilen bijzetten om het rijk bij elkaar te houden in het licht van de toenemende macht van Pruisen die zou leiden tot de stichting van het Duitse Rijk. Na de verloren oorlog in 1866 werden de Hongaren en Bohemers weer onrustig. Om het tij te keren kwam er de hiervoor al besproken nieuwe grondwet en werd Hongarije een zelfstandige staat binnen het keizerrijk met Franz Joseph als ‘apostolisch koning’ en drager van de Stefanskroon. Ook in Praag werd hij tot koning gekroond, maar Bohemen kreeg verder geen aparte status. Vanaf dat moment spreken we van de Dubbelmonarchie ofwel Oostenrijk-Hongarije.

Bosnië-Herzegovina Mi 44 uit 1906

Bosnië-Herzegovina Mi 60 uit 1910, bij de 80ste verjaardag

Maar meer vrijheden leidde niet tot meer vrede. Het bleef rommelen, in het bijzonder op de Balkan. De vriendschap met Rusland was inmiddels bekoeld en beide landen zochten als ware concurrenten naar invloed in het gebied waar het Ottomaanse Rijk steeds meer terrein verloor. Roemenië en Bulgarije vochten zich los en werden nieuwe vorstendommen, later koninkrijken. Ook Servië en Montenegro ontwikkelden zich zelfstandig. Bosnië-Herzegovina werd in 1878 toegewezen aan Oostenrijk, terwijl Kroatië (samen met Slovenië) net als Bohemen in 1868 een ‘staat binnen de staat’ was geworden. Maar ondertussen kreeg het nationalisme in al die nieuwe gebieden vaste grond, er groeide een verlangen naar een samenwerking als Zuid-Slavische staat onder leiding van Servië, die er na de Eerste Wereldoorlog ook echt kwam en kort na het ontstaan Joegoslavië genoemd werd.

In Bosnië-Herzegovina, het minst zelfstandige deel van de Zuid-Slavische gebieden, groeide het nationalisme als kool en Servië, dat zich met Rusland van een militaire ‘grote broer’ voorzag, sponsorde stiekem doch ruimhartig allerlei clubjes die de losweking van Bosnië uit Oostenrijk-Hongarije nastreefden. Zo ook De Zwarte Hand, een in 1901 in Servië ontstane terreurorganisatie, geleid door Dragutin Dimitrijevic alias Apis. Zij wilden de Zuid-Slavische staat bereiken met als grote voorbeeld de Risorgiomento in Italië 40 jaar eerder. Onder leiding van De Zwarte Hand ontstond Jong Bosnië, een groep militante studenten, waartoe ook Gavrilo Princip behoorde. Bij het bezoek van kroonprins Franz Ferdinand aan Sarajevo eind juni zouden ze toeslaan. Zondag 28 juni 1914 vuurde Princip de fatale schoten af tijdens een rijtoer.

Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie (Bosnië-Herzegovina, Mi 123, 3e herdenkingsdag van de aanslag)

Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie (Bosnië-Herzegovina, Mi 123 uit 1917, 3e herdenkingsdag van de aanslag)

De Servische regering werd meteen en niet helemaal onterecht als veroorzaker van de ellende aangewezen. In Belgrado trokken ze alle diplomatieke registers open om oorlog te voorkomen, maar de bejaarde keizer luisterde nergens meer naar: hij genoot de bescherming van het Duitse Rijk en zou die Serviërs wel een lesje leren. Rusland steunde uiteraard Servië en dat dreef het Ottomaanse Rijk in de armen van Duitsland en Oostenrijk. Frankrijk stond, als aartsvijand van Duitsland, aan de kant van de Russen, en Engeland schaarde zich achter Frankrijk, vooral om de neutraliteit van het bedreigde België te garanderen. Toen Servië niet aan een Oostenrijks ultimatum kon voldoen verklaarde Franz Joseph het land op 28 juli 1914 de oorlog. Een week later was de hel uitgebroken.

De Oostenrijkse legers hadden in de oorlog niet veel succes. De Serviërs boden meestal succesvol tegenstand en Oostenrijk profiteerde verder vooral van het feit dat de Duitsers aan het oostfront de Russen onder de duim kregen en de Ottomanen de Engelsen (geholpen door Australië en Nieuw-Zeeland) lange tijd van een invasie af konden houden. Servië werd na verloop van tijd wel verslagen, maar voornamelijk dankzij de hulp van Bulgarije, dat zijn zinnen op Macedonië had gezet. Verder waren de legers van Roemenië en Italië, die later de oorlog instapten aan de kant van de geallieerden, net zo slecht of nog slechter op de strijd voorbereid dan Oostenrijk al was. Niettemin, toen op 21 november 1916 de inmiddels 86-jarige keizer op Schönbrunn na een regering van bijna 68 jaar overleed, was het duidelijk dat Oostenrijk-Hongarije geen lang leven meer beschoren zou zijn. Franz Josephs achterneef Karl, een neef van Franz Ferdinand, nam de failliete boedel over, maar moest in 1918 aftreden.

Mi 13 uit 1858

De postzegels met het portret van Franz Joseph verschenen op 1 november 1858 als gevolg van een muntwijziging: er gingen voortaan geen 60 Kreuzer meer in een Gulden, maar 100. Tegelijkertijd verschenen de zegels in Lombardije en Venetië. Lombardije ging in 1859 over naar het nieuwe koninkrijk Italië, Venetië volgde in 1867, deze zegels waren er nog tot 1863 geldig. Het ontwerp was van Ernst Meisner en voor de gravure werden de heren Schmidt en Schrepfer aangezocht.

Er zouden nog vele portretten van Franz Joseph volgen, maar na 1918 droogde het snel op. Aan het eind van de 20ste eeuw, toen de leiders van de Eerste Wereldoorlog in het algemeen nog genegeerd werden, kwamen er enkele filatelistische bananenrepublieken als eerste weer met de ‘boeven van weleer’. Sinds 2004 mag Franz Joseph officieel weer, in dat jaar kwam er een herdenkingszegel voor zijn huwelijk met Sisi in 1854, in 2014 herdacht Faroër de uitbraak van de oorlog met portretten van alle hoofdrolspelers en op 27 augustus jl. volgde Oostenrijk dus met het overlijden van de keizer 100 jaar eerder.

Herdenkingszegel en -stempel uit 2016 (Mi 3282, bron)

Herdenkingszegel en -stempel uit 2016 (Mi 3282, bron)

Er waren eigenlijk niet zo heel veel landen die sterk liberaliseerden na 1848. En het Koninkrijk der Twee Siciliën al helemaal niet. Daarover volgende keer.