Struwwelpeter, een van de figuurtjes uit het werk van Heinrich Hofmann

Struwwelpeter, een van de figuurtjes uit het werk van Heinrich Hofmann

Zwitserland, we kennen het als een modern land, waar men zo af en toe nog wel eens voor loopt op de rest van de wereld. In 1850 was dat nog niet zo erg vanzelfsprekend, zo blijkt uit het volgende verhaal.

20160623_173509

Barbados Mi 24 uit 1874. De Britannia als het grote voorbeeld voor de Helvetia.

In 1852 was het de bedoeling dat er een nieuwe serie postzegels zou komen die grootser van opzet moest zijn dan wat voor die tijd geproduceerd werd. De Zwitserse wapens waren immers voor nauwelijks meer dan lokaal gebruik bestemd. Dat had mede te maken met het feit dat er nog geen uniforme munteenheid was, maar dat was inmiddels opgelost en de Zwitserse Franc was een feit. Toch zou het nog ruim twee en een half jaar duren voor het ontwerp goedgekeurd was en de eerste zegels van de persen kwamen. Het onderwerp was de symboolvrouwe van de eedgenootschap, de Helvetia. Zij was in de tweede helft van de 17e eeuw ‘bedacht’ en onder andere verpersoonlijkt in een toneelstuk uit 1672 van Johann Caspar Weissenbach (1623-1678).

Zwitserland Mi 13. Zie de overeenkomsten met het plaatje hierboven.

Zwitserland Mi 13. Zie de overeenkomsten met het plaatje hierboven. (bron)

De gangmaker achter de Helvetia was Hermann Custer (1823-1893). Hij kwam uit Sankt-Gallen en werd in 1850 benoemd tot directeur (Münzwardein) van de Eidgenössische Münzstätte in Bern, waar hij ook de postzegelproductie op zijn bordje kreeg. Hij nam de opdracht serieus en ging in Parijs en Londen kijken hoe dat moest, op grote schaal postzegels drukken. Op bezoek bij Perkins Bacon kreeg hij de inspiratie voor het ontwerp, toen hij de Britanniazegels voor de koloniën zag. Zoek de verschillen…

Het werkelijke productieproces was nog een heel ander verhaal. Aanvankelijk werd de universiteitsdrukkerij Weiss in München, die al enige ervaring had met het drukken van Beierse postzegels, gevraagd ze te leveren. München leverde zegels van 5, 10, 15 en 40 Rappen in een combinatie van boek- en diepdruk op veiligheidspapier met flinters zijde, zodat vervalsingen vooralsnog niet mogelijk waren. Deze zegels kwamen op 15 september 1854 aan de loketten.

Een van de latere Helvetia's: Mi 38 uit 1881

Een van de latere Helvetia’s: Mi 38 uit 1881

Het contract met München liep echter af en papier en drukplaten werden naar Bern gestuurd, waar Custer’s Münzstätte de productie overnam. Dat viel niet mee, want het eerste resultaat was aanzienlijk slechter dan dat uit München. Hieraan heeft de Helvetia zijn bijnaam te danken: de Strubel.

Heinrich Hofmann werd geboren in 1809 in Frankfurt am Main. Hij studeerde medicijnen en werd psychiater. Daarnaast was hij geen onverdienstelijk schrijver. In 1845 schreef hij een aantal korte kinderverhalen met veel plaatjes en een duidelijke moraal, naar hij zelf zei omdat hij voor zijn eigen driejarige zoontje geen mooi prentenboek kon vinden. De figuren uit zijn verhalen waren steeds ondeugende kinderen, die een gepaste straf verdienden en zo weer braaf werden. De hoofdfiguur in het eerste verhaaltje noemde hij Struwwelpeter. Dit was een jongetje dat zijn nagels en haren niet wilde laten knippen en zo compleet verwilderde. Ziedaar de overeenkomst met de eerste Berner drukken van de Helvetia. De druk was soms zo beroerd dat de federale symboolvrouw een ware Struwwelpeter leek en de bijnaam was geboren.

De Strubel werd in 1862 vervangen door een nieuwe serie waarin Helvetia niet meer naar de waarnemer kijkt maar ‘en profil’ wordt afgebeeld. Dit type werd tot 1881 gedrukt. Daarna verschenen er nog een ‘staande’ Helvetia van 1882 tot 1907 en een meer eigentijdse zittende versie van 1908 tot 1940.

Volgende keer wordt er flink op ingehakt in het middeleeuwse Noorwegen.

Gevelsteen uit 1675 aan de Nieuwestad in Leeuwarden (bron)

Gevelsteen uit 1675 aan de Nieuwestad in Leeuwarden (bron)

Thematisch gezien is koloniaal Australië tamelijk saai. Voordat in 1913 de eerste zegels voor heel het land werden uitgegeven in de legendarische kangoeroetekening was er niet veel gebeurd. De meeste ex-koloniën hadden portretten van koningin Victoria tot het bittere eind, 9 jaar na haar dood. New South Wales sprong wel even uit de band met echte ‘pictorials’ en dan was er nog West-Australië dat weer een geheel eigen onderwerp presenteerde, dat tot 1912 het merendeel van de postzegels bepaalde: de zwarte zwaan.

Portret van Willem de Vlamingh op herdenkingszegels van Australië (Mi 1810) en Christmas Island (Mi 426) (bron)

Portret van Willem de Vlamingh naar een schilderij van Nicolaas Verkolje op herdenkingszegels van Australië (Mi 1810) en Christmas Island (Mi 426) uit 1996 (bron)

Naast de welbekende kangoeroe, de koala, de wombat, de dingo en de emoe is de zwarte zwaan (cygnus atratus) ook een typisch Australisch dier. Inmiddels is het ook in Nieuw-Zeeland een bekende verschijning. Buiten Oceanië komt de vogel nauwelijks voor, al zijn er in Engeland wel enkele kleine kolonies, denkelijk geïmporteerd. Wat nogal fascineert is het jaartal van de gevelsteen hierboven uit 1675. Had men voorkennis? Echte zwarte zwanen waren door Europeanen waarschijnlijk nog niet waargenomen, maar misschien had men ervan gehoord uit verhalen van de eerste ontdekkers van Australië, zoals Dirk Hartog.

De eerste zegel van West-Australië

De eerste zegel van West-Australië

De zwarte zwaan is het beeldmerk van West-Australië en dat is min of meer aan een andere Nederlandse zeevaarder te danken: de in 1640 geboren Vlielandse kapitein Willem de Vlamingh zeilde in 1696 in opdracht van de VOC naar Australië om een onderzoek in te stellen naar het in 1694 vergane schip Ridderschap van Holland, waarvan men vermoedde dat het ergens bij het nog maar deels ontdekte Terra Australis op de klippen was gelopen. De Vlamingh vond het schip niet, maar herontdekte wel het gebied rondom de huidige stad Perth. Zo landde hij op een van de eilanden voor de kust van die stad en gaf het de naam Rattennest vanwege de op grote ratten lijkende quokka’s, nog zo’n inheems beestje. Het heet nu nog steeds Rottnest Island en is nu een doel voor toeristische uitstapjes.

Mi 44 uit 1898

Mi 44 uit 1898

Na het bezoek aan Rattennest ging De Vlamingh aan land aan de monding van de huidige Swan River en noemde die Zwaanenrivier vanwege de vele zwanen die werden waargenomen. Zwarte welteverstaan en daarmee werd het latere staatssymbool geboren. Verdere belangstelling voor het gebied bleef de volgende 130 jaar uit. Pas in 1826 zette de gouverneur van New South Wales een expeditie naar West-Australië op touw om het voor de Britse Kroon op te eisen en er een nieuwe kolonie te stichten, naar men zegt om de Fransen voor te zijn. Het viel niet mee, want de in 1829 gestichte Swan River Colony leidde de volgende 50 jaar een soms moeizaam bestaan rondom de nederzetting Perth, samen met de kolonie gesticht door de Schot James Stirling. Dit veranderde rond 1880 toen er goud gevonden werd in de regio en er dus een goldrush kwam.

Toch kwamen er in 1854 al postzegels en uiteraard was de zwarte zwaan het onderwerp. Wie de ontwerper was is niet bekend, wel dat het met een zwarte zegel van 1 penny begon, die geproduceerd werd bij Perkins Bacon in Londen. Andere zegels, de 4 pence en 1 shilling, werden door de lokale lithograaf Horace Samson (1818-1907) gemaakt. Samson was in 1841 vanuit Engeland naar Australië geëmigreerd en ging in de leer in de drukkerij van een tweetal ooms die al eerder de oversteek gewaagd hadden. Horace ging in 1844 (onder andere) als lithograaf aan de slag bij de Lands and Surveys Department in Perth. Vanaf 1855 was hij werkzaam in Melbourne. Zijn oude dag sleet hij overigens weer in Engeland. Home sweet home zullen we maar zeggen.

Zwarte zwanen op een Roemeense postzegel uit 1964 (Mi 2331)

Wat ruist daar in het struikgewas? Dit thema van Toon Hermans zou goed toepasbaar zijn op een bekende verschijning op de 19e-eeuwse Zwitserse postzegels. Daarover en een stukje Duitse cultuur volgende keer.

Het wapen van Spanje in 1854 (Mi 25, bron)

1854 bracht slechts drie nieuwe thema’s en twee daarvan waren uit ‘bekende’ landen als Spanje en Zwitserland. Het derde uit ‘startup’ West-Australië. Ik begin met Spanje.

Het hoofdonderwerp van de Spaanse postzegels was tot 1868 koningin Isabella II. Toch was er een uitzondering. In 1854 kwam er een serie van vijf uit met het Spaanse wapen, mogelijk om niet in verwarring te raken met een geplande eerste Isabella-serie voor de Filippijnen, die op 1 februari daar het licht zag. Het was in Spanje nog niet gebruikelijk om de landsnaam te vermelden, dat gebeurde pas in 1862. Op de Filippijnen was het niet anders, daar werd de landsnaam pas in 1873 ingevoerd. Op Cuba en in Puerto Rico kwamen de eerste zegels toen pas eerst uit en droegen in het begin de naam Ultramar.

Het wapen van Castilië (bron)

Het wapen van Spanje was in 1854 eenvoudiger dan het huidige wapen, waarin de belangrijkste landsdelen van Spanje plaats hebben, namelijk de vroegere koninkrijken Castilië, Léon, Aragón, Navarra en Granada. Catalonië hoort daar bijvoorbeeld dus niet bij, het was nooit een koninkrijk en het heeft zijn eigen wapen. Op de postzegels is een wapen te zien met twee leeuwen van Léon en twee kastelen van Castilië. Onderin, in een uitsparing is heel klein het wapen van Granada te zien, zijnde een granaatappel. Bovenop het wapen, in het midden, ligt het Bourbonwapen met de drie lelies, horende bij het koningshuis sinds 1700. Het geheel wordt afgesloten met een kroon bovenop en de ordeketting van het Gulden Vlies als omsluiting.

In de rand van het wapen van Portugal zijn nog steeds de Castliaanse kasteeltjes te zien

In de rand van het wapen van Portugal zijn nog steeds de Castliaanse kasteeltjes te zien

Castilië wordt verbeeld door een kasteel met drie torens. Dit deel van het wapen stamt uit ongeveer 1175, toen Alfonso VIII koning was van het land. Aanvankelijk was het bedoeld als teken van waardigheid en niet om het banier of het schild mee te sieren. In de 13e eeuw veranderde dit echter snel en kwam het kasteel vaker voor in wapens van diverse vorstelijke huizen, zoals in Portugal, waar – net als in Spanje – het kasteel tot op de dag van vandaag deel uitmaakt van het wapen.

Het wapen van Granada

Het wapen van Granada

In 1230 erfde Ferdinand III, kleinzoon via moederskant van Alfonso VIII, het naastgelegen koninkrijk Léon van zijn vader. Dit had tot gevolg dat de leeuwen van Léon toegevoegd werden aan het wapen. Om het niet te ingewikkeld te maken en om de gelijkwaardigheid van de twee koninkrijken aan te tonen werden ze kruiselings van elkaar in het wapen geplaatst.

Een andere Castiliaanse koning, Hendrik IV, introduceerde de granaatappel voor het nog op de moslimheersers te veroveren emiraat Granada. Dat had niet alleen met de naam te maken, maar ook met Hendriks lijfspreuk ‘reinar es agridulce’ (regeren is bitterzoet), wat ook refereerde aan de smaak van de vrucht. Na de Reconquista werd de granaatappel als verovering onderin het wapen geplakt van Ferdinand en Isabella. Dit zou voorlopig de basis zijn van het wapen zoals het in 1854 ook was. In 1874 werden ook Aragón en Navarra toegevoegd, maar daarover later.

De eerste dienstzegel van Spanje (bron)

De eerste dienstzegel van Spanje (bron)

In het geval van de postzegels van 1854 is er geen informatie vinden over wie de ontwerper was. Wel was er nog een aardigheidje, want om het geheel compleet te maken verschenen er nog een viertal wapenschilden op 1 juli en dat waren bijzondere want dit waren de eerste echte dienstzegels ter wereld! Ok, in Engeland was er al een Penny Black met hoekletters VR die als dienstzegel gebruikt kon worden, maar dusdanig impopulair was dat het zover nooit kwam.

Volgende week een bekend verschijnsel in de sloot (maar dan in zwart).

Jan van Riebeeck landt op de Kaap, door Charles Davidson Bell

Jan van Riebeeck landt op de Kaap, door Charles Davidson Bell

Even weg uit Lissabon, dat was de moraal van de vorige blogs van Zegelgek. En dan gaan we dus naar Kaap de Goede Hoop. En wie gaf die kaap deze naam? Juist ja, de Portugese koning João II, die het land regeerde in de tijd dat Bartholomeus Dias dit zuidwestelijke uitsteeksel van Afrika als eerste gedocumenteerde westerling rondde. Dias noemde de punt nog Cabo das Tormentas, oftewel Kaap der Stormen, João vond dit te negatief, hij zag niet de problemen van de zeevaarders, maar wel de kansen die deze ontdekking zijn land bood. Vanaf dat moment ging De Kaap door het leven als Cabo da Boa Esperança. Driemaal raden wat dit betekent.

 

Een van de eerste zegels van Kaap de Goede Hoop, de andere waarde was een blauwe 4 pence

Een van de eerste zegels van Kaap de Goede Hoop, de andere waarde was een blauwe 4 pence

De Portugezen deden niet veel met Zuidelijk Afrika, ze hadden hun verversingstations in Angola en Mozambique. Het waren pas eerst de Nederlanders die Kaapstad stichtten als veilige tussenhaven  op de zeeweg naar Indië. Het was toen al weer 1652. De Nederlanders heersten tot 1795 over dit hoekje van Afrika, dat, zodra de Fransen de Republiek kwamen bezetten, overgenomen werd door de Engelsen. Die stonden het vervolgens niet meer af: Kaap de Goede Hoop werd Cape of Good Hope en hoewel de kolonie vooral bekend stond als Cape Colony bleef Cape of Good Hope de officiële naam. Zoals op postzegels.

Een zogenaamde 'Woodblock uit 1861 (Mi 5)

Een zogenaamde ‘Woodblock uit 1861 (Mi 5)

De eerste 47 jaar, van 1853 tot 1900, prijkte De Hoop dan ook op iedere zegel die uitgegeven werd. In eerste instantie waren er natuurlijk de beroemde driehoekszegels met een bijna als Goya’s Maja half liggende vrouw. Daarna, vanaf 1864, stond ze op en ondersteunde het anker als symbool van de zeevaart en had een ram aan haar zijde. Waarom die ram erbij stond is niet erg duidelijk, het gaat waarschijnlijk om het symbool van daadkracht, autoriteit en leiderschap, iets wat De Kaap als zelfverklaarde belangrijkste Zuid-Afrikaanse kolonie wilde uitstralen. Aan het eind van de 19e eeuw was er nog een derde type met een vergelijkbaar thema, maar dan zonder ram.

Tweede tekening in een uitvoerng van 1884 (Mi 34)

Tweede tekening (met geit) in een uitvoerng van 1884 (Mi 34)

De driehoekszegels, ze spreken tot ieders verbeelding. Het was sowieso al een uniek formaat, maar wel efficiënt – het drukpapier kon mooi in vierkanten opgedeeld worden met tegen elkaar liggende driehoeken – en dat alles weer uit de keuken van Perkins, Bacon & Co in Londen, waar William Humphrys (1794-1865) als graveur de scepter voerde over deze uitgifte. Het ontwerp kwam van Charles Davidson Bell (1813-1882), een Schot die op 17-jarige leeftijd emigreerde naar de Kaap en daar met name kunstenaar was. Hij legde de diverse bevolkingsgroepen vast in tekeningen en schilderijen, maar zijn meest zichtbare kunstwerkjes zijn de postzegels. Ook de tweede versie van De Hoop, tussen 1864 en 1902 uitgegeven, was van zijn hand.

De Hoop voor de Tafelbaai uit 1893 (Mi 41)

De Hoop voor de Tafelbaai uit 1893 (Mi 41)

Vanwege hun populariteit werden de driehoeken al gauw vervalst. Er zijn tientallen voorbeelden, die meestal makkelijk te herkennen zijn, maar soms ook geniepig in elkaar steken. Wat zeker geen vervalsingen zijn, zijn de zogenaamde Woodblocks: vanwege een tekort werden in 1861 door een lokale drukkerij houten stempels gemaakt, waarmee postzegels konden worden gedrukt. Deze werden voor korte tijd gewoon aan het postkantoor verkocht en gebruikt. Kort na de introductie bleek er een schip uit Engeland te zijn aangekomen met nieuwe voorraad, waarna de Woodblocks weer uit de handel gehaald werden.

 

Afbeeldingen van de driehoekszegels komen van deze site, overigens zijn deze echt!