Verre voorvaderen van Friedrich August II op de Fürstenzug in Dresden

Verre voorvaderen van Friedrich August II op de Fürstenzug in Dresden

De eerste zegels voor ‘gewoon’ gebruik in Saksen verschenen tegelijk met de wapenzegel voor drukwerken. Deze toonden het portret van koning Friedrich August II.

Friedrich August II op een lithografie uit 1850

Friedrich August II op een lithografie uit 1850

Saksen Mi 7

Saksen Mi 7

Friedrich August werd geboren op 18 mei 1797 in Pillnitz als zoon van prins Maximiliaan van Saksen. Dat hij ooit op de troon zou komen was aanvankelijk vrij onwaarschijnlijk, want bij zijn geboorte zat zijn oom Friedrich August III nog op de troon als keurvorst (vanaf 1815 koning Friedrich August I). Deze had weliswaar geen mannelijke nakomelingen, maar genoeg broers om hem op te volgen. Maximiliaan was nummer vijf van het gezin en hij werd pas kroonprins toen zijn twee oudere broers Karl en Joseph jong stierven en Anton zijn oudste broer (in 1827) was opgevolgd. Anton had echter ook geen kinderen, zodat Maximiliaan kroonprins werd. Hij wilde echter, nadat hij van de Parijse revolutie van 1830 had vernomen, geen koning worden en deed op 1 september van dat jaar officieel afstand van zijn rechten als kroonprins, zodat diens zonen in aanmerking begonnen te komen. Van die zonen was Friedrich August de oudste. Bij het overlijden van Anton in 1836 werd hij dus de nieuwe koning. Voor die tijd was hij al een soort van mede-regent naast zijn oom.

Standbeeld op de Neumarkt in Dresden

Standbeeld op de Neumarkt in Dresden

Friedrich August stond als tamelijk liberaal bekend al gaf hij pas in 1848 toe aan de heersende trend om ministeriële verantwoordelijkheid in te voeren en overheidscensuur op te heffen. De gebeurtenissen in de andere delen van Duitsland gingen hem echter te ver: het voorstellen van een grondwet voor een verenigd Duitsland door het Frankfurter Parlement was hem een doorn in het oog en daarom besloot hij het Saksische parlement, dat wel wilde instemmen met die grondwet, maar weer te ontbinden. Het gevolg was de Mei-opstand van 1849, waarin radicalen uit Dresden, gesteund door onder andere hofkapelmeester Richard Wagner en diens goede vriend, de Russische anarchist-to-be Michail Bakoenin, na 6 dagen ongelijke strijd verslagen werden door het Saksische en door Friedrich August te hulp geroepen Pruisische leger.

Barricaden in Dresden tijdens de Mei-opstand (C.W. Aridt)

Barricaden in Dresden tijdens de Mei-opstand (C.W. Aridt)

Zijn optreden in 1849 maakte Friedrich August tijdelijk minder populair, maar omdat de meeste opstandelingenleiders Duitsland al of niet gedwongen verlaten hadden (Wagner bijv. vluchtte via Zwitserland naar Beieren en werd daar de beroemde componist die we kennen, Bakoenin kwam in de voorloper van de Goelag-archipel terecht), kon hij in 1850 weer onder het volk verschijnen.  De oude werd hij echter nooit meer, de laatste jaren voor zijn dood trok hij zich steeds meer terug en besteedde veel tijd aan zijn grootste hobby, het verzamelen van bergplanten, waarvoor hij regelmatig naar Tirol reisde. Op een van deze reizen kwam hij noodlottig aan zijn eind. Op 8 augustus 1854 viel hij uit zijn koets en kwam onder de hoeven van een van de paarden terecht. Zwaargewond werd hij naar een herberg gebracht waar hij na korte tijd overleed. Gezien zijn teruggetrokken toestand van de laatste jaren is er gesuggereerd dat het zelfmoord was. Omdat ook hij – na twee huwelijken – kinderloos was gebleven werd zijn jongere broer Johann de nieuwe koning. Daarover later.

Volgende keer verkent Zegelgek het Britse koloniale imperium met een bezoek aan Trinidad.

Het wapen van deelstaat Saksen

Het koninkrijk Saksen begon op 29 juni 1850 met het uitgeven van postzegels. Dit was, in navolging van Beieren, met een cijferzegel, die qua ontwerp sterke gelijkenis toonde met het Beierse ontwerp van Johann Peter Haseney (1812-1869) uit 1849. Hier vinden we als ontwerper ene ‘Scheele’.

Beieren Mi 2 en Saksen Mi 1, qua compositie vrijwel gelijk

Beieren Mi 2 en Saksen Mi 1, qua compositie vrijwel gelijk

Deze zegels van 3 pfennig werden gebruikt om drukwerken mee te frankeren, deze hadden een speciaal lager tarief en in het geval van Saksen waren ze meestal voorzien van een ‘kruisband’. De zegel werd op het hechtpunt van de kruisband geplakt, wat verklaart dat de meeste beschadigd werden bij het loshalen ervan. De ‘Sachsendreier’ zoals het zegel in de wandeling heet zou maar heel tijdelijk zijn, maar toch duurde het nog ruim een jaar voordat de tweede postzegel van Saksen zou verschijnen. Wederom een 3 pfennig-zegel voor drukwerken, met nu het Wapen van Saksen als onderwerp. Dit keer kwam het ontwerp uit de doos van drukkerij J.B. Hirschfeld, gevestigd in de tweede stad van het land, Leipzig. Deze, oorspronkelijk Cramersche Buchdruckerei geheten onderneming, was in 1800 overgenomen door Joachim Bernard Hirschfeld. Over hem, zijn familie en drukkerij is verder weinig bekend.

Koninkrijk Saksen Mi 2

Koninkrijk Saksen Mi 2 

Het gekozen ontwerp was het wapen van Saksen, bestaande uit 10 afwisselende stroken zwart en geel (goud), omgeven door een groene ruitenkrans. Je komt dit ook nu nog tegen als wapen van de deelstaat Sachsen en als deel van de deelstaat Sachsen-Anhalt.

Het begon in de 11de eeuw, toen dit wapen gevoerd werd door de graven van Ballenstedt, een stadje in de Harz. Zij waren de voorvaders van de Askaniërs, een geslacht dat – met tussenpozen – vanaf  1112 tot 1422 over het toenmalige hertogdom Saksen heerste. Het wapen zou in 1180 omgord zijn met een ruitenkrans door keizer Frederick Barbarossa (1122-1190, keizer vanaf 1155). Deze had graaf Bernhard van Anhalt op de Saksische troon gezet, nadat hij de vorige hertog, Hendrik de Leeuw (1129-1195), had afgezet wegens diens weigering steun te verlenen tijdens een veldtocht in Lotharingen.

Russische bezettingszone Mi 76 uit november 1945

Russische bezettingszone Mi 76 uit november 1945

Bernhard van Anhalt (1140-1212) was de jongste zoon van Albert de Beer (1100-1170), die zelf kort hertog van Saksen was geweest, maar een akkoord had gesloten met Hendrik de Leeuw over de verdeling van gebieden in Saksen en Anhalt, waarbij Albert Anhalt verder zou besturen. Door de zet van Frederik Barbarossa, die in Albert en Bernhard wél trouwe volgelingen had, kwam Saksen dus weer in handen van de Askaniërs. Toen Bernhard als dank zijn geelzwarte wapenschild kwam presenteren aan Frederik, omhuldde de keizer het met de wijnruitkrans die hij op zijn hoofd had als bescherming tegen de felle zon. Vandaar dus.

In 1422 stierf het Huis van Askanië uit en werd opgevolgd door het Huis van Wettin, die de Saksische landen inclusief het wapen overnamen. De Wettindynastie bestuurde tot 1918 het koninkrijk, dat in 1815 op het Congres van Wenen de opvolger was van het vroegere hertogdom.

De koning van Saksen was in 1851 Friedrich August II. Over hem gaat het de volgende keer.

De Amerikaanse bever (Castor canadensis), foto van stevehdc

De Amerikaanse bever (Castor canadensis), foto van stevehdc

Het eerste dier dat niet als symbool op een postzegel verscheen was een bever. Dat gebeurde op de eerste zegels van de Britse kolonie Canada, als deel van een serie van zes waarvan verder drie zegels koningin Victoria afbeeldden, een haar echtgenoot prins Albert en een de Franse ontdekkingsreiziger Jacques Cartier. De serie was in 1857 voltooid.

Canada was in 1851 nog niet het land dat we nu kennen, maar een deel van de Britse koloniën in Noord-Amerika. Andere koloniën waren het in het oosten gelegen New Brunswick, Nova Scotia, Newfoundland en Prince Edward Island. In 1858 werd de in het westen gelegen kolonie British Columbia gesticht, in 1866 samengevoegd met Vancouver Island. De ‘rompkolonie’ Canada was in 1841 uit Opper- en Neder-Canada gevormd om de wrijving tussen de Engels- en Franstaligen op te heffen. Het was ook de eerste Britse kolonie die een vorm van verantwoordelijk bestuur kreeg met een eigen parlement dat geleid werd door twee premiers, een Franstalige en een Engelstalige, en dat verantwoording aflegde aan de gouverneur-generaal in plaats van direct aan de koningin. Dit systeem was succesvol en legde de basis voor de confederatie die op 1 juli 1867 inging. Hierin vormden in principe alle Canadese koloniën het huidige land Canada, al duurde het tot 1949 voordat als laatste Newfoundland was toegetreden.

De bever

Canada had als dierensymbool niet een of ander heraldisch beest, maar een bever (castor canadensis). Dit was dan ook het dier waar de economie tot dan toe op dreef. Waren er geen bevers, dan zou er werkelijk niets te beleven zijn in het woeste en ledige gebied dat Canada toen was. De bever werd namelijk geroemd om zijn pels door de kolonisten en om zijn vlees door de oorspronkelijke indiaanse bevolking. Geen wonder dat op zeker moment er bijna geen een meer te vinden was. Toen men besloot op te houden met de beverjacht kon de populatie zich met enige hulp goed herstellen en momenteel leven er naar schatting 15 miljoen bevers in Canada. Er mag dan ook op bescheiden schaal weer op gejaagd worden omdat in sommige opzichten de bever een schadelijk dier is: de dammen die ze aanleggen verstoren de zalmentrek en veroorzaken soms overstromingen. Daarnaast zijn omgeknaagde bomen weinig meer waard voor de houtproductie. Daartegenover staat dat beverdammen erosie kunnen voorkomen.

Mi 269 bij het eeuwfeest van de beverzegel van 1851

Mi 269 bij het eeuwfeest van de beverzegel van 1851, Mi 269

De Canadese bever leeft allang niet meer alleen in Canada, maar dankzij uitzetprogramma’s leven ze ook op Vuurland en in een deel van de Andes, in Finland en grote delen van Rusland.

De postzegel was een ontwerp van de uit Schotland afkomstige Sandford Fleming (1827-1915), die naast de postzegel een bijzondere wetenschappelijke erfenis heeft achtergelaten.

Prins Albert

Op 1 mei 1851 kreeg prins Albert als echtgenoot van koningin Victoria een postzegel. Canada was daarmee het enige gebied wat hem bij leven afbeeldde. Tot 1859 waren er drie zegels met zijn portret, Newfoundland gaf er in 1866 nog een uit, maar dat was al postuum.

Prins Albert van Saksen-Coburg en Gotha was geboren op 26 augustus 1819 op Kasteel Rosenau in de buurt van Coburg. In 1839 trouwde hij met zijn nicht Victoria, die toen zelf ook pas net 20 was. Het was een bijzonder gelukkig huwelijk en het feit dat Albert in 1861 al overleed, 42 jaar jong, had een grote impact op de koningin. Ze hadden samen 9 kinderen, die alle volwassen werden.

Jacques Cartier

De serie werd in 1855 uitgebreid met het portret van Jacques Cartier. Deze was op 23 september  1491 geboren in het Bretonse vissersstadje Saint-Malo en hij zou daar ook op 1 september 1557 overlijden. Net als van bijna alle jongens uit Saint-Malo zou ook Jacques’ leven op zee afspelen. Hij sloot zich dan ook aan op de vissersvloten die uitvoeren in de richting van Newfoundland, dat in 1497 (her)ontdekt was door de Genoees Giovanni Caboto, die in Frankrijk bekend was als Jean Cabot. Ook zou hij op de Normandische vissersvloot van Dieppe naar Brazilië gevaren hebben. Toen de Normandiërs echter door de Portugezen de toegang tot ‘hun’ visgronden werd ontzegd, zocht de Franse koning  François I mogelijkheden om in het noorden meer invloed te krijgen en hij vond, mede dankzij diens netwerk – hij was in 1520 getrouwd met Catherine des Granches, dochter van een notabele uit St. Malo – , in Cartier de juiste man om naar Canada af te reizen om gebieden te ontdekken en te claimen uit naam van Frankrijk. Op 20 april 1534 voer Cartier opnieuw naar de Nieuwe Wereld, niet meer als visser maar als ontdekker.

Cartier, naar een gravure van Pierre-Louis Morin uit 1854 (toegeschreven)

Op deze eerste reis bracht Cartier de achter Newfoundland gelegen St. Lawrencebaai in kaart en maakte als eerste Europeaan kennis met de daar levende Indianen, de Micmacs. Op 24 juli zette hij voet op het Canadese vasteland bij het stadje Gaspé en claimde dat voor Frankrijk door er een kruis in de grond te planten. In augustus keerde hij terug naar St. Malo, met twee zonen (of neven) van het lokale stamhoofd Donnacona. Deze zouden op de tweede reis zeer waardevol worden voor Cartier.

Op deze tweede reis, begonnen op 19 mei 1535, deed Cartier waar hij het meest beroemd mee is geworden: hij voer van de St. Lawrencebaai een grotere inham in en ontdekte dat dat de monding van een rivier was, de St. Lawrence. Gezien de breedte van deze rivier, aan de monding meer dan 30 kilometer, meende hij dat er wellicht een noordwestelijke doorvaart gevonden kon worden. Hij kwam tot Hochelaga, een kleine nederzetting van de Irokezen aan de voet van de heuvels waarvan hij er eentje Mont-Royal noemde. Het dorpje werd de basis van de stad Montreal. In 1536 keerde Cartier terug in St. Malo in de veronderstelling dat hij de oostkust van Azië had gevonden. Hij werd er een beroemd man mee en het is de reden zijn afbeelding op een van de eerste Canadese postzegels 320 jaar later.

Er werd nog een derde reis uitgezet, dit keer met het oogmerk om edelmetalen te vinden. De Spanjaarden hadden in Midden- en Zuid-Amerika zo’n succes met de vondst van goud en (voornamelijk) zilver dat de jaloerse koning François Cartier er nog eens op uitstuurde om de door Donnacona voorgespiegelde rijkdommen te vinden. De reis werd een mislukking: men vond slechts pyriet en kwarts, die toen waardeloos geacht werden. Er is nog een Frans spreekwoord ‘Faux comme des diamants du Canada’, oftewel ‘Vals als Canadese diamanten’.

Herdenkingen van Cartier uit Frankrijk (1934, Mi 293) en Canada (1984, Mi 905)

Volgende keer bezoeken we Dresden.

Proefdruk op karton van M.W. Ferslew

Proefdruk op karton van M.W. Ferslew (1850)

In Denemarken duurde het tot 1904 voordat er een staatshoofd geëerd werd met een postzegel. Voor die tijd waren er maar twee onderwerpen, waardecijfers en een deel van de koningsregalia, te weten de kroon, de scepter en het zwaard. Een rijksappel hoort ook tot het symbolische setje, maar in Denemarken werd die niet afgebeeld. Je moet bij andere landen overigens met een lampje zoeken naar andere voorwerpen als de kroon, hoewel scepters nog wel eens worden afgebeeld.

Set van Deense regalia

Set van Deense regalia

De kroon is onlosmakelijk met het koningschap verbonden met name in Europa. De kroon is zowel een werelds als een religieus symbool. Werelds want de gekroonde krijgt er in de hoogte een stukje bij en meestal een gouden. Religieus omdat de macht, zeker bij christenen, altijd van boven komt en dus alleen door een vertegenwoordiger van god bevestigd kan worden. Dat laatste is tegenwoordig wel anders, in veel landen is de scheiding tussen kerk en staat volledig en ook daar waar volgens de grondwet een staatsgodsdienst bestaat wordt de kroon niet meer door het religieuze opperhoofd uitgedeeld. Zoals in Denemarken, dat al sinds 1848 geen kronen meer op hoofden zet, terwijl de lutherse aartsbisschop dat nog wel zou kunnen doen: de Deense koning is immers nog steeds hoofd van de staatskerk. De toestemming om te regeren komt echter niet meer van god, maar gewoon uit het parlement. De kroon blijft lekker in de kluis, wordt op een tafel gelegd, zoals in Nederland de credenstafel, of bestaat helemaal niet, zoals in België. De Deense kroon wordt alleen getoond bij het overlijden van de monarch, dus niet bij de inhuldiging van de opvolger.

Kop van de Deense scepter

Kop van de Deense scepter

De kroon is ontstaan als diadeem, een al of niet versierde hele of halve ring om het hoofd. Op de diadeem zijn meestal beugels bevestigd om verschil te maken met lager geplaatsten die ook een diadeem hadden, zoals sommige hertogen. De meeste kronen hebben 8 beugels, want hoe meer beugels hoe meer macht. De beugels komen samen in de rijksappel, die daarmee alsnog terugkomt. De rijksappel staat voor de wereld, waarop een kruis staat dat de religieuze verbintenis tussen koning en god aangeeft. Denemarken heeft ook nog een losse rijksappel.

Ontwerp van Josias Buntzen uit 1858 op basis van het oorspronkelijke zegel (Mi 7)

Ontwerp van Josias Buntzen uit 1858 op basis van het oorspronkelijke zegel (Mi 7)

De scepter is een tweede koninklijk symbool. Het is een aan de kop versierde staf en is mogelijk ontstaan uit de knots, het slagwapen. De Deense scepter heeft een van de fraaiste versieringen bestaande uit leliebladen, een kroon en een in verhouding tot die kroon grote rijksappel. De scepter die in de koninklijke schatkamer in Slot Rosenborg wordt bewaard werd in 1648 voor het eerst gebruikt bij de kroning van Frederik III. Wie hem maakte is niet meer bekend.

Het laatste attribuut wat tot de regalia wordt gerekend is het rijkszwaard. Dit staat voor de beschermende rol van de koning, maar hij kan er ook gepaste straffen aan onwillige onderdanen mee uitdelen. In sommige landen wordt het rijkszwaard nog regelmatig uit de kast gehaald. In Engeland jaarlijks bij de opening van het parlementaire jaar en in Nederland speelt het bij de inhuldiging als enige nog een actieve rol. Het Deense zwaard speelt dat dus niet. Het werd in 1643 vervaardigd als huwelijkscadeau van Christiaan IV voor zijn zoon en de latere koning, de reeds genoemde Frederik III.

Mi 13 uit 1864

Mi 13 uit 1864

Onze Lieve Vrouwe van Hasselt door Jean Del Cour, Belgische kerstzegel uit 1967 (Mi 1493)

Onze Lieve Vrouwe van Hasselt door Jean Del Cour, Belgische kerstzegel uit 1967 (Mi 1493)

De eerste postzegel van Denemarken verscheen op 1 april 1851 naar een ontwerp van Martinus William Ferslew (1801-1852), die sinds 1839 aan het hof als graveur verbonden was. In 1842 richtte hij tevens een drukkerij op, die na zijn dood door zijn zoon als C. Ferslew & Co werd voortgezet. Die breidde de drukkerij uit met een uitgeverij. In 1948 werd het bedrijf bij gebrek aan opvolging opgeheven.

De eerste zegels tonen kroon, scepter en zwaard in een lauwerkrans. Het ontwerp werd na de dood van Ferslew voortgezet door Josias Buntzen (1802-1864), die er kleine wijzigingen op maakte. Na de dood van Buntzen kwam er nog een geheel ander ontwerp, niet meer op een klein vierkant zegeltje, maar in het meer gangbare rechtopstaande formaat. Na 1870 verdwenen de regalia van de postzegels om er in Denemarken, afgezien van de kroon, niet meer terug te keren.

Volgende keer een prins-gemaal, een ontdekkingsreiziger en een echt dier!