15 september 1854 – De Strubel

Struwwelpeter, een van de figuurtjes uit het werk van Heinrich Hofmann

Struwwelpeter, een van de figuurtjes uit het werk van Heinrich Hofmann

Zwitserland, we kennen het als een modern land, waar men zo af en toe nog wel eens voor loopt op de rest van de wereld. In 1850 was dat nog niet zo erg vanzelfsprekend, zo blijkt uit het volgende verhaal.

20160623_173509

Barbados Mi 24 uit 1874. De Britannia als het grote voorbeeld voor de Helvetia.

In 1852 was het de bedoeling dat er een nieuwe serie postzegels zou komen die grootser van opzet moest zijn dan wat voor die tijd geproduceerd werd. De Zwitserse wapens waren immers voor nauwelijks meer dan lokaal gebruik bestemd. Dat had mede te maken met het feit dat er nog geen uniforme munteenheid was, maar dat was inmiddels opgelost en de Zwitserse Franc was een feit. Toch zou het nog ruim twee en een half jaar duren voor het ontwerp goedgekeurd was en de eerste zegels van de persen kwamen. Het onderwerp was de symboolvrouwe van de eedgenootschap, de Helvetia. Zij was in de tweede helft van de 17e eeuw ‘bedacht’ en onder andere verpersoonlijkt in een toneelstuk uit 1672 van Johann Caspar Weissenbach (1623-1678).

Zwitserland Mi 13. Zie de overeenkomsten met het plaatje hierboven.

Zwitserland Mi 13. Zie de overeenkomsten met het plaatje hierboven. (bron)

De gangmaker achter de Helvetia was Hermann Custer (1823-1893). Hij kwam uit Sankt-Gallen en werd in 1850 benoemd tot directeur (Münzwardein) van de Eidgenössische Münzstätte in Bern, waar hij ook de postzegelproductie op zijn bordje kreeg. Hij nam de opdracht serieus en ging in Parijs en Londen kijken hoe dat moest, op grote schaal postzegels drukken. Op bezoek bij Perkins Bacon kreeg hij de inspiratie voor het ontwerp, toen hij de Britanniazegels voor de koloniën zag. Zoek de verschillen…

Het werkelijke productieproces was nog een heel ander verhaal. Aanvankelijk werd de universiteitsdrukkerij Weiss in München, die al enige ervaring had met het drukken van Beierse postzegels, gevraagd ze te leveren. München leverde zegels van 5, 10, 15 en 40 Rappen in een combinatie van boek- en diepdruk op veiligheidspapier met flinters zijde, zodat vervalsingen vooralsnog niet mogelijk waren. Deze zegels kwamen op 15 september 1854 aan de loketten.

Een van de latere Helvetia's: Mi 38 uit 1881

Een van de latere Helvetia’s: Mi 38 uit 1881

Het contract met München liep echter af en papier en drukplaten werden naar Bern gestuurd, waar Custer’s Münzstätte de productie overnam. Dat viel niet mee, want het eerste resultaat was aanzienlijk slechter dan dat uit München. Hieraan heeft de Helvetia zijn bijnaam te danken: de Strubel.

Heinrich Hofmann werd geboren in 1809 in Frankfurt am Main. Hij studeerde medicijnen en werd psychiater. Daarnaast was hij geen onverdienstelijk schrijver. In 1845 schreef hij een aantal korte kinderverhalen met veel plaatjes en een duidelijke moraal, naar hij zelf zei omdat hij voor zijn eigen driejarige zoontje geen mooi prentenboek kon vinden. De figuren uit zijn verhalen waren steeds ondeugende kinderen, die een gepaste straf verdienden en zo weer braaf werden. De hoofdfiguur in het eerste verhaaltje noemde hij Struwwelpeter. Dit was een jongetje dat zijn nagels en haren niet wilde laten knippen en zo compleet verwilderde. Ziedaar de overeenkomst met de eerste Berner drukken van de Helvetia. De druk was soms zo beroerd dat de federale symboolvrouw een ware Struwwelpeter leek en de bijnaam was geboren.

De Strubel werd in 1862 vervangen door een nieuwe serie waarin Helvetia niet meer naar de waarnemer kijkt maar ‘en profil’ wordt afgebeeld. Dit type werd tot 1881 gedrukt. Daarna verschenen er nog een ‘staande’ Helvetia van 1882 tot 1907 en een meer eigentijdse zittende versie van 1908 tot 1940.

Volgende keer wordt er flink op ingehakt in het middeleeuwse Noorwegen.