1 juli 1850 – De garenklossen

Rond geknipte 2-cents zegel uit 1851 op briefstukje

Nee het wordt hier geen moderubriek, het gaat hier om de eerste postzegels van Brits Guyana. Deze heten in de wandeling ook wel de Cotton Reels. Eigenlijk heel simpele stukjes gekleurd papier met een stempelachtige vorm, een waardeaanduiding en landsnaam BRITISH GUIANA en niet te vergeten de paraaf van de dienstdoende postmeester of een van zijn medewerkers. Het moederland had immers wel toegestaan dat er postzegels mochten komen, maar het initiatief moest wel van de lokale notabelen komen. En zo geschiedde.

Waar vrijwel iedere Engelse kolonie vroeg of laat een portret van koningin Victoria op zijn zegels had staan, hadden er twee dat nooit. Kaap de Goede Hoop was de ene, Brits Guyana de andere. Waar de Kaap na de Tweede Boerenoorlog overstag ging en koning Edward VII ging afbeelden, hield Guyana tot 1913 vol om geen koninklijke hoofden af te beelden. En ook toen had koning George V nog maar een bijrolletje naast het later te bespreken fregat Sandbach. In 1966 werd het land onafhankelijk en daarna werd het een van de filatelistische bananenrepublieken, eerst met enorme hoeveelheden opdrukzegels in de jaren 80, daarna een aantal jaren waarin een kleine 500 zegels per jaar verschenen in de meest uiteenlopende onderwerpen die steevast weinig met het land van doen hadden, in 2002 bijvoorbeeld een serie voor het huwelijk van onze eigen Willem-Alexander en Maxima. De laatste jaren is het wat minder, maar er zijn wel al zo’n 8500 verschillende postzegels verschenen, waarmee Guyana alleen voorbijgestreefd is door het Afrikaanse Guinée dat de 10000 als eerste passeerde in 2013 en daar alweer 1200 voorbij is.

Het ontwerp voor Brits Guyana was uit nood geboren. Pas op 15 juni 1850 werd in de Royal Gazette of British Guiana, gevestigd in de High Street van hoofdplaats Georgetown, aangekondigd dat (met name) van overzee gekomen post via de in 1848 opgerichte spoorwegdienst verspreid zou worden langs de koffie-, suiker en katoenplantages en dat hiervoor vooruitbetaling verschuldigd was. Datum van invoering was 1 juli, dus tijd om met Londen te corresponderen over de levering van daar ontworpen en gedrukte zegels was er niet.

Degene die het bericht in de Gazette liet zetten was Edward Thomas Evans Dalton, postmeester in Georgetown. Planterszoon Dalton had een succesvolle carriere op het Britse postkantoor en was er van 1837 tot 1874 de baas, ondanks het vele gemopper over zijn functioneren door het moederland, dat echter geen idee had wat voor verdienstelijk werk hij deed. Dalton was een van de mannen wiens paraaf op de postzegels zou komen als waarmerk. De anderen waren Edmond Dalzell Wight en James Belton Smith, klerken van het postkantoor, H.A. Killikelly, een postbode en W.H. Lorimer, waarschijnlijk in dienst van de spoorwegen. Wight zou ‘wereldfaam’ verwerven met zijn paraaf op de ‘1 cent black on magenta’ van 1856, de duurste zegel ooit op een veiling verkocht: op 17 juni 2014 werd deze bij Sotheby’s in New York afgehamerd op bijna 9,5 miljoen dollar!

De Royal Gazette was ook verantwoordelijk voor het drukken van de zegels. Hiervoor hadden ze een oude Colombiaanse handdrukpers ter beschikking, die bediend werd door medewerker Henry Mackay. De zegels leken op de labels die te vinden waren op de katoenspoelen, vandaar dat ze (later) de bijnaam ‘Cotton Reels’ kregen, tegenwoordig zou je dit vertalen naar garenklos.

Aanvankelijk waren er 3 waardes, 4, 8 en 12 dollarcents, die afhankelijk van de afstand gebruikt konden worden. In 1851 kwam er nog een 2 cents bij, die gebruikt moest worden voor lokale post in Georgetown. Dit is met afstand de zeldzaamste zegel van de serie, omdat die lokale dienstverlening helemaal niet liep en al kort na de introductie weer werd opgeheven. Dat dreigde tenslotte ook met de andere zegels te gebeuren want met name die van 8 en 12 cents werden te duur gevonden voor wat ze ‘presteerden’. Vandaar dat Edward Dalton de lokale postwet liet aanpassen zodat de afstand niet meer van belang was, maar alleen nog het gewicht.

Het spoorwegsysteem van Guyana, ooit het eerste op het Zuid-Amerikaanse vasteland, stierf in de tweede helft van de 20ste eeuw een stille dood en er is nu vrijwel niets meer van terug te vinden. Misschien dat de Brazilianen ooit de haven van Georgetown weer aansluiten op hun eigen almaar groeiende economie, maar dat is voorlopig nog toekomstmuziek.