Het wapen van Venezuela tot 1954 (bron)

Venezuela was van de Zuid-Amerikaanse landen relatief laat met de uitgifte van postzegels. En dat voor een land waar nog hetzelfde jaar een bloedige burgeroorlog zou uitbreken tussen caudillos van allerlei pluimage, een strijd die in 1863 werd beslecht, waarna de in 1830 uit Gran Colombia losgeweekte staat werd omgezet in de federale Verenigde Staten van Venezuela, een staatsvorm die tot eind 1953 aanhield.

Het wapen van de voormalige gemeente Assendelft op het gemeentehuis aan de Dorpsstraat (eigen foto, 31-12-2016)

Tot 1880 was het staatswapen, pas officieel aangenomen in 1864, het hoofdonderwerp van de Venezolaanse postzegels. Alleen net toen de federatie was uitgeroepen was het een adelaar met gespreide vleugels. Vanaf 1880 kwam ‘Vader des Vaderlands’ Simon Bolivar pas eerst in beeld, dit waren bovendien – ook weer zeer laat – de eerste getande zegels van het land.

Het wapen van Venezuela bevat weer een paar nieuwe elementen. Het bestaat uit drie delen. Linksboven zie je een korenschoof in een rood vlak. Deze verbeeldt niet alleen de vruchtbaarheid en welvaart van het land, maar ook de eenheid van de 20 (toenmalige) staten: de schoof telde (tot 2006) 20 pluimen. Hiernaast, op een geel vlak, twee vlaggen, een sabel, een zwaar en drie lansen, bijeengebonden voor een lauriertak. Deze staan voor de overwinning in de oorlog. De kleuren van de vlag, staan voor het in Venezuela gevonden goud (geel), het water van zee en rivieren (blauw) en het bloed dat vergoten werd voor de Venezolaanse onafhankelijkheid (rood).

Een echte Venezuela Mi 2 (bron)

In het onderste deel van het wapen een paard, een van de dierensymbolen die de vrijheid uitbeelden. Het verhaal wil dat in dit geval het paard van Simon Bolivar getoond wordt. Dit dier, Palomo (letterlijk ‘grijze duif’), was vanaf 1819 onafscheidelijk van de vrijheidsstrijder, zoals Marengo dat van Napoleon was. Een andere eigenaardigheid is dat het paard vanaf 1859 steeds naar rechts galoppeert, maar sinds de instelling van de Bolivariaanse republiek door Hugo Chavez in 2006 naar links! Dat was eigenlijk tegen de heraldieke regel in dat paarden altijd naar rechts gaan. Alhoewel…, Assendelft, tot 1973 een zelfstandige gemeente en sindsdien onderdeel van Zaanstad, zondigde al eerder hiertegen.

De 1/4 centavo uit 1862 (Mi 4, bron)

Bovenop het wapen vind je twee hoornen des overvloeds. Het wordt geflankeerd door een olijftak links en een palmtak rechts en deze worden bijeengebonden door een schriftlint met daarin de belangrijkste data van de republiek. In het wapen van 1864 was dat 5 juli 1811, de dag van de onafhankelijkheidsverklaring. In 1954 werd deze datum vervangen door 19 april 1810, de dag van het begin van de revolutie tegen Spanje. De andere datum in het wapen van 1864 was 28 maart van dat jaar, de dag dat de federatieve grondwet werd ondertekend. Deze werd in 1954 vervangen door 20 februari 1859, wat in het algemeen wordt gezien als het begin van de federatie.

De eerste postzegels van Venezuela hebben een uitzonderlijk formaat, staand en hoog. Alle onderdelen van het wapen zijn duidelijk herkenbaar, maar er zijn wel heel veel vervalsingen, van welke sommige makkelijk herkenbaar zijn en andere geraffineerd. Een tweede uitgifte kwam er in 1862, dit keer wel in het standaardformaat. Ook hier is het wapen mooi gedetailleerd weergegeven, maar zijn er zonodig nog meer vervalsingen dan bij de zegels van 1859. Kortom, weet wat je koopt…

Het koninkrijk Hannover durfde in 1859 wel weer eens een portret van zijn staatshoofd aan. Daarover de volgende keer.

Het kleine stads- en staatswapen van Hamburg

In de Oude Kerk van Amsterdam is het nog te vinden, het stadswapen van Hamburg, in de Hamburgerkapel, heel klein in het gewelf, en slechts vaag op bovenstaand plaatje lijkend. De Hamburgerkapel werd ooit ingericht om te vieren dat Amsterdam handelsbanden had met de belangrijkste havenstad van Duitsland. In 1323 werd onder leiding van de Hollandse graaf Willem III er zelfs een verdrag gesloten dat de Amsterdammers in staat stelde bier af te nemen uit Hamburg, zij waren de eerste niet-Duitsers die dit voor elkaar kregen en geldt nog altijd als het begin van het intensieve Amsterdamse handelsverkeer op de Duitse Noord- en de gehele Oostzeekust.

Toch zijn verwijzingen naar Hamburg schaars. Misschien ook een beetje jaloezie, ten slotte heeft Hamburg veel meer bruggen dan Amsterdam. En ook heeft Hamburg alweer een tijdje een grotere haven dan Amsterdam, al stelt die met een 26ste plaats wereldwijd en derde in Europa na Rotterdam en Antwerpen (cijfers 2011) ook niet zo heel veel meer voor.

Toen Amsterdam en Hamburg in 1323 met elkaar in contact kwamen had de Duitse havenstad al een jaar of 80 een kasteelachtig gebouw op het schild. Dat kasteel zou kunnen verwijzen naar de Hammaburg, die ongeveer 800 gesticht zou zijn dicht bij de oever van de Elbe en waaraan de naam van de stad zijn ontstaan dankt. Vanuit dit kasteel zouden de eerste handelsactiviteiten plaatsgevonden hebben en in ongeveer 810 schonk Karel de Grote het een kerk. In 831 werd Hamburg zelfs een aartsbisdom, maar door toedoen van de Vikingen leefde dat niet lang. Al vanaf 845 leed de stad tot de 12e eeuw een kwijnend bestaan en werd zelfs bestuurd door de bisschop van het toen belangrijkere Bremen. Resten van de Hammaburg zijn tot op heden niet gevonden.

De eerste postzegel van Hamburg (bron)

Het kruis op de middelste toren verwijst naar het aartsbisdom dat Hamburg inmiddels met Bremen deelde. Hamburg mocht als tweede stad van het bisdom wel een grote kerk bouwen en zo ontstond in de 13e eeuw de enorme gotische Mariadom. Naar Maria verwijzen de sterren boven de andere torens. De kerk overleefde de reformatie, die van Hamburg een lutherse stad maakte, maar toen in de Franse tijd de kerk door de stad Hamburg van het bisdom Bremen werd overgenomen, kwam er snel een eind aan: in 1805 werd de dom afgebroken. In 1893 werd een neoromaanse St. Mariendom gebouwd, die sinds 1994 zetel is van de Hamburgse aartsbisschop. In dat jaar herverdeelde paus Johannes Paulus II het overwegend lutherse Noord-Duitse gebied. Hamburg is qua oppervlakte de grootste kerkprovincie van heel Duitsland en beslaat naast Hamburg zo’n beetje heel de bondsstaten Sleswig-Holstein en Mecklenburg-Vorpommern.

Duitsland Mi 1591 met het wapen van Hamburg

Pas op 1 januari 1859 verschenen de eerste postzegels van Hamburg. Niet dat er in de stad niets met post gedaan werd, maar het had voor zo’n beetje ieder belangrijk gebied in de omgeving wel een postkantoor en wanneer je bijvoorbeeld als Deen iets wilde verzenden ging je naar het Deense postkantoor en frankeerde met Deense zegels. Zo hoefde er ook niet ingewikkeld met wisselkoersen gehannest te worden. Zo was er ook een kantoor voor Sleswig-Holstein, voor Hannover, voor Pruisen en voor Mecklenburg. En natuurlijk voor het nog alomtegenwoordige Thurn und Taxis.

De ontwerper van de postzegels was de heer C.G. Hencke, die als graveur werd bijgestaan door Johann Friedrich Rex Ziesenist. Deze had het vermogen allerlei kenmerken aan te brengen die vervalsing zeer lastig maakte. Deze zijn dan ook vaak makkelijk te herkennen. Zitten er Ziesenistkenmerken in? Nee? Dan vals! De druk werd verzorgd door de Senaatsboekdrukkerij van Johann August Meissner. De 22ste en laatste postzegel van Hamburg verscheen in 1867, maar alle toonden ze het stadwapen.

Het Venezolaanse Graan heeft de Orkaan Doorstaan, daarover de volgende keer.

Een jonge Ferdinand, kort na zijn aantreden

Een jonge Ferdinand, kort na zijn aantreden

Het revolutiejaar 1848 begon in Napels en sloeg al gauw over naar andere delen van Europa. Vele staatshoofden trokken er hun conclusies uit en stonden liberale maatregelen zoals een nieuwe grondwet en een parlement toe. In Nederland bleven deze ook, al had de in 1849 aangetreden Willem III niets liever gewild dan alles bij het oude laten, maar een aantal anderen trok dat allemaal weer in, zoals ik met Franz Joseph al beschreef. En zo ook Ferdinand II, bij wie het allemaal begonnen was.

Ferdinand aan het eind van zijn leven

Ferdinand aan het eind van zijn leven

Ferdinand II werd geboren op 12 januari 1810 in Palermo, de tweede stad van het Koninkrijk Napels en Sicilië, vanaf 1816 het Koninkrijk der Twee Siciliën geheten. Dit koninkrijk was als vazal van Spanje ontstaan in 1735 toen de latere Spaanse koning Carlos III de gebieden op de Habsburgers veroverde. Hij bleef koning tot 1759, toen hij naar Spanje geroepen werd om daar de leiding over te nemen. Napels en Sicilië gingen over naar zijn tweede zoon Ferdinand I. Ferdinand II was zijn kleinzoon en bij zijn geboorte al de beoogde troonopvolger. Hij was een volle neef van de Spaanse koningin Isabella II en een oomzegger van de Spaanse troonpretendent Carlos, die hij in de Carlistische oorlogen vurig steunde. En daar begon de ellende.

In 1830 volgde Ferdinand zijn vader Frans op en in het begin was dat een verademing voor het land. De conservatieve ministers werden ontslagen en vervangen door lieden van liberaler snit, de beroerde financiële positie werd aangepakt en bannelingen mochten weer terugkomen. Na enkele jaren was Ferdinand een van de populairste koningen van Europa, mede door zijn huwelijk met de Savooise prinses Maria Cristina. Maar dat duurde allemaal niet lang want zoals gezegd was hij een vurig aanhanger van zijn oom Carlos en dat had ook gevolgen voor Napels en Sicilië: Ferdinand ging in de tweede helft van de jaren 30 een veel meer anti-liberale koers varen. De liberalen in het land moesten wat verzinnen om de koning weer aan hun kant te krijgen: op zijn 38ste verjaardag, 12 januari 1848, ontketenden ze de revolutie, eerst in Palermo, een paar weken later in Napels. Er ontstond zelfs een liberale vrijstaat met een premier in de persoon van Ruggero Settimo.

Even leek het erop dat Ferdinand zou luisteren en voorbereidingen werden getroffen voor een nieuwe liberale grondwet. Maar de onderhandelingen liepen zeer stroef en de koning dreef op een aantal punten zo zijn zin door dat de grondwet nooit ondertekend zou worden. Op 15 mei 1849 werd de revolutie definitief de kop ingeslagen, Ferdinand, door zijn optreden voorzien van de bijnaam ‘Rè Bomba’, besloot verder zijn eigen boontjes te doppen en werd daarin gesteund door het leger. Dit kwam het koninkrijk niet bepaald ten goede. De latere Britse premier William Ewart Gladstone beschouwde het Koninkrijk der Beide Siciliën na een rondreis van 4 maanden als een van de politiek achterlijkste gebieden van Europa, wat Ferdinand, toen hij daarvan hoorde, in woede deed ontsteken.

Sicilië Mi 4

Sicilië Mi 4

Eind 1856 leidde de slechte situatie in het eens zo bloeiende koninkrijk tot een aanslag in Napels door een aanhanger van Giuseppe Mazzini, een van mannen die de eenwording van Italië aan het voorbereiden waren. Ferdinand overleefde die in eerste instantie, maar met zijn gezondheid kwam het nooit meer goed, mede in de hand gewerkt door ernstige obesitas.

Italië Mi 1029 herdenkt de eerste zegels van Sicilië

Italië Mi 1029 herdenkt de eerste zegels van Sicilië

In januari 1859 vertrok Ferdinand voor een reis door het land, eindigend in Bari, waar zijn zoon en troonopvolger Frans zou trouwen met Maria Sophia van Beieren, een zus van Sisi. Dodelijk vermoeid kwam hij er aan en was in een te slechte conditie om het huwelijk bij te wonen. De lokaal welbekende dokter Nicola Longo (1789-1877), overigens een fervent liberaal, constateerde een abces in de lies van de koning en stelde een operatie voor. Deze werd echter keer op keer uitgesteld en Ferdinand besloot tegen het advies van Longo in om met zijn gevolg terug te keren naar zijn paleis in Caserta. Daar bevestigden zijn hofartsen de diagnose van Longo, maar veel konden ze niet meer doen. Op 22 mei overleed Ferdinand en werd opgevolgd door Frans, die ondanks hevig verzet twee jaar later zijn koninkrijk op moest geven.

De postzegels met het portret van Ferdinand waren de enige die er op Sicilië verschenen en gezien de deplorabele toestand van het land, kwam er slechts een kleine herdenking in 1959 van die 7 postzegels. Ze werden gegraveerd door Tommaso Aloysio Juvara (1809-1875), een kunstenaar uit Messina. Wat aardig is om te vermelden was dat er speciale stempels ontwikkeld werden omdat het portret van de koning niet bevuild mocht worden. Het ontwerp daarvan was van Carlo La Barbera.

Ook Hamburg begon laat met postzegels, maar daarover de volgende keer.

Portret uit 1859 van een onbekende schilder

Portret uit 1859 van een onbekende schilder

Toch geen kwaaie kerel, moeten ze in augustus jongstleden gedacht hebben, toen de Oostenrijkse post de honderd jaar eerder overleden keizer Franz Joseph met een postzegel eerde. En inderdaad, afgezien van een nogal conservatieve natuur en het feit dat hij de Eerste Wereldoorlog begon door Servië de oorlog te verklaren na de aanslag op troonopvolger Franz Ferdinand op 28 juni 1914, was er weinig op de Oostenrijkse keizer aan te merken.

Oostenrijk Mi 37 uit 1867

Oostenrijk Mi 37 uit 1867

Franz Joseph Karl werd op 18 augustus 1830 geboren in paleis Schönbrunn. Hij was een zoon van aartshertog Franz Karl (1802-1878) en kleinzoon van Franz II, de laatste Heilig Roomse keizer. Zijn oom Ferdinand was als oudste zoon in 1835 Franz II opgevolgd, maar werd in het algemeen als een zwakke monarch gezien. Dat voelde Oostenrijk in 1848 toen in maart van dat jaar ook in Wenen de revolutie uitbrak. Ferdinand begon liberale hervormingen in te voeren, maar revolutionairen uit andere delen van het Habsburgse Rijk wilden niets meer of minder dan autonomie. De Hongaren waren daar het felste in en vormden onder Lajos Kossuth een volksleger om de onafhankelijkheid te bevechten. Ook in Praag, Venetië en Milaan was het zeer onrustig. Reden voor Ferdinand om Wenen te verruilen voor het rustiger Innsbruck. Een tegen de Hongaren gerichte Kroatische contrarevolutie en tweede revolutie in Wenen, in oktober 1848, bezegelde het lot van de keizer. Op 2 december trad hij af, niet ten gunste van zijn broer, maar van zijn neef: Franz Joseph werd de nieuwe keizer.

Keizerin Sisi, door Anton Einsle (1865)

Keizerin Sisi, door Anton Einsle (1865)

Zijn eerste daad was het neerslaan van de Hongaarse opstand en daarvoor werd de hulp van de Russen, toen nog een bevriende staat, ingeroepen. Vanaf 1849 was het weer rustig in het keizerrijk, en in maart van dat jaar was er zelfs een nieuwe grondwet, die op oudjaar 1851 ingetrokken werd (en zodoende het Sylvesterpatent genoemd wordt). Franz Joseph regeerde zijn verdere leven als een absoluut vorst, gesteund door een kleine groep ministers. In 1860 en 1867 kwamen er wel weer nieuwe grondwetten, die een aantal vrijheden definieerden die er eerder nog niet instonden of in 1851 vervallen waren.

Mi 72 uit 1899

Mi 72 uit 1899

Op 24 april 1854 trouwde Franz Joseph met zijn volle nicht, de toen nog 16-jarige Beierse hertogin Elisabeth, een door zijn moeder en tante gearrangeerd huwelijk. Sisi, zoals ze in de wandeling genoemd werd, was in 1853 samen met haar drie jaar oudere zus Helene (‘Néné’), aan de jonge keizer voorgesteld en onverwacht door hem uitgekozen. Het huwelijk was in het begin gelukkig en leverde tussen 1855 en 1868 4 kinderen op, drie meisjes, waarvan de eerste al na 2 jaar stierf, en een troonopvolger, Rudolf. Maar in de tussentijd kreeg Sisi last van heimwee en andere klachten, die ze weet aan het strakke hofprotocol. Vanaf 1860 was de keizerin in toenemende mate op reis, naar kuuroorden en andere plaatsen van vertier, terwijl haar man zich steeds vaker met minnaressen inliet, waar Sisi geen enkele moeite mee had. Ze zou zelfs in 1885 een ontmoeting gearrangeerd hebben tussen de keizer en de actrice Katharina Schratt (1853-1940), die hem tot zijn dood trouw zou blijven. Op 10 september 1898 kwam Sisi op noodlottige wijze aan haar einde: de 60-jarige keizerin werd na een bezoek aan de familie Rothschild in Genève met een scherpe vijl neergestoken door de zich anarchist noemende Italiaan Luigi Lucheni (1873-1910). Franz Joseph was, ondanks de verwijdering van zijn vrouw, zeer verdrietig om haar overlijden.

Mi 144 uit 1908, bij het 60 jarig regeringsjubileum

Mi 144 uit 1908, bij het 60 jarig regeringsjubileum

Eerder had hij al enkele andere tegenslagen moeten incasseren. In 1867 kwam zijn jongere broer Maximiliaan voor het vuurpeloton in Mexico, waar deze in 1864 op voorspraak van de Franse keizer Napoleon III tot keizer was gekroond. Een andere, zo niet zwaardere klap kreeg hij te verwerken in 1889. Toen pleegde zijn 30-jarige weinig stabiele zoon Rudolf zelfmoord. Hierdoor werd Karl Ludwig, een jongere broer van Franz Joseph de nieuwe troonopvolger en toen die in 1896 overleed diens zoon Franz Ferdinand. Die was uit een geheel ander hout gesneden dan zijn oom, maar dat mocht niet baten, getuige de gebeurtenissen van 1914.

In 1867 moest Franz Joseph alle zeilen bijzetten om het rijk bij elkaar te houden in het licht van de toenemende macht van Pruisen die zou leiden tot de stichting van het Duitse Rijk. Na de verloren oorlog in 1866 werden de Hongaren en Bohemers weer onrustig. Om het tij te keren kwam er de hiervoor al besproken nieuwe grondwet en werd Hongarije een zelfstandige staat binnen het keizerrijk met Franz Joseph als ‘apostolisch koning’ en drager van de Stefanskroon. Ook in Praag werd hij tot koning gekroond, maar Bohemen kreeg verder geen aparte status. Vanaf dat moment spreken we van de Dubbelmonarchie ofwel Oostenrijk-Hongarije.

Bosnië-Herzegovina Mi 44 uit 1906

Bosnië-Herzegovina Mi 60 uit 1910, bij de 80ste verjaardag

Maar meer vrijheden leidde niet tot meer vrede. Het bleef rommelen, in het bijzonder op de Balkan. De vriendschap met Rusland was inmiddels bekoeld en beide landen zochten als ware concurrenten naar invloed in het gebied waar het Ottomaanse Rijk steeds meer terrein verloor. Roemenië en Bulgarije vochten zich los en werden nieuwe vorstendommen, later koninkrijken. Ook Servië en Montenegro ontwikkelden zich zelfstandig. Bosnië-Herzegovina werd in 1878 toegewezen aan Oostenrijk, terwijl Kroatië (samen met Slovenië) net als Bohemen in 1868 een ‘staat binnen de staat’ was geworden. Maar ondertussen kreeg het nationalisme in al die nieuwe gebieden vaste grond, er groeide een verlangen naar een samenwerking als Zuid-Slavische staat onder leiding van Servië, die er na de Eerste Wereldoorlog ook echt kwam en kort na het ontstaan Joegoslavië genoemd werd.

In Bosnië-Herzegovina, het minst zelfstandige deel van de Zuid-Slavische gebieden, groeide het nationalisme als kool en Servië, dat zich met Rusland van een militaire ‘grote broer’ voorzag, sponsorde stiekem doch ruimhartig allerlei clubjes die de losweking van Bosnië uit Oostenrijk-Hongarije nastreefden. Zo ook De Zwarte Hand, een in 1901 in Servië ontstane terreurorganisatie, geleid door Dragutin Dimitrijevic alias Apis. Zij wilden de Zuid-Slavische staat bereiken met als grote voorbeeld de Risorgiomento in Italië 40 jaar eerder. Onder leiding van De Zwarte Hand ontstond Jong Bosnië, een groep militante studenten, waartoe ook Gavrilo Princip behoorde. Bij het bezoek van kroonprins Franz Ferdinand aan Sarajevo eind juni zouden ze toeslaan. Zondag 28 juni 1914 vuurde Princip de fatale schoten af tijdens een rijtoer.

Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie (Bosnië-Herzegovina, Mi 123, 3e herdenkingsdag van de aanslag)

Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie (Bosnië-Herzegovina, Mi 123 uit 1917, 3e herdenkingsdag van de aanslag)

De Servische regering werd meteen en niet helemaal onterecht als veroorzaker van de ellende aangewezen. In Belgrado trokken ze alle diplomatieke registers open om oorlog te voorkomen, maar de bejaarde keizer luisterde nergens meer naar: hij genoot de bescherming van het Duitse Rijk en zou die Serviërs wel een lesje leren. Rusland steunde uiteraard Servië en dat dreef het Ottomaanse Rijk in de armen van Duitsland en Oostenrijk. Frankrijk stond, als aartsvijand van Duitsland, aan de kant van de Russen, en Engeland schaarde zich achter Frankrijk, vooral om de neutraliteit van het bedreigde België te garanderen. Toen Servië niet aan een Oostenrijks ultimatum kon voldoen verklaarde Franz Joseph het land op 28 juli 1914 de oorlog. Een week later was de hel uitgebroken.

De Oostenrijkse legers hadden in de oorlog niet veel succes. De Serviërs boden meestal succesvol tegenstand en Oostenrijk profiteerde verder vooral van het feit dat de Duitsers aan het oostfront de Russen onder de duim kregen en de Ottomanen de Engelsen (geholpen door Australië en Nieuw-Zeeland) lange tijd van een invasie af konden houden. Servië werd na verloop van tijd wel verslagen, maar voornamelijk dankzij de hulp van Bulgarije, dat zijn zinnen op Macedonië had gezet. Verder waren de legers van Roemenië en Italië, die later de oorlog instapten aan de kant van de geallieerden, net zo slecht of nog slechter op de strijd voorbereid dan Oostenrijk al was. Niettemin, toen op 21 november 1916 de inmiddels 86-jarige keizer op Schönbrunn na een regering van bijna 68 jaar overleed, was het duidelijk dat Oostenrijk-Hongarije geen lang leven meer beschoren zou zijn. Franz Josephs achterneef Karl, een neef van Franz Ferdinand, nam de failliete boedel over, maar moest in 1918 aftreden.

Mi 13 uit 1858

De postzegels met het portret van Franz Joseph verschenen op 1 november 1858 als gevolg van een muntwijziging: er gingen voortaan geen 60 Kreuzer meer in een Gulden, maar 100. Tegelijkertijd verschenen de zegels in Lombardije en Venetië. Lombardije ging in 1859 over naar het nieuwe koninkrijk Italië, Venetië volgde in 1867, deze zegels waren er nog tot 1863 geldig. Het ontwerp was van Ernst Meisner en voor de gravure werden de heren Schmidt en Schrepfer aangezocht.

Er zouden nog vele portretten van Franz Joseph volgen, maar na 1918 droogde het snel op. Aan het eind van de 20ste eeuw, toen de leiders van de Eerste Wereldoorlog in het algemeen nog genegeerd werden, kwamen er enkele filatelistische bananenrepublieken als eerste weer met de ‘boeven van weleer’. Sinds 2004 mag Franz Joseph officieel weer, in dat jaar kwam er een herdenkingszegel voor zijn huwelijk met Sisi in 1854, in 2014 herdacht Faroër de uitbraak van de oorlog met portretten van alle hoofdrolspelers en op 27 augustus jl. volgde Oostenrijk dus met het overlijden van de keizer 100 jaar eerder.

Herdenkingszegel en -stempel uit 2016 (Mi 3282, bron)

Herdenkingszegel en -stempel uit 2016 (Mi 3282, bron)

Er waren eigenlijk niet zo heel veel landen die sterk liberaliseerden na 1848. En het Koninkrijk der Twee Siciliën al helemaal niet. Daarover volgende keer.