Koning Friedrich Wilhelm IV, naar een gravure van Eduard Eichens

De uitgifte van postzegels was tot 1850 nog niet tot Midden-Europa doorgedrongen. Aan het einde van 1850 kwam in het toch niet onbelangrijke Pruisen de eerste serie van vier zegels van de persen. Rusland zou pas eerst in 1857 volgen, waarmee de grootmachten van die dagen ten slotte alle voorzien waren.

Koning Friedrich Wilhelm IV was het onderwerp van die eerste zegels. Dat was gezien de omstandigheden niet helemaal vanzelfsprekend, want dit staatshoofd was een autocraat van het zuiverste water, die met kleine concessies het Revolutiejaar 1848 te boven kwam om, toen het weer rustig was, op die besluiten terug te komen.

Het Kroonprinselijk Paleis in 1838 (Carl Daniel Freydanck)

Het Kroonprinselijk Paleis in 1838 (Carl Daniel Freydank (1811-1887))

Friedrich Wilhelm werd op 15 oktober 1795 geboren in het Kroonprinselijk Paleis aan Unter den Linden in Berlijn – het bestaat nog, hoewel in een herbouwde versie – en daar op 18 oktober gedoopt. Hij was de zoon van Friedrich Wilhelm III, die toen nog kroonprins was, maar in 1797 tot het hoogste ambt geroepen werd.

Zoals het een kind van zijn generatie betaamde ging de jonge Friedrich Wilhelm al vroeg het leger in, maar veel strijd zag hij niet omdat Napoleon toen nog aan de winnende hand was en in de veldslagen na de terugkeer van Napoleon uit Rusland speelde hij geen rol van betekenis. Geen wonder, want hij was ook hoofd van de huishouding, nadat zijn moeder Louise van Mecklenburg-Strelitz in 1810 overleden was.

In 1823 trouwde hij met de Beierse prinses Elisabeth, vooral om politieke redenen. Zij was echter katholiek en er was nogal overtuigingskracht voor nodig om haar in het lutherse kamp te krijgen, wat immers de Pruisische staatsreligie was. Het werd in ieder geval een gelukkig huwelijk, maar kinderen kwamen er niet.

Eduard Eichens, een zelfportret uit 1828

In 1840 overleed Friedrich Wilhelm III en werd nummer IV ingehuldigd. Hij begon tamelijk liberaal te regeren en hief onder andere de perscensuur op die na 1815 was ingevoerd. Daarnaast gaf hij katholieken meer rechten, onder andere om de Dom van Keulen eindelijk eens af te bouwen. Maar veel verder ging het niet, ministeriële verantwoordelijkheid werd afgehouden, zoals in Nederland ook Willem II deed. Maar anders dan onze koning wist Friedrich Wilhelm dit ook na 1848 vol te houden.  Een poging hem aan de kant van het Frankfurter Parlement te krijgen mislukte dan ook: dit parlement was opgericht als een eerste vergeefse poging om tot Duitse eenheid te komen en bood hem de keizerskroon aan, maar hij weigerde dit uit conservatieve beweegredenen, wat de toen nog jonge latere rijkskanselier Otto von Bismarck zeker niet betreurde. Twintig jaar later was Bismarck juist de aanstichter van de Duitse eenheid.

In de jaren 50 kreeg Friedrich Wilhelm met een slechte gezondheid te maken en in 1857 was, na een reeks beroertes, de koning genoodzaakt om zijn twee jaar jongere broer Wilhelm Friedrich te vragen als regent op te treden. Tenminste, zijn vrouw Elisabeth deed dat, want de koning was zelf niet meer in staat te spreken.

De eerste Pruisische zegel (uit catalogue.klaseboer.com)

De eerste Pruisische zegel (uit catalogue.klaseboer.com)

Op 2 januari 1861 blies Friedrich Wilhelm zijn laatste adem uit, waarna Wilhelm Friedrich als koning Wilhelm I ingehuldigd werd en de conservatieve agenda van zijn broer meenam. Intussen was Otto von Bismarck een warm voorstander van een Duitse eenheid onder Pruisische leiding geworden en dankzij zijn machinaties werd Wilhelm in 1871 keizer van het Duitse Rijk.

Zegel uit 1857, met opgevulde achtergrond (Mi 6)

Zegel uit 1857, met opgevulde achtergrond (Mi 6)

De eerste 13 zegels in Pruisen, uitgegeven in de periode van 1850 tot 1859, tonen het portret van koning Friedrich Wilhelm IV, alle in hetzelfde kader, met verder kleine verschillen in gravure en druk. Ze zijn ontworpen en gegraveerd door Friedrich Eduard Eichens (1804-1877), die op dat moment gold als hofgraveur. De zegels werden de eerste twee jaar gedrukt door de Deckerschen Geheimen Ober-Hofbuchdruckerei, in 1763 opgericht door de in Basel geboren Georg Jacob Decker (1732-1799). In 1879 fuseerde deze onderneming met de Königlich Preuβische Staatsdruckerei tot de Deutsche Reichsdruckerei. De Staatsdruckerei was in 1852 opgericht en drukte al vanaf het begin van zijn bestaan de Pruisische postzegels.

Na het overlijden van Friedrich Wilhelm IV veranderde ook het beleid van de posterijen. Als een soort van voorloper op het Duitse Rijk werd besloten dat er meer neutrale of symbolische onderwerpen zouden komen en dat geen regerende staatshoofden meer afgebeeld zouden worden. Pas in de Republiek van Weimar veranderde dat weer. De keizers zijn dus nooit geportretteerd binnen de Duitse grenzen. De koning zelf is nooit meer ergens afgebeeld, de eerste postzegels van Pruisen werden immers nergens meer herdacht.

In 1850 voerde hij een hopeloze oorlog, maar daarover de volgende keer.

 

Rond geknipte 2-cents zegel uit 1851 op briefstukje

Nee het wordt hier geen moderubriek, het gaat hier om de eerste postzegels van Brits Guyana. Deze heten in de wandeling ook wel de Cotton Reels. Eigenlijk heel simpele stukjes gekleurd papier met een stempelachtige vorm, een waardeaanduiding en landsnaam BRITISH GUIANA en niet te vergeten de paraaf van de dienstdoende postmeester of een van zijn medewerkers. Het moederland had immers wel toegestaan dat er postzegels mochten komen, maar het initiatief moest wel van de lokale notabelen komen. En zo geschiedde.

Waar vrijwel iedere Engelse kolonie vroeg of laat een portret van koningin Victoria op zijn zegels had staan, hadden er twee dat nooit. Kaap de Goede Hoop was de ene, Brits Guyana de andere. Waar de Kaap na de Tweede Boerenoorlog overstag ging en koning Edward VII ging afbeelden, hield Guyana tot 1913 vol om geen koninklijke hoofden af te beelden. En ook toen had koning George V nog maar een bijrolletje naast het later te bespreken fregat Sandbach. In 1966 werd het land onafhankelijk en daarna werd het een van de filatelistische bananenrepublieken, eerst met enorme hoeveelheden opdrukzegels in de jaren 80, daarna een aantal jaren waarin een kleine 500 zegels per jaar verschenen in de meest uiteenlopende onderwerpen die steevast weinig met het land van doen hadden, in 2002 bijvoorbeeld een serie voor het huwelijk van onze eigen Willem-Alexander en Maxima. De laatste jaren is het wat minder, maar er zijn wel al zo’n 8500 verschillende postzegels verschenen, waarmee Guyana alleen voorbijgestreefd is door het Afrikaanse Guinée dat de 10000 als eerste passeerde in 2013 en daar alweer 1200 voorbij is.

Het ontwerp voor Brits Guyana was uit nood geboren. Pas op 15 juni 1850 werd in de Royal Gazette of British Guiana, gevestigd in de High Street van hoofdplaats Georgetown, aangekondigd dat (met name) van overzee gekomen post via de in 1848 opgerichte spoorwegdienst verspreid zou worden langs de koffie-, suiker en katoenplantages en dat hiervoor vooruitbetaling verschuldigd was. Datum van invoering was 1 juli, dus tijd om met Londen te corresponderen over de levering van daar ontworpen en gedrukte zegels was er niet.

Degene die het bericht in de Gazette liet zetten was Edward Thomas Evans Dalton, postmeester in Georgetown. Planterszoon Dalton had een succesvolle carriere op het Britse postkantoor en was er van 1837 tot 1874 de baas, ondanks het vele gemopper over zijn functioneren door het moederland, dat echter geen idee had wat voor verdienstelijk werk hij deed. Dalton was een van de mannen wiens paraaf op de postzegels zou komen als waarmerk. De anderen waren Edmond Dalzell Wight en James Belton Smith, klerken van het postkantoor, H.A. Killikelly, een postbode en W.H. Lorimer, waarschijnlijk in dienst van de spoorwegen. Wight zou ‘wereldfaam’ verwerven met zijn paraaf op de ‘1 cent black on magenta’ van 1856, de duurste zegel ooit op een veiling verkocht: op 17 juni 2014 werd deze bij Sotheby’s in New York afgehamerd op bijna 9,5 miljoen dollar!

De Royal Gazette was ook verantwoordelijk voor het drukken van de zegels. Hiervoor hadden ze een oude Colombiaanse handdrukpers ter beschikking, die bediend werd door medewerker Henry Mackay. De zegels leken op de labels die te vinden waren op de katoenspoelen, vandaar dat ze (later) de bijnaam ‘Cotton Reels’ kregen, tegenwoordig zou je dit vertalen naar garenklos.

Aanvankelijk waren er 3 waardes, 4, 8 en 12 dollarcents, die afhankelijk van de afstand gebruikt konden worden. In 1851 kwam er nog een 2 cents bij, die gebruikt moest worden voor lokale post in Georgetown. Dit is met afstand de zeldzaamste zegel van de serie, omdat die lokale dienstverlening helemaal niet liep en al kort na de introductie weer werd opgeheven. Dat dreigde tenslotte ook met de andere zegels te gebeuren want met name die van 8 en 12 cents werden te duur gevonden voor wat ze ‘presteerden’. Vandaar dat Edward Dalton de lokale postwet liet aanpassen zodat de afstand niet meer van belang was, maar alleen nog het gewicht.

Het spoorwegsysteem van Guyana, ooit het eerste op het Zuid-Amerikaanse vasteland, stierf in de tweede helft van de 20ste eeuw een stille dood en er is nu vrijwel niets meer van terug te vinden. Misschien dat de Brazilianen ooit de haven van Georgetown weer aansluiten op hun eigen almaar groeiende economie, maar dat is voorlopig nog toekomstmuziek.

Het wapen van Oostenrijk tussen 1815 en 1866

Het wapen van Oostenrijk tussen 1815 en 1866

De volgende in de rij Europese landen met postzegels was het Oostenrijkse keizerrijk. Hier verschenen de eerste zegels op 1 juni 1850 met als onderwerp het staatswapen. Net als in Beieren een jaar eerder werd een tamelijk neutraal onderwerp gekozen en niet het staatshoofd, keizer Franz Joseph, die in het revolutiejaar 1848 aan de macht was gekomen in een op zijn minst roerige tijd. De Hongaren wilden zich immers afscheiden en konden met moeite in bedwang worden gehouden. Het was een kwestie van tijd of er zou weer wat kunnen gebeuren. Het portret van het staatshoofd zou dan maar als lont in het kruitvat werken. Dan dus het wapen.

Het wapen van de stad Groningen naar ontwerp van Nico Bulder

Het wapen van de stad Groningen naar ontwerp van Nico Bulder

Het Oostenrijkse wapen dat in 1850 gold was in 1815 aangenomen. In 1806 was het Heilige Roomse Rijk door toedoen van Napoleon opgeheven. De laatste keizer was nog slechts staatshoofd van Oostenrijk, Hongarije, Bohemen en een aantal kleinere staten in de regio. Maar hij was vooral een Habsburger en dat kwam allemaal in het wapen tot uiting.

De dubbelkoppige adelaar

Het wapen van Albanië op een lokaalzegel van Korçe

Het wapen van Albanië op een lokaalzegel van Korçë uit 1917 (Mi 8)

De basis van het wapen vormde een zwarte adelaar met twee koppen. Deze was overgenomen uit het wapen van het Heilige Roomse Rijk, dat op zijn beurt weer kwam van het Byzantijnse Rijk. Toen dit immers in 1453 definitief aan de Ottomanen viel waren er nog genoeg Europese staatshoofden die de Byzantijnse kroon claimden, waaronder dus de Duitse keizer. Het Russische keizerrijk voert om die reden een vergelijkbaar wapen, maar dan met eigen kenmerken. Andere plaatsen waar de dubbelkoppige adelaar in het wapen voorkomt zijn Albanië en onze eigen stad Groningen.

De Oostenrijkse adelaar is behangen met keizerlijke symbolen zoals in zijn linkerklauw een zwaard en een scepter en in zijn rechter een rijksappel.

Het Gulden Vlies

Het centrale deel wordt gevormd door het familiewapen van het huis Habsburg-Lotharingen, dat omgeven is door een ketting met het Gulden Vlies. De Orde van het Gulden Vlies was ingevoerd door de Bourgondische hertog Filips de Goede in 1430. Zijn kleinzoon Karel de Stoute sneuvelde met alleen een dochter, Maria van Bourgondië, die trouwde met de Oostenrijkse aartshertog en latere keizer Maximiliaan, die daardoor prompt het nieuwe hoofd van de Orde werd. Franz Joseph was het hoofd van de Oostenrijkse tak van de Orde. Het tegenwoordige hoofd is Karl Habsburg-Lothringen, kleinzoon van de laatste Oostenrijkse keizer Karl I, die op zijn beurt een achterneef van Franz Joseph was.

Habsburg-Lotharingen

Het schild in het midden is opgebouwd uit drie onderdelen. De leeuw is het wapendier van het huis Habsburg. Dit werd al in de vroege 14de eeuw gevoerd door de ridders van de Habichtsburg (Haviksburcht) in het kanton Aargau in Zwitserland.

Het middelste deel is het rood-wit-rood dat we vooral kennen van de huidige vlag van Oostenrijk. Deze kleuren worden volgens de verhalen al gevoerd sinds de kruistochten:  de kleding van hertog Leopold V van Oostenrijk (1157-1194) was in een veldslag in het Heilig Land zo doordrenkt met bloed dat hij ze gauw wilde vervangen door schone kleren. Toen zij zijn riem afdeed zag hij dat de stof eronder nog helemaal schoon en wit was, wat hem inspireerde tot de Oostenrijkse kleuren.

Het rechterdeel van het schild is het wapen van het huis Lotharingen. Ook dit zou zijn oorsprong in de Kruistochten hebben, een legende vertelt dat de Neder-Lotharingse hertog Godfried van Bouillon bij de inname van Jeruzalem tijdens de Eerste Kruistocht met één enkele pijl drie adelaars schoot, die vervolgens op een schuine band op zijn wapen kwamen.

De eerste Oostenrijkse zegels (http://www.stamp-collecting-world.com/austrianempire_arms.html)

De eerste Oostenrijkse zegels (http://www.stamp-collecting-world.com/austrianempire_arms.html)

De zegels van Oostenrijk

Latere versie van het wapen, ontdaan van versierselen (1883, Mi 44)

Latere versie van het wapen, ontdaan van versierselen (1883, Mi 44)

De eerste Oostenrijkse postzegels kwamen met z’n vijven in de waardes 1, 2, 3, 6 en 9 Kreuzer. Tegelijk kwamen in het door Oostenrijk bestuurde gebied van Lombardije en Venetië een zelfde serie uit, maar dan in centesimiwaardes van 5, 10, 15, 30 en 45, waarbij 5 centesimi dus gelijk was aan 1 kreuzer waarvan er 60 in een gulden gingen. In 1857 zou Oostenrijk op het decimale stelsel overgaan.

De zegels zijn het werk van Hermann Karl Tautenhayn (1810-1885), een toen nog weinig bekende graveur en stempelsnijder die zich ca 1835 in Wenen gevestigd had. Hij was de stamvader van een aantal veel bekendere kunstenaars met de naam Tautenhayn, zoals zijn zoon Josef (1837-1911), die medailleur werd, en kleinkinderen de beeldhouwer Richard (1865-1947), de beeldhouwer Josef Jr. (1868-1962), de zangeres Laura (1870-1927), de componist Karl (1871-1949) en de acteur Ernst (1873-1944).

Andere leeuwen en adelaars

Leeuwen komen vaker voor dan adelaars. Ook nu nog voeren Oostenrijk en Duitsland de adelaar als wapen, al is het in Oostenrijk een eenkoppige geworden, die het in Duitsland altijd al was. Leeuwen zijn leidend in landen als Nederland, België, Noorwegen en Denemarken, maar vooral Finland en Bulgarije, die de meeste postzegels tellen met een wapenleeuw als onderwerp.

Andere wapenleeuwen (België Mi 415 uit 1936, Denemarken Mi 289 uit 1946, Nederland NVPH 15 uit 1869, Bulgarije Mi 7 uit 1881 en Finland Mi 230 uit 1940)

Koningin Isabella II in 1852 door Franz Xaver Winterhalter (1805-1873) (Koninklijk Paleis Madrid)

Zuid-Europa moest tot 1850 wachten tot de eerste postzegels er verschenen. Net als eerder in het Verenigd Koninkrijk en in België was het regerend staatshoofd de eerste die werd afgebeeld. Dit was koningin Isabella II van Spanje en zij zou, tot ze in 1868 afgezet werd, het belangrijkste onderwerp zijn op de postzegels in Spanje en enkele Spaanse koloniën zoals de Philippijnen, Fernando Poo (het huidige eiland Bioko, wat hoort bij Equatoriaal Guinea) en Spaans-Westindië (Cuba en Puerto Rico).

Maria Isabella werd geboren op 10 oktober 1830 in Madrid als dochter van koning Ferdinand VII en zijn vierde vrouw Maria Christina van de Twee Siciliën. De eerdere huwelijken van Ferdinand hadden geen overlevende kinderen opgeleverd zodat Isabella zijn oudste kind was. Hij zou al in 1833 overlijden maar hij had al voor die tijd onder druk van zijn vrouw besloten om de Salische wetgeving aan de kant te zetten, zodat zijn oudste dochter op de troon kon komen. Zodoende werd het nog geen driejarige meisje onder regentschap van haar moeder de Spaanse koningin. Dit tot grote woede van Ferdinands broer Carlos, die er vast op gerekend had dat hij de koning zou worden. Carlos liet het er niet bij zitten en startte de Eerste Carlistische oorlog, die hij zou verliezen omdat het grootste deel van het leger aan de kant stond van Isabella. Dit was waarschijnlijk uit opportunisme, want met een vrouw aan de macht zouden de militairen meer macht hebben was de gedachte en dat was dan ook precies wat zou gaan gebeuren en wat Isabella (mede) een slechte reputatie zou geven.

Op 13-jarige leeftijd werd Isabella volwassen verklaard, dit omdat er voortdurend gedoe was over haar regentschap: haar moeder had na de oorlog haar taken overgedragen aan generaal Baldomero Espartero (1792-1872) maar deze werd in 1843 afgezet door het Spaanse parlement, de Cortes.

Francisco de Asis de Bourbon, hertog van Cadiz door Federico de Madrazzo (1815-1894)

De volgende hobbel die genomen moest worden was het huwelijk van de jonge koningin. Dit was niet bepaald een interne aangelegenheid omdat Frankrijk en Engeland graag bepaalde kandidaten aan Isabella zagen gekoppeld en beide landen het niet met elkaar eens konden worden welke. Uiteindelijk haalde Frankrijk een kleine overwinning. Isabella zou trouwen met haar neef Francisco, de hertog van Cadiz en haar zus Luisa Fernanda met Antoine van Orleans, de jongste zoon van koning Louis-Philippe. Beide huwelijken zouden ongelukkig worden en Frankrijk werd er flink mee in verlegenheid gebracht. Isabella zou pas na haar scheiding in 1874 een vriendschappelijke relatie met haar ex gaan ontwikkelen.

Met Francisco had Isabella 12 kinderen waarvan er 5 volwassen werden. Het is tot op de dag van vandaag twijfelachtig of Francisco wel de echte vader was want er gingen sterke geruchten dat hij of homoseksueel of anders wel impotent zou zijn. En Isabella haatte hem toen nog zozeer dat ze regelmatig minnaars opzocht die dus net zo goed de echte vader(s) konden zijn.

Couppleger Juan Prim (1814-1870)

In de 25 jaar dat Isabella op de troon zat werd het Spaanse hof geteisterd door paleisintriges, samenzweringen en toenemende militaire invloed. De koningsgetrouwe militairen wisten uiteindelijk de progressieve partij buiten te sluiten, waarmee ze feitelijk hun eigen vonnis en dat van de koningin ondertekenden, want juist deze partij wist in 1868 onder leiding van Juan Prim en met behulp van een paar door hem in vertrouwen genomen militairen een revolutie – een zogenaamde Pronunciamento – te ontketenen die Isabella naar Frankrijk deed vluchten. In 1870 werd ze door de tijdelijke junta gedwongen haar aftreden te tekenen, kort waarna ze werd opgevolgd door de weinig succesvolle Amadeus van Savoye die na ruim twee jaar totaal gedemoraliseerd aftrad en naar zijn vaderland Italië terugkeerde. Spanje werd nu een echte republiek, maar toen deze 1874 alsnog ten onder ging als gevolg van de slechte militaire prestaties in de Derde Carlistenoorlog werd Isabella’s oudste zoon Alfonso de nieuwe koning. Een periode van relatieve rust brak aan.

De eerste Spaanse postzegel. Tot 1862 zou de landsnaam achterwege blijven.

Op 1 januari 1850 kwamen de eerste zegels met het portret van de 19-jarige koningin uit, ontworpen door de Barcelonees Bartolomé Tomás Coromina Subirá  (1808-1867). In Madrid waren de zegels zelfs al op 30 december 1849 verkrijgbaar. De waardes waren 6 cuartos en 5 en 6 reales, in maart aangevuld met een 12 cuartos en een 10 reales, waarbij een real gelijk stond aan 8 ½ cuartos. In 1864 werd de real gaandeweg vervangen voor de escudo, die gelijk stond aan 10 reales. In 1872 werd het decimale stelsel pas echt ingevoerd met de peseta bestaande uit 100 centimos die tot de invoering van de euro in gebruik is geweest.

Zegel uit de serie van 1851 (Mi 8)

Deze zegels hebben de twijfelachtige eer de eerste vervalste ter wereld te zijn. In april 1850 werd er een inval gedaan in een drukkerij in Murcia waar postzegels gefabriceerd werden die met hulp van een postbeambte uit Alicante verspreid werden. De boeven waren al voor het eind van de maand gepakt en berecht. Het had wel tot gevolg dat al in 1851 een nieuwe serie Isabella’s werd gemaakt, hetgeen jaarlijks herhaald werd tot 1856. Na haar aftreden verscheen haar portret nog maar zelden op postzegels, een enkel portret in een schilderijenserie in Cuba en Spanje, herdenkingen van de eerste postzegel in 1950 en zegels voor de Dag van de Postzegel in een aantal jaren rond 1970 daargelaten.

Hoe liep het tenslotte af met Isabella?  Zij sleet de rest van haar leven in Parijs en kwam, afgezien van enkele korte bezoeken aan haar vaderland, nooit meer over de grens. Ze overleed op 10 april 1904 waarna haar lichaam werd bijgezet in het Escorial.  Haar ex Francisco, eveneens naar Frankrijk uitgeweken, overleed twee jaar eerder in Isabella’s bijzijn.

Leeuwen en adelaars, de bekendste heraldieke beesten, komen volgende keer aan bod.