Medallion gemaakt door Josiah Wedgwood in 1789 (State Library of New South Wales)

 

Het eerste koloniale gebied ter wereld dat postzegels uitgaf was New South Wales. Na voorbereiding van ruim een jaar gebeurde dat, op 1 januari 1850. Je zou verwachten dat koningin Victoria het meest logische onderwerp zou zijn, maar niet in New South Wales, daar koos men voor een min of meer allegorisch plaatje van een ommuurde stad met een viertal mensen, een os en een schip op zee. De stad zou Sydney moeten zijn, maar hoe dat op de kaart te plaatsen met de stad aan de linkerkant is mij eerlijk gezegd een raadsel: downtown Sydney ligt immers aan de zuidkant van de Parramatta rivier, net zoals Amsterdam aan de zuidkant van het IJ ligt. Zou je het plaatje dan juist interpreteren dan zou het getekend zijn ter hoogte van de Sydney-versie van Schellingwoude of Durgerdam. Ook de plaats die in 1770 door James Cook ontdekt werd, de aan de zuidkant van de stad gelegen Botany Bay, lijkt niet erg waarschijnlijk. Toch blijkt dit laatste de achterliggende gedachte te zijn, volgens de officiële documenten.

De stichting van Sydney door Arthur Phillip (Mi 154)

Sydney werd als strafkolonie gesticht in 1788 door Arthur Phillip (1738-1814). Deze was door Thomas Townshend, First Viscount Sydney (1732-1800), in de jaren 80 van de 18de eeuw Brits Secretary of State (een soort van Minister van Buitenlandse zaken avant la lettre), gestuurd om een plek in Australië te vinden om veroordeelde criminelen te lozen. Op 26 januari 1788 landde een vloot van 11 schepen in de Botany Bay, maar erg geschikt vonden ze het er niet om een kolonie te stichten. Nee, dan het om de hoek gelegen Port Jackson, aan de monding van de Parramatta, dat was een ideale plaats. Hier was een beschutte inham, de Sydney Cove genoemd, en de grond was er vruchtbaarder. Tegenwoordig is de Sydney Cove gedeeltelijk drooggelegd en heet het restant de Circular Quay, waar nog altijd talloze veerboten aanmeren die je naar iedere denkbare plaats in de buurt kunnen brengen. Phillip noemde het plaatsje naar zijn opdrachtgever.

Thomas Townshend, Viscount Sydney, naar wie de stad vernoemd werd (Mi 985 uit 1986)

Sydney was de eerste belangrijke nederzetting in het door de Britten toegeëigende land. Eerder had men de Britse criminelen naar Amerika verscheept, maar met het uitroepen van de onafhankelijkheid daar was dat niet meer mogelijk. Australië was een goed alternatief en met de elf schepen gingen 772 veroordeelden voor lichte vergrijpen mee om het land verder te verkennen en een infrastructuur op te bouwen. Grote boeven en landlopers werden niet geschikt geacht voor dit werk, die mochten dus in hun Engelse gevangenissen blijven. Juist de kleine jongens had men nodig, dit waren vaak ambachtslieden en boeren die door mindere economische omstandigheden genoodzaakt waren geweest zich aan kruimeldieverij en zo te wagen. In de kolonie konden ze mooi hun leven beteren door zich nuttig te maken, hetgeen een redelijk succes was. Toen Sydney opgebouwd was en op eigen benen stond werden vergelijkbare experimenten uitgevoerd op Tasmanië (toen nog Van Diemensland geheten) en in Zuid- en West-Australië, waar steden als Melbourne en Perth ontstonden.

Eén zo’n kleine crimineel was Robert Clayton, een katholieke Schot, geboren in Dublin in 1793. Hij was van beroep graveur, maar hij kwam in contact met ene Zachariah Shaw en samen maakten ze een plan om stempels te vervalsen, ook Robert’s zoon Thomas was erbij betrokken. De heren werden gesnapt en voor het gerecht gebracht en hun lot was eeuwige verbanning uit het Verenigd Koninkrijk, wat zoveel wilde zeggen dat je op een schip naar Australië ging. Clayton kwam in 1835 in Sydney aan en werd, zoals in zijn vonnis bepaald, meteen vrijgelaten. Hij kon zich in zijn oude beroep nuttig maken en in 1849 werd hij, als een van de leidende graveurs in de stad, gevraagd de eerste postzegel te ontwerpen. Eerst maakte hij een ontwerp op basis van de Penny Black en de Blue Mauritius, maar het werd afgewezen. Een ander ontwerp, gebaseerd op het grootzegel van New South Wales, werd wel aangenomen.

De eerste zegel van New South Wales. De andere waarden waren 2p en 3p

Het grootzegel van New South Wales ontstond al kort na de stichting van de kolonie. Een van de eerste versies werd gemaakt door de bekende aardewerkfabrikant Josiah Wedgwood als medaille. Wedgwood had van Arthur Phillip een beetje klei uit de Sydney Cove gekregen met de vraag of het geschikt zou zijn om aardewerk van te maken. Hij vond het de beste klei die hij ooit in handen had gehad.

Het zegel toont een vrouw die de Industrie voorstelt, voorzien van haar attributen (een zgn. spinrokken, waarop wol wordt gestoken voor verwerking door het spinnewiel, een bijenraat, een houweel en een schop) en zittend op een baal goederen met het jaartal 1788. Zij heeft drie gevangenen van hun ketenen bevrijd en wijst ze op de mogelijkheden om een deugdzaam leven op te bouwen in de nieuwe kolonie, bijvoorbeeld als boer, gesymboliseerd door de vaag zichtbare ploegende man met os.

Er staan twee teksten in het zegel. In de rand staat “Sigillum Nov(a). Camb(ria). Aust(ralis).” Dit betekent wat het is: het zegel van New South Wales. Onder de afbeelding zie je staan “Sic Fortis Etruria Crevit”, wat betekent “En zo groeide een sterk Etrurië”, ontleend aan Virgilius.

En groeien, dat deed Sydney, want met een bevolking van ruim 3,6 miljoen is het sinds jaar en dag de grootste stad van Australië.

De volgende keer een minder geliefd staatshoofd aan de Middellandse Zee.

Het Zwitserse wapen en de kantonale wapens in de koepel van het Bundeshaus in Bern

Het Zwitserse wapen en de kantonale wapens in de koepel van het Bundeshaus in Bern

Op 12 september 1848 ontstond het Zwitserland zoals we het nu kennen, een federale republiek met, sinds 1979, 26, of als je de administratief gesplitste niet meetelt, 23 kantons.

IMG_9544

Zwitsers wapenschild op een Pro Juventutezegel (Mi 212)

 

Het wapen van Schwyz (Mi 153)

Het wapen van Schwyz (Mi 153)

Als wapen en vlag werd gekozen voor het middeleeuwse symbool van het witte kruis op een rode achtergrond. Dat was enkele eeuwen nadat een drietal kantons in augustus 1291 een zogenaamd eedgenootschap sloten, het begin van wat je Zwitserland zou kunnen noemen. Dit waren Schwyz, Uri en Unterwalden. Het waren onafhankelijke staatjes die zich als een confederatie, een statenbond, verenigden, zodat ze samen sterk zouden staan tegen de machtspolitiek van de grote baas, de Duitse keizer. Het gesloten verdrag volgde op een ouder verdrag, maar dat werd vernieuwd na het overlijden van keizer Rudolf I van Habsburg. In de periode tot 1513 groeide het eedgenootschap tot 13, de stadskantons Zürich, Bern, Luzern, Zug, Basel, Fribourg, Solothurn en Schaffhausen en de landkantons Appenzell en Glarus hadden zich toen aangesloten. Het grootste kanton was (en is) Bern.

Het kanton Schwyz nam al gauw de leiding van het jonge bondgenootschap en leende zijn naam aan de gehele confederatie. Zodoende wordt vanaf ongeveer 1320 de naam Schweiz gegeven aan de verzameling van kantons. Wat Schwyz ook deed was het inspireren van het gezamenlijke vaandel. Het wapen van dit kanton is namelijk een rood vlak met in de rechterbovenhoek een klein wit kruis. Vanaf de tweede helft van de 15de eeuw kozen de tot dan toe aangesloten kantons voor een rood vierkant vlak met een centraal wit kruis als banier. Het vierkante van de vlag is hiermee ook verklaard. Alleen op schepen wordt een variant in de elders gebruikelijke verhouding gebruikt.

 

Het martelaarschap van de Heilige Mauritius door El Greco (Escoreal)

Het martelaarschap van de Heilige Mauritius door El Greco (Escorial)

De eerste Zwitserse zegel

De eerste Zwitserse zegel

Waarom een wit kruis gekozen werd is vaag en wordt toegeschreven aan ridderverhalen zoals die van de Zehntausend Ritter, waarin de Romeinse keizer Diocletianus (of een tijdgenoot) een leger ridders naar Armenië stuurt om een opstand neer te slaan. Eenmaal ter plaatse worden ze met een enorme overmacht geconfronteerd en die kan alleen verslagen worden met hulp van de christelijke God, tot wie ze zich dan ook en masse bekeren en zo succes boeken. Een ander verhaal gaat terug op de heilige Mauritius, die aanvoerder was van het uit christenen bestaande Thebaanse Legioen dat door de Romeinse keizer Maximianus uit Egypte gehaald werd om een opstand in het gebied van het huidige Zwitserland neer te slaan. Het banier van Mauritius’ legioen zou bestaan hebben uit een wit Grieks kruis op een blauw en rood vlak. Mauritius’ rechterhand heette Ursus van Solothurn. Ook hij voerde het Griekse kruis in een geheel rood vlak. Het stadswapen van Sankt Ursen in het kanton Freiburg toont dit kruis, samen met twee zwaarden.

Pas eerst ruim een jaar na de formatie van de republiek verscheen de eerste postzegel, dit was, in navolging van de kantonale zegels van Basel, Zürich en Genève, een zegel voor lokaal gebruik. In 1850 verscheen de eerste Rayonpostzegel, waarmee een grotere afstand mogelijk werd voor het postvervoer. De eerste jaren was de compositie bijna steeds verschillend, maar het onderwerp steevast een Zwitsers wapen in of met een posthoorn, welk wereldwijde postsymbool daarmee ook debuteerde.

Pro Patriazegel uit 1950 voor het eeuwfeest van de eerste zegels (Mi 545)

Pro Patriazegel uit 1950 voor het eeuwfeest van de eerste zegels (Mi 545)

Hongaarse zegel voor het WK voetbal in Chile: De vlag van Zwitserland samen met die het gastland (Mi 1832)

Hongaarse zegel voor het WK voetbal in Chili in 1962: De (scheeps)vlag van Zwitserland samen met die van het gastland. Zij speelden de openingswedstrijd , Chili won met 3-1 (Mi 1832)

Sindsdien zijn nog vele Zwitserse wapens dan wel vlaggen op postzegels verschenen. Tot 1900 is op alle zegels wel een kruis te zien, daarna wordt het gaandeweg wat minder, alhoewel het als beeldmerk van de organisatie Pro Patria, die Zwitserse culturele doelen steunt, voor een opleving zorgde vanaf het moment dat hier jaarlijks een serie voor werd uitgegeven. Vanaf ongeveer 1960 werd het weer minder onder het mom van ‘te nationalistisch’, maar de laatste jaren mag er weer gepronkt worden en daar worden ook niet-Zwitserse onderwerpen aan gelinkt: in 2014 verscheen er een serietje waarop de Amerikaanse stripkat Garfield met zijn speelmaat Odie te zien is, die samen kaasfondueën uit een rode pan met een wit kruis.

Volgende week gaat Zegelgek Down Under.

Garfield en Odie aan de kaasfondue

Garfield en Odie aan de kaasfondue (Mi 2357)

 

 

 

 

 

 

Leopold van Saksen-Coburg op 34-jarige leeftijd, door George Dawe (1781-1829), Oorlogsgalerij Winterpaleis, St. Petersburg

Nadat Frankrijk in januari zijn eerste postzegels had uitgebracht kon het economisch sterk op dit land gerichte België niet lang achterblijven. Pas voor de tweede keer werd gekozen het staatshoofd te eren en dat was dus Leopold van Saksen-Coburg en Gotha, sinds 1831 Koning der Belgen. Toevallig een oom van koningin Victoria ook.

Leopold Georg Christian Friedrich werd op 16 december 1790 geboren als jongste overlevende zoon van zijn ouders Franz Friedrich von Sachsen-Coburg-Saalfeld en Auguste Reuß zu Ebersdorf op het stamslot Ehrenburg in Coburg, een stadje ongeveer halverwege Erfurt en Nürnberg in Beieren. Hij was anderhalf jaar ouder dan zijn latere rivaal, onze koning Willem II. Naar wie hij vernoemd wordt is een beetje gissen, maar waarschijnlijk werd zijn naam geïnspireerd door de Habsburgse keizer Leopold II, die eerder in 1790 aangetreden was. De naam komt namelijk nergens bij zijn voorouders voor.

Leopold had al op jonge leeftijd een baantje: kolonel in het Russische leger. Dat was een cadeautje van Catharina de Grote in verband met het huwelijk van zijn oudere zus Juliana met haar kleinzoon Konstantin, een huwelijk dat overigens al na enkele jaren spaak liep. Het betekende wel dat Leopold in de Napoleontische oorlogen de kant van de Russen koos, ondanks aandringen van Napoleon om zijn zijde te kiezen.

Karoline Bauer, naar een gravure van Franz Stöber (1795-1858)

Nadat Napoleon verslagen was bij Waterloo, een slag waar Leopold part noch deel aan had, werd het wel eens tijd om te trouwen. In Londen maakte hij kennis met prinses Charlotte, de dochter van de Engelse koning George IV. Zij was een klein jaar ouder dan Leopold en eerder verloofd met de erfprins van Oranje. Het werd een gelukkig, maar kort huwelijk, want Charlotte stierf in het kraambed en liet een ontroostbare echtgenoot achter. Hij bleef wel in Engeland wonen en nam daar en in Duitsland deel aan het leven dat bij de adel hoorde met feesten en bals en de bijbehorende avontuurtjes. In 1829 ontmoette hij de actrice en zangeres Karoline Bauer, die niets liever zou doen dan met de prins trouwen, maar daar kwam het niet van. Bovendien kwamen er een paar gebeurtenissen op zijn pad die een huwelijk met een gewone vrouw in de weg stonden.

Allereerst was er de onafhankelijkheid van Griekenland. Dit land had zich vanaf 1821 losgeworsteld uit het Ottomaanse Rijk en was in de eindfase van de strijd op zoek naar een koning. Leopold was vrij en beschikbaar, maar zou alleen koning worden als er een aantal zaken geregeld zouden worden om de stabiliteit te bevorderen, zoals een behoorlijke vrede en grensverdrag met de Turken. Omdat aan die eis niet voldaan kon worden hield Leopold toch de boot maar af en werd gekozen voor de Beierse koningszoon Otto.

20 centimes Epaulettes (Mi 2)

Maar intussen was er een ander gebied dat in opstand was gekomen tegen zijn staatshoofd, het zuiden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Deze Belgische opstand leidde ertoe dat het land, om het conflict niet verder uit de hand te laten lopen, door alle grootmachten onafhankelijk verklaard werd. Erfprins Willem van Oranje zou koning kunnen worden maar hier waren de Belgen tegen. De Fransen zouden een koning kunnen leveren, een zoon van ‘burgerkoning’ Louis-Philippe van Orléans, maar dat vonden de andere grootmachten niet zo’n goed idee. Maar die Leopold van Saksen-Coburg, zou dat niets zijn? Op 21 juli, nog altijd de nationale feestdag, had hij inderdaad toegehapt en legde de eed af

Jacob Wiener op een zegel uit 1987 (Mi 2300)

Jacob Wiener op een zegel uit 1987 (Mi 2300)

In 1832 trouwde de inmiddels 41-jarige protestantse koning voor de tweede maal, met de katholieke Louise Marie van Orléans, zus van de eerder beoogde koning. Hun drie overlevende kinderen werden katholiek opgevoed, zoals geëist door de Belgische bisschoppen bij het aanvaarden van Leopold als koning. Ook dit huwelijk verliep tamelijk gelukkig, hoewel hij nog tijdens haar leven enkele minnaressen had, met wie hij ook kinderen kreeg. Louise overleed in 1850, 38 jaar oud, in Oostende aan de gevolgen van (waarschijnlijk) TBC.

Het jaar daarvoor was de 58-jarige koning onderwerp van de eerste postzegel van België. In december 1847 had hij daarvoor een gewijzigde postwet naar Engels model ondertekend. De Brusselse kunstenaar Charles Baugniet (1814-1886) kreeg de opdracht en hij bewerkte een portret van Liévin de Winne (1821-1880). Op de zegel ziet Leopold er een stuk jonger uit dan op het portret, dat in zijn oorspronkelijke vorm bij diverse herdenkingen nog wel gebruikt is. Een belangrijk onderdeel zijn de epauletten waarnaar de zegels genoemd zijn. Een tweede portret, dat op 17 oktober verscheen toont Leopold in een ovaal kader, waarbij de epauletten zijn verdwenen. De gravure werd verzorgd door de Engelsman John Henry Robinson (1796-1871), waarbij Jacob Wiener (1815-1899) de compositie maakte. Wiener zou later ook betrokken zijn bij de eerste Nederlandse en Luxemburgse zegels met het portret van koning en groothertog Willem III.

Belgische zegels bij het eeuwfeest van de postzegel (1949, Mi 842) en bij het jubileum van Leopolds eedsaflegging (1957, Mi 1065 en 1066)

Er zouden tot en met Leopolds dood 18 frankeerzegels met zijn portret verschijnen, de eerste 15 jaar in de oorspronkelijke tekeningen uit 1849 en in de waarden van 1, 10, 20 en 40 centimes, eerst ongetand, later getand. Vanaf 1865 verscheen er een nieuwe serie van 5 met een portret ‘en profil’  Daarna zie je zijn gezicht terug op uitgiftes die het ontstaan van de Belgische staat vieren of de jubilea van de eerste postzegel, de eerste keer in 1925. Buiten België is Leopold I alleen in Belgisch Congo en één keer in het toenmalige Zaïre afgebeeld.

Leopold I overleed in het paleis in Laken op 10 december 1865, zes dagen voor zijn 75ste verjaardag.

Volgende week weer eens een stukje ‘Eidgenossische Geschichte’.

De tweede versie van de Honour's City Post van eind 1849

De tweede versie van de Honour’s City Post van eind 1849

De zegels met portretten van Franklin en Washington uit 1847 deden het goed. Het enige dat ze niet deden was het lokale verkeer dienen. Dit was de reden dat in 1849 de wet weer een stukje aangepast werd om ook dat mogelijk te maken. Alleen waren er geen federale zegels, die kwamen pas in 1851. Tot die tijd, maar ook lang erna werd het lokale postsysteem van de belangrijkere steden beheerst door koeriersdiensten, die voor 1 of hooguit 2 cent een brief voor je bezorgde.

In Charleston, in South Carolina, waren er meer van dit soort bedrijfjes. De eerste die zegeltjes voor vooruitbetaling van het vervoer uitgaf was de Honour’s City Express, opgericht door John Henry Honour (1802-1885), een lutherse dominee met een vrouw en 13 kinderen die zich ook bezig hield met bankieren, verzekeren en andere zaken die de inwoners van Charleston mogelijk zouden kunnen gebruiken.

Een ander voorbeeld: Williams' City Post in Cincinnati

Een ander voorbeeld: Williams’ City Post in Cincinnati (Ohio)

De zegels waren alle van grote eenvoud, meestal was het tekst en in het geval van Honour’s koeriersdienst een vorm van een wc-bril met tekst. Op 9 mei kwamen deze uit (de Michel-catalogus vermeldt 14 juli) en het vroegst bekende gebruik was op 24 mei. Voorbeelden zijn er te vinden bij de Amerikaanse Siegelveilingen. Nog in 1849 kwamen er rechthoekige zegeltjes met tekst in een ornamentkadertje, zoals hierboven te zien.

Zeldzame Carrier stamp met het portret van Benjamin Franklin.

Zeldzame federale Carrier stamp met het portret van Benjamin Franklin uit 1851.

In de loop van de jaren daarna breidde het imperium van John Henry Honour zich uit met de bedrijven van Eliab J. Kingman (1829-1887), een zwager van Honour en van Joseph G. Martin, een aangetrouwd familielid. Zij gebruikten nagenoeg dezelfde ontwerpjes voor hun zegels, en werden daarin gevolgd in 1859 door John F. Steinmeyer Jr en ene Beckman. Deze laatste naam is niet meer terug te voeren op een bepaald persoon. Net zo min als die van Wharton of Brown & McGill’s in Louisville, Kentucky, om maar een voorbeeld te noemen.

Zoals gezegd, de federale overheid gaf in 1851 de eerste postzegels ten behoeve van koeriersdiensten uit, wederom met het portret van Benjamin Franklin en iets later met een opvliegende adelaar. Dit kon niet voorkomen dat de lokale ondernemingen nog jarenlang in bedrijf waren terwijl ze hun eigen zegels uitgaven.  De letter carriers deden hun werk tot 30 juni 1863, toen de Burgeroorlog al in volle gang was. Op die datum werden ze getransformeerd tot federaal ambtenaar die tegen een jaarsalaris werkte. Daarmee kwam aan dit hoofdstuk van de Amerikaanse postgeschiedenis een eind.

Volgende week aandacht voor onze toenmalige grote concurrent…